Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2008:BC9691

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
19-03-2008
Datum publicatie
16-04-2008
Zaaknummer
135690/ HAZA 05-2679
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Beleggen met geleend geld. Aansprakelijkheid cliëntenremisier jegens klant. Vergelijking tussen effectenlease en koop met pandrecht voor kredietverlener.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 74
Burgerlijk Wetboek Boek 7
Burgerlijk Wetboek Boek 7 401
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOR 2008/161
JE 2008, 264

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK 'S-HERTOGENBOSCH

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 135690 / HA ZA 05-2679

Vonnis van 19 maart 2008

in de zaak van

1. [eiser],

wonende te [woonplaats],

2. [eiseres],

wonende te [woonplaats],

eisers,

procureur mr. P.C.M. van der Ven,

tegen

de naamloze vennootschap

DSB BANK N.V.,

gevestigd te Wognum,

rechtsopvolgster van de besloten vennootschap POSTKREDIET EINDHOVEN B.V.,

gedaagde,

procureur mr. E.H.H. Schelhaas.

Partijen zullen hierna [eisers] en Postkrediet genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het vonnis in het incident van 15 november 2006

- de conclusie van antwoord

- de conclusie van repliek

- de conclusie van dupliek

- de pleidooien en de ter gelegenheid daarvan overgelegde stukken.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1 Postkrediet Eindhoven BV was een cliëntenremisier die na een aantal fusies in DSB Bank BV is opgegaan. DSB Bank BV is ook rechtsopvolgster van andere bij deze kwestie betrokken vennootschappen.

2.2. In november 2000 reageerde [eisers] op een advertentie van Postkrediet in de Veronica-gids over goedkope consumptieve leningen. In een telefonisch gesprek gaf [eisers] te kennen dat hij al beschikte over een doorlopend krediet bij de Rabobank (waarvoor hij NLG 330, per maand betaalde voor zowel de rente van 0,866% als aflossing), en dat hij een aanvullend krediet wilde voor de aanschaf van een caravan. Er werd een afspraak gemaakt voor een gesprek in Rotterdam. Tijdens dat gesprek, dat een half uur duurde, adviseerde Postkrediet aan [eisers] om een nieuw doorlopend krediet aan te gaan voor zowel de aanschaf van de caravan als het oversluiten van het krediet bij de Rabobank, met daarnaast een belegging en een verzekering. Aan het einde van dit gesprek zetten Van Domburg en zijn echtgenote hun handtekeningen onder contracten dan wel aanvraagformulieren.

2.3. Na bemiddeling door Postkrediet kwam vervolgens in november 2000 een eerste serie overeenkomsten tot stand:

1) een kredietovereenkomst met de Directbank (waarover geen stukken zijn overgelegd); met dit nieuwe doorlopende krediet werd kennelijk:

- het restant krediet bij de Rabobank van NLG 13.582,59 ofwel EUR 6.163,51 afgelost

- een bedrag van NLG 13.997 ofwel EUR 6.466,37 voor de caravan aan [eisers] overhandigd

- waarschijnlijk ook nog een eenmalige premie betaald voor de hierna genoemde verzekering;

2) een overlijdensverzekering bij – kennelijk – Tadas (waarover geen informatie is verschaft);

3) een op 3 november 2000 gesloten driepartijenovereenkomst “Hollands Welvaren Select” (hierna HWS I) tussen [eisers], Robbesand Voorschotbank BV (inmiddels door fusie opgegaan in DSB Bank NV) en Stichting Beleggingsrekening Ant-Trust (geen onderdeel van DSB-groep), inhoudende:

- Ant-Trust kocht in opdracht en voor rekening en risico van [eisers] voor NLG 25.000, ofwel EUR 11.344,51 aandelen in ING, Aegon, Getronics en Ahold; de effectenportefeuille werd gehouden door Ant-Trust en [eisers] kreeg een vorderingrecht op de stichting tot afgifte van de aandelen;

- Robbesand leende de aankoopprijs van NLG 25.000, aan [eisers] en verkreeg een pandrecht op de aandelen; [eisers] zou gedurende 5 jaar maandelijks NLG 250, betalen voor (alleen) de rente van 1% per maand; per 1 december 2005 kon [eisers] kiezen of hij het krediet voor 5 jaar zou verlengen dan wel hij het krediet zou aflossen en daartoe de aandelen zou verkopen.

