Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2008:BC9649

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
21-04-2008
Datum publicatie
21-04-2008
Zaaknummer
01/889000-05
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel van een bedrag van EUR 135.465,- van een 58 jarige man uit Best welk bedrag deze man zou hebben verdiend met criminele activiteiten waarvoor hij eerder is veroordeeld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK 'S-HERTOGENBOSCH

Sector Strafrecht

Parketnummer ontneming: 01/889000-05

Vonnis van de rechtbank ’s-Hertogenbosch, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte]

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1949,

wonende te [woonplaats] [adres]

Proces-verloop

De rechtbank heeft in de (hoofd)zaak met bovenvermeld parketnummer vonnis gewezen op 15 november 2005. Op genoemde datum is eveneens vonnis gewezen in de zaak tegen

[medeverdachte 1] (889001-05), [medeverdachte 2] ( 889004-05), [medeverdachte 3] ( 889008-05), [medeverdachte 4] (089054-04) en [medeverdachte 5] (889010-05).

In de (hoofd)zaak tegen [medeverdachte 5] heeft het gerechtshof ’s-Hertogenbosch arrest gewezen op 19 maart 2007.

Het onderhavige vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter openbare terechtzitting van 20 juni 2007, 14 november 2007 en 17 maart 2008.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van de veroordeelde naar voren is gebracht.

De vordering van de officier van justitie strekt tot het opleggen van de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 124.779,- ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. Bij de openbare behandelingen is de vordering gelijktijdig, doch niet gevoegd, behandeld met de vordering tegen de veroordeelden [medeverdachte 1] (889001-05),

[medeverdachte 2] ( 889004-05), [medeverdachte 3]( 889008-05), [medeverdachte 4] (089054-04) en [medeverdachte 5] (889010-05).

De officier van justitie baseert de vordering tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel op een kasopstelling waarbij de contante uitgaven van de leden van de groepering c.q. familie [X] zijn opgenomen over de periode van 11 juni 2003 t/m 30 januari 2005.

In de periode van 20 juni 2007 tot 17 maart 2008 is met instemming van de officier van justitie en de verdediging een schriftelijke procedure, ex artikel 511d Wetboek van Strafvordering, gevolgd volgens het “Protocol ontneming wederrechtelijk voordeel” van de rechtbank.

De rechtbank heeft in de (hoofd)zaken als strafbare feiten bewezen geacht, ten aanzien van:

- [verdachte] onder andere

* een gewoonte maken van opzetheling (12 strafbare feiten)

* deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven

* medeplegen van een gewoonte maken van witwassen

- [medeverdachte 1]

* diefstal c.q. poging diefstal in vereniging al dan niet met braak of valse sleutel ( 5 strafbare feiten)

* deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven

- [medeverdachte 2]

* diefstal c.q. poging diefstal in vereniging als dan niet met braak of valse sleutel (7 strafbare feiten)

* deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven

- [medeverdachte 3]

* diefstal c.q. poging diefstal in vereniging met braak of valse sleutel (7 strafbare feiten)

* deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven

- [medeverdachte 5]

* diefstal c.q. poging diefstal in vereniging met braak en/of valse sleutel ( 2 strafbare feiten)

* deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven

- [medeverdachte 4]

* diefstal c.q. poging diefstal in vereniging al dan niet met braak en valse sleutel (10 strafbare feiten)

* medeplegen van oplichting al dan niet meermalen gepleegd (2 strafbare feiten)

* deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven.

Het gerechtshof heeft in de zaak tegen de veroordeelde [medeverdachte 5] op 19 maart 2007 veroordeelde vrijgesproken van de poging diefstal in vereniging met braak.

De rechtbank heeft het arrest van het gerechtshof uit proceseconomische overwegingen in het onderzoek in de onderhavige procedure betrokken, omdat de berekenwijze van het vermeende wederrechtelijke voordeel is gebaseerd op de kasopstelling methodiek. Die methodiek ziet op een vergelijking tussen het inkomsten- en uitgavenpatroon van de familie [X].