2.4. Korte tijd later werd [eisers] gebeld door Postkrediet met de mededeling dat het beter was het krediet over te sluiten omdat elders een lagere rente kon worden verkregen. Oversluiting betekende dat er een bedrag van de levensverzekering vrij kwam. Postkrediet bood [eisers] de keuze tussen ofwel het vrijkomende bedrag te besteden aan bijv. een feestje ofwel er extra mee beleggen door het vrijgekomen geld op een aparte rekening te storten en daar maandelijks een vast bedrag vanaf te halen. [eisers] koos voor het laatste.

2.5. Na bemiddeling door Postkrediet werd op 2 februari 2001 een tweede serie overeenkomsten gesloten:

1) een kredietovereenkomst tussen [eisers] en De Gouwe Voorschotbank (inmiddels door fusie opgegaan in DSB Bank NV), waarbij een doorlopend krediet werd verleend met een kredietlimiet van NLG 37.374, ; de eerste 60 maanden (5 jaar) hoefde [eisers] niets af te lossen, maar betaalde hij NLG 210, maandelijks voor alleen de rente van 6,9% per jaar; het bedrag van NLG 37.374 werd als volgt besteed:

- 2 x NLG 2.430,-- (NLG 4.860, ) werd overgemaakt naar Tadas voor de afkoop van de overlijdensverzekering uit november 2000

- NLG 32.514, werd overgemaakt naar Directbank TKS voor de aflossing van het in november 2000 afgesloten doorlopend krediet

2) een overlijdensverzekeringsovereenkomst tussen [eisers] en Dirk Scheringa Beheer Leven N.V. (kennelijk h.o.d.n. DSB Leven en/of DSB Leven NV; deze vennootschap bestaat nog), waarbij een bedrag van NLG 37.374, tot 2 mei 2006 werd verzekerd tegen een (eenmalige) premie van twee maal NLG 2.430, geeft NLG 4.860, ;

3) een tweepartijencontract “Hollands Welvaren Select II” (hierna HWS II) tussen [eisers] en DSB Bank (Zaandam) NV (inmiddels door fusie opgegaan in DSB Bank NV), waarbij DSB Bank (Zaandam) NV in opdracht en voor rekening van [eisers] voor NLG 5.000, ofwel EUR 2.268,90 aandelen kocht in ING, Aegon, ABN Amro en Ahold; DSB Bank (Zaandam) NV leende dat bedrag aan [eisers] en verkreeg een pandrecht op de aandelen; [eisers] zou gedurende 60 maanden ofwel 5 jaar maandelijks NLG 50, betalen voor 1% rente; na de einddatum van 1 maart 2006 had [eisers] de keuze tussen ofwel verlenging met 5 jaar ofwel aflossing met behulp van de opbrengst van de aandelen.

De maandtermijn van NLG 50, werd afgeschreven van een nieuwe betaalrekening van [eisers] bij de Rabobank, waarop een bedrag van NLG 3.000, was gestort (genoeg voor 5 jaar termijnen). Dat bedrag was afkomstig van de afgekochte verzekering uit november 2000.

2.6. Na de tweede serie overeenkomsten had [eisers] derhalve:

- een doorlopend krediet met een aflossingsvrije kredietsom van NLG 37.374, bij De Gouwe Voorschotbank;

- een al betaalde overlijdensverzekering voor dat doorlopend krediet;

- de overeenkomst HWS I met een aflossingsvrije kredietsom van NLG 25.000, ;

- de overeenkomst HWS II met een aflossingsvrije kredietsom van NLG 5.000, .

2.7. De aandelen HWS I werden na afloop van de termijn van 5 jaar verkocht voor NLG 10.712,71, waarna van de bijbehorende kredietsom van NLG 25.000, nog NLG 14.287,29 ofwel EUR 6.483,29 resteerde.

De aandelen HWS II werden op 1 juni 2007 verkocht voor EUR 2.293,63. Dat was op zich meer dan de bijbehorende kredietsom van EUR 5.000, ofwel EUR 2.268,90, maar er resteerde toch een debetsaldo per 19 juli 2007 van EUR 330,62 in verband met rente vanaf de einddatum 1 maart 2006 tot de verkoopdatum.

Over het verloop van het doorlopend krediet van NLG 37.374, ofwel EUR 16.959,58 na afloop van de eerste looptijd van 5 jaar is geen informatie verschaft. De opbrengst van de aandelen kon in ieder geval niet aan aflossing van die kredietsom worden besteed.

3. Het geschil

3.1. [eisers] vordert om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad voor zover wettelijk geoorloofd:

a) primair voor recht te verklaren dat Postkrediet toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van haar (pre)contractuele verplichtingen jegens [eisers] en/of onrechtmatig jegens hen heeft gehandeld, alsmede Postkrediet te veroordelen tot vergoeding van de door [eisers] hierdoor geleden schade, door de rechtbank in goede justitie nader te begroten dan wel nader op te maken bij staat;

b) subsidiair de overeenkomst door toepassing van het bepaalde in artikel 3:54 BW te wijzigen, waarbij de gevolgen van de overeenkomst zodanig worden gewijzigd dat [eisers] het ontstane koersverlies/het restant van de beleggingskredieten wat niet na verkoop van de aandelen ingelost kan worden niet behoeft te dragen, dan wel o.g.v. art. 6:248 lid 2 BW/de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid, slechts aansprakelijk kan zijn voor een gedeelte groot maximaal 20% hiervan, dan wel een ander maximaal percentage door de rechtbank in goede justitie nader bepalen.

3.2. Postkrediet voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

De positie van DSB Bank NV

4.1. [eisers] heeft Postkrediet gedagvaard, waarna DSB Bank NV is verschenen als rechtsopvolgster van Postkrediet. Bij conclusie van antwoord heeft DSB Bank NV echter alleen verweer gevoerd in verband met haar positie als rechtsopvolgster van diverse andere vennootschappen, die als kredietverlener bij deze kwestie betrokken waren. Bij conclusie van repliek heeft [eisers] ook enkele verwijten aan de DSB-groep gemaakt. Bij conclusie van dupliek heeft DSB Bank NV alsnog (mede) verweer gevoerd in verband met haar positie als rechtsopvolgster van Postkrediet. Op de pleidooien heeft [eisers] verduidelijkt dat haar vordering alleen betrekking heeft op de handelwijze van Postkrediet en heeft DSB Bank NV medegedeeld dat zij in deze procedure alleen optreedt als rechtsopvolgster van Postkrediet. De rechtbank gaat daarom niet in op hetgeen partijen hebben aangevoerd in verband met de andere vennootschappen, maar alleen op de verwijten aan het adres van Postkrediet.

De positie van Postkrediet

4.2. [eisers] legt aan zijn vorderingen ten grondslag dat tussen [eisers] en Postkrediet een adviesrelatie bestond en dat Postkrediet voorafgaand aan de totstandkoming van de onderhavige overeenkomsten haar contractuele dan wel precontractuele zorgplicht heeft geschonden en/of onrechtmatig heeft gehandeld.

Postkrediet voert als verweer dat zij bij de overeenkomsten heeft gehandeld heeft als cliëntenremisier en dat op een cliëntenremisier geen bijzondere zorgplicht rust. Zij meent dat de rechtspraak met betrekking tot effectenlease niet op dit geschil van toepassing is, omdat hier geen sprake is van lease maar alleen van een geldlening voor de aankoop van aandelen die direct eigendom zijn geworden van [eisers].

4.3. Inderdaad betroffen de HWS I en HWS II overeenkomsten geen effectenlease. Deze overeenkomsten zijn daarmee echter wel vergelijkbaar, omdat in beide gevallen sprake is van beleggen met geleend geld, waarbij het de klant gedurende de looptijd van de lening niet is toegestaan de met de lening gekochte aandelen te verkopen (in het onderhavige geval omdat de aandelen waren verpand). De enkele omstandigheid dat [eisers] zijn rechten op de aandelen al direct verkreeg terwijl bij effectenlease pas na afloop van de looptijd gebeurt, betekent niet dat voor de onderhavige constructie andere criteria gelden dan voor effectenlease.

4.4. De cliëntenremisier kan in het algemeen worden omschreven als de tussenpersoon die klanten aanbrengt bij onder toezicht staande effecteninstellingen of beleggingsfondsen. . De cliëntenremisier mag zijn klanten geen specifieke adviezen over effectentransacties en –producten geven of beheersactiviteiten verrichten. Hij mag de klant alleen in algemene zin informeren over kenmerken van beleggingscategorieën en -producten. De cliëntenremisier doet zijn werk op basis van een overeenkomst van opdracht met zowel de aanbieder als de klant, waarbij alleen in de relatie tussen de cliëntenremisier en de aanbieder is voorzien in de betaling van een provisie

4.5. Aan de hand van de feiten moet worden geconstateerd dat Postkrediet zich in het onderhavige geval niet heeft beperkt tot het normale werk van een cliëntenremisier, maar ook adviezen aan [eisers] heeft verstrekt. Het was immers Postkrediet die uit zichzelf voorstelde geen eenvoudig krediet af te sluiten waarmee de caravan kon worden gekocht en het krediet bij de Rabobank kon worden overgenomen, maar in plaats daarvan te kiezen voor de combinatie van een aflossingsvrij doorlopend krediet met een krediet voor de aankoop van effecten. Bovendien heeft Postkrediet specifieke producten aangeprezen. Dat betekent dat de overeenkomst van opdracht niet alleen louter werkzaamheden van een cliëntenremisier betrof, maar ook het geven van financiële adviezen. Ingevolge art. 7:401 BW moet de financieel adviseur de zorg van een goed opdrachtnemer in acht nemen.