De rechtbank verwijst voor de bewezenverklaring van de feiten en de bewijsmiddelen in het bijzonder naar de verkorte vonnissen van 15 november 2005 en naar de aanvulling van het verkorte vonnis, alsmede naar het arrest van 19 maart 2007 ([medeverdachte 5]).

De rechtbank constateert dat een Strafrechtelijk Financieel Onderzoek (s.f.o.) heeft plaatsgevonden tegen de veroordeelden [verdachte], [medeverdachte 1] en [medeverdachte 4] 1 .

De resultaten van deze s.f.o.’s zijn verwerkt in een rapportage. Deze rapportage is beschikbaar gesteld aan alle veroordeelden.

Door de rechter-commissaris belast met strafzaken zijn in de onderhavige procedure, op verzoek van de verdediging en onder verwijzing van de rechtbank als getuigen gehoord [medeverdachte 3], [medeverdachte 5], [medeverdachte 1], [medeverdachte 4] en [verdachte].

Namens de veroordeelden zijn conclusies van antwoord bij de rechtbank ingediend. De betreffende verdediging stelt in de conclusie van antwoord – zakelijk weergegeven - onder meer dat:

* de strafbare feiten niet zijn gepleegd (door de verdediging van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 5])

* de redelijke termijn is overschreden (door de verdediging van [verdachte], [medeverdachte 1] en [medeverdachte 4])

* de berekenwijze onjuist is en ten onrechte geen legale inkomsten worden meegenomen in die berekenwijze (door de verdediging van alle veroordeelden met uitzondering van de veroordeelde [medeverdachte 5]).

De officier van justitie heeft op 18 januari 2008 schriftelijk gerepliceerd, waarbij hij heeft gepersisteerd bij zijn vorderingen. Hij stelt, onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad d.d. 25 juni 2005, LJN AD 8950, dat de stellingen van de veroordeelden ten aanzien van schenkingen, handel in sieraden, aan- en verkopen van huizen en geërfde gelden uit de USA niet met bescheiden of anderszins zijn onderbouwd. De officier van justitie acht de stellingen van de verdediging daarom niet aannemelijk.

Veroordeelden hebben een conclusie van dupliek ingediend dan wel daarvan afgezien.

Ter terechtzitting van 17 maart 2008 zijn standpunten nogmaals benadrukt en zijn afsluitende opmerkingen gemaakt.

Ontvankelijkheid van de officier van justitie

Door de verdediging van de veroordeelden is gesteld dat er sprake is van overschrijding van de redelijke termijn. De verdediging van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 4] verbindt daar in eerste instantie de niet-ontvankelijheid van de officier van justitie aan. Subsidiair wordt gesteld dat die overschrijding in tijd moet leiden tot vermindering c.q. matiging van het te betalen bedrag. Laatstgenoemd standpunt is tevens ingenomen door de andere veroordeelden.

De rechtbank constateert dat in de (hoofd)zaken door de officier van justitie tijdig de vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel is aangekondigd.

De rechtbank stelt verder vast dat het tijdsverloop tussen haar vonnissen in de hoofdzaken en het aanvangsmoment van de behandeling van de onderhavige omvattende ontnemingvorderingen ongeveer negentien maanden bedraagt. Het strafdossier betreft een omvangrijk dossier, naar aanleiding waarvan over een langere periode een vermogensopstelling is vervaardigd.

De behandeling door middel van de schriftelijke procedure is met instemming van de verdediging gevolgd en tevens is in het kader van die (schriftelijke) procedure een aantal getuigen op verzoek van de verdediging gehoord. Ondanks het feit dat niet alle veroordeelden het verzoek tot het horen van die getuigen hebben gedaan, vindt de rechtbank dat de uitkomst van die verhoren ook in het belang van die veroordeelden is, omdat de vordering tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt gebaseerd op de eerder genoemde kasopstelling van de familie [X].