4.6. De rechtbank laat in het midden in hoeverre destijds de regels van de toenmalige Wet toezicht effectenverkeer 1995 op een cliëntenremisier van toepassing waren. Hoe dan ook was Postkrediet als professionele financieel adviseur gehouden om de zorg van een redelijk bekwaam en redelijk handelend financieel adviseur ten opzichte van een particuliere klant in acht te nemen. Deze mede uit de eisen van de redelijkheid en billijkheid voortvloeiende zorgplicht strekt er onder meer toe de particuliere opdrachtgever te beschermen tegen de gevaren van eigen lichtvaardigheid of gebrek aan inzicht. De cliëntenremisier die tekort schiet in de nakoming van die zorgplicht, maakt zich schuldig aan wanprestatie. (Zie voor een en ander hof Leeuwarden 29 november 2006, LJN ZA3645, hof Arnhem 19 juni 2007, LJN BA7786, en hof Amsterdam 1 maart 2007, LJN AZ9722).

Zorgplicht in verband met het verschaffen van informatie en het waarschuwen voor risico’s

4.7. Een financieel adviseur zoals Postkrediet is gehouden om de klant vóór het afsluiten van de overeenkomst duidelijk voor te lichten over de aard van het product en de daaraan verbonden risico's. De omvang van deze informatieverplichting hangt af van de omstandigheden van het geval, waaronder de complexiteit van het aangeboden product, de daaraan verbonden (algemene en specifieke) risico's, de eventuele deskundigheid en ervaring van de cliënt alsmede diens inkomens- en vermogenspositie.

4.8. Als onbetwist staat vast dat [eisers] geen kennis van en ervaring met beleggen had. Omtrent de inkomens- en vermogenspositie van [eisers] is slechts bekend dat zij in november 2000 op een aanvraagformulier voor een consumptief krediet hebben ingevuld dat zij een netto-inkomen van totaal NLG 4.142, per maand en een kale huur van NLG 780, hadden.

4.9. Het in eerste instantie in november 2000 aangeboden product

betrof de combinatie van een aflossingsvrij doorlopend krediet van NLG 32.514, met de aankoop van effecten voor NLG 25.000, en een aflossingsvrij krediet voor dat bedrag. Volgens [eisers] had deze constructie ten doel dat de aandelen na verloop van 5 jaar zouden worden verkocht en dat met de opbrengst beide kredietsommen geheel zouden worden afgelost. Postkrediet betwist dat; volgens haar hadden beide overeenkomsten niets met elkaar te maken. Die betwisting moet echter als onvoldoende gemotiveerd worden verworpen, nu Postkrediet niet heeft toegelicht waarom ervoor is gekozen om tijdens de looptijd niets op het doorlopend krediet af te lossen (in tegenstelling tot het krediet van de Rabobank, tot herfinanciering waarvan het doorlopend krediet strekte) en zij ook niets heeft gesteld omtrent enige voorziening voor de aflossing van dat krediet na afloop van de looptijd. Daarnaast valt te wijzen op de samenhang tussen de contracten, met name waar het betreft de eerste 5 jaar, gedurende welke op geen van de kredieten behoeft te worden afgelost.

Omdat [eisers] tijdens de initiële looptijd van deze overeenkomsten niets op de kredieten hoefde af te lossen, waren zijn maandlasten beperkt tot rente. Voor het aandelenkrediet betrof dat NLG 250, . De maandrente voor het doorlopend krediet bij de Directbank is niet bekend. Over de latere kredietsom bij De Gouwe Voorschotbank moest NLG 210, aan maandrente worden betaald, zodat [eisers] maandelijks totaal ongeveer NLG 460, aan rente zou moeten gaan betalen. Dat leverde een besparing op ten opzichte van de maandelijkse termijnen voor rente en aflossing die [eisers] zou moeten betalen indien alleen een eenvoudig doorlopend krediet zou worden afgesloten voor de aankoop van de caravan en het oversluiten van de lening bij de Rabobank (afgaande op de termijnen voor die lening bij de Rabobank ongeveer NLG 660, per maand, maar waarschijnlijk minder in verband met de lagere rentestand). Tegenover die besparing stonden echter grote risico’s. Indien [eisers] ervoor zou kiezen om de in november 2000 voor NLG 25.000, gekochte aandelen na 5 jaar te verkopen, dan zouden die aandelen zodanig in waarde moeten zijn gestegen dat daarmee zowel het aandelenkrediet van NLG 25.000, als het doorlopend krediet van NLG 32.514, kon worden afgelost. Dat zou alleen mogelijk zijn indien de waarde van de gekochte aandelen in 5 jaar tijd meer dan zou verdubbelen. De kans op een dergelijke waardestijging is klein, mede gelet op de omstandigheid dat [eisers] de verpande aandelen niet op het meest gunstige moment kon verkopen maar alleen per 1 december 2005. Het risico dat na verkoop van de gekochte aandelen per die datum voor [eisers] een schuld zou resteren, moet daarom als hoog worden aangemerkt. Indien de waarde na 5 jaar gelijk zou zijn gebleven of zelfs zou zijn gedaald, zou voor [eisers] zelfs een schuld resteren die aanzienlijk hoger was dan het bedrag dat [eisers] wilde lenen voor de aankoop van de caravan en het oversluiten van het krediet bij de Rabobank.

Weliswaar was het mogelijk om de overeenkomsten nog 5 jaar langer voort te zetten in de hoop op betere tijden, maar dat zou hebben betekend dat [eisers] ook 5 jaar langer ongeveer NLG 460, per maand aan rente zou moeten betalen. Bij het alternatief van het eenvoudige doorlopend krediet met maandtermijnen voor rente én aflossing zou hij na afloop van de looptijd (volgens [eisers] 7 jaar) niets meer hoeven te betalen en zou dat krediet volledig zijn afgelost. Het aanvankelijke voordeel van een besparing op de maandlasten van hooguit NLG 200, zou dan omslaan in een nadeel van NLG 460, per maand. Indien en voor zover dat nadeel niet werd gecompenseerd door het eerdere voordeel, zou het moeten worden terugverdiend met een extra waardestijging van de aandelen. Bovendien bestond bij verlenging het risico dat de aandelen na afloop van de tweede termijn van 5 jaar opnieuw onvoldoende in waarde zouden zijn gestegen.

4.10. Gelet op alle omstandigheden van het geval komt de rechtbank tot de conclusie dat op Postkrediet de bijzondere zorgplicht rustte om [eisers] te informeren over de aard van het aangeboden product, waaronder met name het feit dat de waardestijging van de aandelen voldoende zou moeten zijn om twéé kredietsommen te kunnen aflossen, alsmede om [eisers] in niet mis te verstane bewoordingen niet alleen te waarschuwen voor het algemene risico’s van beleggen en van beleggen met geleend geld, maar ook voor de specifieke risico’s die zijn verbonden aan een effectenproduct dat bedoeld is voor de aflossing van een doorlopend krediet.

4.11. [eisers] verwijt Postkrediet dat zij hem niet in begrijpelijke taal heeft gewaarschuwd voor deze risico’s. Postkrediet heeft gesteld dat zij [eisers] tijdens het gesprek in Rotterdam informatie over de producten heeft verschaft en dat zij tijdens dat gesprek een brochure heeft overhandigd. Daarnaast beroept Postkrediet zich op de inhoud van de Bepalingen van de overeenkomsten HWS I en HWS II, de daarop volgens haar toepasselijke algemene voorwaarden en een informatieblad over de risico’s van beleggen. [eisers] betwist dat hij deze stukken heeft ontvangen voordat de overeenkomsten werden gesloten.

4.12. De door Postkrediet overgelegde stukken bevatten in ieder geval geen in niet mis te verstane bewoordingen vervatte waarschuwingen voor de algemene en specifieke risico’s van de combinatie van een – met geleend geld gefinancierd - effectenproduct met een doorlopend krediet voor consumptieve doeleinden. Deze stukken zijn daarom onvoldoende ter onderbouwing van het standpunt van Postkrediet, dat zij [eisers] genoegzaam heeft gewaarschuwd. Onduidelijk is welke waarschuwingen in de niet overgelegde brochure zijn opgenomen. De rechtbank laat in het midden of deze brochure al dan niet tijdens het gesprek in Rotterdam is overhandigd. Zelfs indien dat is gebeurd, was de duur van dat gesprek van slechts een half uur onvoldoende om [eisers] de gelegenheid te bieden om die brochure zorgvuldig te lezen en over de constructie na te denken alvorens zijn handtekening te zetten. Postkrediet heeft niet toegelicht welke informatie zij tijdens het gesprek mondeling aan [eisers] heeft verschaft. Zij stelt niet (althans niet uitdrukkelijk) dat zij tijdens het gesprek [eisers] mondeling heeft gewaarschuwd voor alle algemene en specifieke risico’s verbonden aan de combinatie van een effectenproduct met een doorlopend krediet. Daarom moet dit verweer van Postkrediet als onvoldoende gemotiveerd worden verworpen.

4.13. Daarmee staat vast dat, zoals door [eisers] gesteld en door Postkrediet onvoldoende gemotiveerd betwist, Postkrediet haar bijzondere zorgplicht omtrent het verschaffen van informatie en het waarschuwen voor risico’s heeft geschonden en daarmee wanprestatie heeft gepleegd. Gelet op de omvang van die risico’s en op de omstandigheid dat het niet [eisers] maar Postkrediet was die een effectenproduct voorstelde ([eisers] kwam bij Postkrediet omdat hij een nieuw doorlopend krediet wilde), mag er in redelijkheid vanuit worden gegaan dat, zoals [eisers] heeft gesteld, een deugdelijk geïnformeerde en gewaarschuwde [eisers] in november 2000 zou hebben gekozen voor het alternatief van een eenvoudig doorlopend krediet voor de aankoop van de caravan en het oversluiten van het krediet bij de Rabobank, met daarnaast een overlijdensrisicoverzekering.

4.14. Het verwijt van [eisers] in verband met de tweede serie overeenkomsten in februari 2001 kan onbesproken blijven. Het is redelijk, in het verlengde van hetgeen hiervoor is overwogen, er vanuit te gaan dat, indien [eisers] in november 2000 zou hebben gekozen voor een eenvoudig doorlopend krediet, hij bij eventueel oversluiten van dat krediet in februari 2001 zou hebben gekozen om de uitkering van NLG 3.000, in mindering te brengen op de kredietsom.

Zorgplicht in verband met het inzicht in de financiële omstandigheden

4.15. Op een financieel adviseur als Postkrediet rust een bijzondere zorgplicht om bij particuliere klanten informatie in te winnen over zijn financiële positie en andere relevante persoonlijke omstandigheden. Het enkele inwinnen van informatie bij het BKR volstaat niet.

4.16. [eisers] verwijt Postkrediet dat zij ook deze verplichting heeft geschonden. De rechtbank verwerpt de betwisting van dat verwijt door Postkrediet. Postkrediet heeft slechts verwezen naar het netto maandinkomen en de huurlasten die op het aanvraagformulier zijn vermeld. Door alleen naar die gegevens te vragen, heeft Postkrediet onvoldoende aan deze verplichting voldaan. Deze verplichting dient niet alleen om te achterhalen of de klant financieel in staat is de maandelijkse termijnen te betalen, maar ook om vast te stellen of het risico van een restschuld financieel verantwoord is gelet op de persoonlijke omstandigheden van de klant. Daarvoor is veel meer informatie nodig, zoals de overige vaste lasten, eventueel ander vermogen, het beleggingsdoel, de gezinsomstandigheden en mogelijke toekomstige ontwikkelingen aangaande het gezinsinkomen of de vaste lasten, zoals studielasten etc.

4.17. In deze procedure is de ontbrekende informatie over de persoonlijke omstandigheden van [eisers] niet alsnog verschaft, zodat de rechtbank niet kan beoordelen welke gevolgen het niet voldoen aan deze verplichting heeft gehad. De rechtbank zal dit punt verder laten rusten, omdat hiervoor al als uitgangspunt is gehanteerd dat [eisers] de onderhavige overeenkomsten niet zou hebben gesloten indien Postkrediet aan haar bijzondere zorgplicht zou hebben voldaan. [eisers] heeft niet uitdrukkelijk gesteld (althans niet onderbouwd) dat zijn persoonlijke omstandigheden voor Postkrediet reden hadden moeten zijn om zelfs het afsluiten van een extra lening voor het kopen van een caravan af te raden.

Overige standpunten van [eisers]

4.18. [eisers] heeft zich beroepen op misbruik van omstandigheden zoals bedoeld in art. 3:44 BW en op dwaling op de voet van art. 6:228 lid 1 aanhef onder b BW. Onduidelijk is wat [eisers] hiermee beoogt. Hij heeft geen vernietiging gevorderd van de tussen [eisers] en Postkrediet bestaande overeenkomst van opdracht. Vernietiging van die overeenkomst zou ook geen gevolgen hebben voor de rechtsgeldigheid van de krediet- en effectenovereenkomsten die niet met Postkrediet maar met andere partijen gesloten. Gesteld noch gebleken is dat [eisers] de overeenkomsten jegens die partijen heeft vernietigd. Die vernietiging kan [eisers] niet in een procedure tegen Postkrediet vorderen. Nu het beroep op dwaling en/of misbruik van omstandigheden om die redenen al faalt, gaat de rechtbank niet in op het door Postkrediet gedane beroep op verjaring en op art. 6:278 BW.

4.19. [eisers] beroept zich op misleidende reclame in de zin van art. 6:194 BW. Dat beroep moet worden verworpen omdat [eisers] niets heeft gesteld omtrent openbaar gemaakte mededelingen, laat staan over mededelingen die door Postkrediet zijn gedaan. Bovendien levert misleiding een onrechtmatige daad op, die niet meer schade tot gevolg heeft gehad dan de schade als gevolg van de al vastgestelde wanprestatie.

4.20. De stellingen die [eisers] bij dagvaarding en bij repliek ten grondslag heeft gelegd aan zijn beroep op misbruik van gezag/bevoegdheid door Postkrediet in de zin van art. 3:13 BW, kunnen dat beroep niet dragen.

4.21. Het beroep op schuldeisersverzuim moet worden verworpen, alleen al omdat Postkrediet geen contractspartij was bij de krediet- en effectenovereenkomsten.

4.22. De rechtbank komt niet toe aan de subsidiaire vordering, het daaraan ten grondslag liggende verwijt in verband met de mogelijkheid om het risico voor maximaal 20% extra inlegkosten te verzekeren, en het beroep op art. 3:54 BW.

Overige standpunten van Postkrediet

4.23. DSB Bank heeft zich beroepen op een artikel in haar algemene voorwaarden (kennelijk art. A7 van de voorwaarden behorend bij HWS II, prod. 3 antwoord), waarin de klant verklaart zich bewust te zijn van de beleggingsrisico’s verbonden aan de effecten en deze risico’s te aanvaarden. De rechtbank laat in het midden wat de waarde van een dergelijke voorwaarde is. In ieder geval kan Postkrediet zich hierop niet beroepen, omdat het niet om door haar gehanteerde algemene voorwaarden gaat en het beding evenmin bedoeld is om door haar jegens [eisers] in te kunnen roepen.

Eigen schuld van [eisers]

4.24. Op klanten zoals [eisers] rust een eigen onderzoeksplicht om zich vóór het aangaan van dit soort overeenkomsten redelijkerwijs in te spannen om de inhoud van de overeenkomst(en) en de daaraan verbonden risico's te begrijpen. Schending van deze onderzoeksplicht ontslaat Postkrediet niet van haar aansprakelijkheid wegens schending van de bijzondere zorgplicht, maar levert wel “eigen schuld” van [eisers] op in de zin van art. 6:101 BW.

4.25. Vastgesteld moet worden dat [eisers] niet aan deze eigen onderzoeksplicht heeft voldaan. [eisers] heeft zelf aangegeven dat het verhaal van Postkrediet eigenlijk te mooi klonk om waar te kunnen zijn. Desondanks heeft [eisers] na een gesprek van slechts een half uur direct zijn handtekening gezet, zonder zichzelf de gelegenheid te geven goed na te denken over het advies van Postkrediet en zonder te vragen naar schriftelijke informatie die hij thuis nog rustig zou kunnen doornemen (althans, indien die informatie wel zou zijn overhandigd, niet de tijd te nemen om die informatie zorgvuldig door te lezen en daarover na te denken).

4.26. De rechtbank kan in dit stadium nog niet beslissen omtrent het percentage van de schade dat [eisers] vanwege deze “eigen schuld” zelf moet dragen. Daarvoor is meer inzicht nodig in de persoonlijke omstandigheden van [eisers] (andere vaste lasten van [eisers], de omvang van eventueel vermogen en de gezinsomstandigheden). De rechtbank zal de zaak naar de rol verwijzen opdat [eisers] die informatie alsnog verschaft.

4.27. De rechtbank wijst partijen op het arrest van het hof ’s Hertogenbosch van 6 november 2007 (LJN BB7875), waarin is overwogen dat bij de toepassing van de maatstaf van art. 6:101 BW fouten van de klant die uit lichtvaardigheid of gebrek aan inzicht voortkomen in beginsel minder zwaar wegen dan fouten van de effecteninstelling die is tekortgeschoten in een zorgplicht die naar zijn aard juist tot strekking heeft de klant tegen dat gevaar van eigen lichtvaardigheid of gebrek aan inzicht te beschermen. De rechtbank ziet geen aanleiding daarover anders te oordelen daar waar het betreft de fouten van een adviserend clientenremisier zoals Postkrediet.

De hoogte van de schade

4.28. [eisers] stelt zijn schade in de pleitnota van zijn raadsman op het totaal van de geleende bedragen minus de opbrengst van de aandelen. Bij dagvaarding heeft [eisers] ook nog aanspraak gemaakt op vergoeding van de door hem tijdens de looptijd van 5 jaar betaalde rentebedragen. Dat zou echter betekenen dat Postkrediet ook het geleende bedrag voor de caravan en het Rabokrediet zou moeten vergoeden. Bovendien miskent [eisers] dat, indien hij de gewraakte overeenkomsten niet zou zijn aangegaan maar een eenvoudig doorlopend krediet zou zijn aangegaan, hij ook rente en aflossing over dat eenvoudig doorlopend krediet zou hebben moeten betalen.

4.29. Bij de begroting van schade als de onderhavige moet de feitelijke situatie, zoals die is ontstaan door het sluiten van de door Postkrediet geadviseerde overeenkomsten, worden vergeleken met de fictieve situatie, die zou zijn ontstaan indien Postkrediet aan haar bijzondere zorgplicht zou hebben voldaan. Het verschil betreft de schade als gevolg van de wanprestatie van Postkrediet. Wegens “eigen schuld” van [eisers] hoeft Postkrediet slechts een nog vast te stellen deel van die schade te vergoeden.

4.30. Wat betreft de feitelijke situatie is nog informatie nodig over:

- het doorlopend krediet bij Directbank (volgens [eisers] heeft hij het contract opgevraagd bij Directbank, maar beschikt die niet meer over het dossier)

- de verzekering bij Tadas (welk bedrag was hoe lang verzekerd en hoeveel premie is hiervoor betaald)

- het saldo van het doorlopend krediet bij De Gouwe Voorschotbank per de data waarop beide groepen aandelen zijn verkocht

- het verloop van de diverse restschulden na de verkoop van de aandelen.

4.31. Wat betreft de fictieve situatie zonder wanprestatie is nog informatie nodig over:

- de voorwaarden van het eenvoudige doorlopend krediet dat [eisers] zonder wanprestatie in november 2000 zou hebben afgesloten (rentepercentage, looptijd, maandbedrag e.d.)

- de hoogte van de premie voor de daaraan verbonden overlijdensrisicoverzekering

- de wenselijkheid van het oversluiten van dat eerste krediet in februari 2001.

Het is niet vanzelfsprekend dat ook bij een niet-aflossingsvrij doorlopend krediet aanvankelijk zou zijn gekozen voor Directbank en later voor De Gouwe Voorschotbank. Een schadebegroting met dat uitgangspunt is bovendien niet mogelijk indien geen informatie over het doorlopend krediet bij Directbank boven tafel komt. In dat geval zal de rechtbank bij wijze van schatting het uitgangspunt hanteren dat direct in november 2000 een definitief doorlopend krediet zou zijn afgesloten. Indien toch wordt uitgegaan van oversluiten in februari 2001, zal nog informatie moeten worden verschaft over:

- de voorwaarden van het vervangende doorlopend krediet dat [eisers] zonder wanprestatie in februari 2001 zou hebben afgesloten

- de hoogte van de premie voor de daaraan verbonden overlijdensrisicoverzekering

- de gevolgen van de afkoop van de eerdere verzekering.

4.32. De rechtbank draagt beide partijen op om de ontbrekende informatie - voor zover zij daarover kunnen beschikken - alsnog bij akte te verschaffen. Dat ligt niet alleen op de weg van [eisers] als eisende partij. Postkrediet zal gelet op de door haar verleende diensten beschikken over een volledig dossier en zij heeft als financieel deskundige inzicht in informatie die relevant is voor de fictieve situatie zonder wanprestatie.

5. De beslissing

De rechtbank

5.1. bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 16 april 2008 voor het nemen van een akte door beide partijen over hetgeen is vermeld onder 4.26 en 4.32,

5.2. houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. W. Schoorlemmer en in het openbaar uitgesproken op 19 maart 2008.