Hoewel behandeling (inclusief voorbereiding) van de ontnemingszaak langer heeft geduurd dan in beginsel wenselijk wordt geacht, acht de rechtbank gelet op het voorafgaande de redelijke termijn niet overschreden.

Het beroep op de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie wordt dan ook door de rechtbank verworpen en aan het beroep op vermindering c.q. matiging van het toe te rekenen wederrechtelijk verkregen voordeel komt de rechtbank op grond van het voorafgaande evenmin toe.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is ook anderszins niet gebleken van feiten en/of omstandigheden, die aan de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de weg staan.

Beoordeling van de vordering

De rechtbank beziet achtereenvolgens:

1. De vonnissen en het arrest

2. De methode van berekenen van het wederrechtelijk verkregen voordeel

3. De berekening, te verdelen in:

a. het beginsaldo

b. de inkomsten

c. de uitgaven

d. de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel

e. de toerekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel

4. De matiging van het te betalen bedrag.

De rechtbank zal bij de hierboven vermelde onderdelen de standpunten uit de schriftelijke procedure van de verdediging en van de officier van justitie betrekken.

1. Het vonnis en het arrest

De rechtbank gaat in de beschouwing en berekening uit van haar vonnissen van 15 november 2005 gewezen tegen veroordeelde en de overige veroordeelden en beziet de aanpassing gedaan door het gerechtshof ’s-Hertogenbosch in de zaak [medeverdachte 5].

Op grond van de bewijsmiddelen is de rechtbank van oordeel dat veroordeelde voornoemd voordeel heeft verkregen door middel van of uit de baten van de feiten terzake waarvan betrokkene is veroordeeld.

De rechtbank verwerpt het verweer van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 5] (zie hierboven bij standpunten verdediging), dat zij/hij geen strafbare feiten heeft gepleegd, op grond van het eerder op hem of haar betrekking hebbend genoemde vonnis respectievelijk arrest.

2. De methode van berekenen van het wederrechtelijk verkregen voordeel

De berekening in het proces-verbaal van de politie volgt de methode van vermogensvergelijking volgens de zogenaamde kasopstelling. Deze methode gaat derhalve niet uit van de opbrengst van de strafbare feiten waarvoor is veroordeeld dan wel soortgelijke feiten of feiten van de 5e geldboetecategorie waaromtrent voldoende aanwijzingen bestaan dat deze zijn begaan. De methode gaat uit van het principe dat uitgaven die uitstijgen boven de legale inkomsten in een bepaalde periode in beginsel wederrechtelijk verkregen voordeel betreffen, tenzij de veroordeelde een legale herkomst van die (bestede) gelden aannemelijk maakt.

Indien tegen een veroordeelde een strafrechtelijk financieel onderzoek is ingesteld, en deze persoon is veroordeeld voor een of meer feiten met een geldboete van de vijfde categorie, bepaalt artikel 36 e lid 3 dat indien op grond van het s.f.o. aannemelijk is geworden dat de bewezen verklaarde of andere strafbare feiten er op enigerlei wijzen toe hebben geleid dat veroordeelde wederrechtelijk voordeel heeft verkregen, dit voordeel kan worden ontnomen.

Door het instellen van het s.f.o. is een zo volledig mogelijk beeld ontstaan van de uitgaven en de financiering daarvan, zodat de rechtbank hierna de methode volgt van vermogensvergelijking volgens de zogenaamde kasopstelling.

De rechtbank komt om deze reden niet toe aan het verweer van de verdediging van [medeverdachte 3], die voorstaat een methode van berekenen op grond van de opbrengst uit strafbare feiten en soortgelijke feiten.

De rechtbank neemt de verschillende veroordelingen alsmede de verschillende verweren gezamenlijk in beschouwing.

3. De berekening

a. Het beginsaldo

In de berekening van de politie is als beginsaldo van de onderzoeksperiode een bedrag aangenomen van € 680,-.

Door de verdediging van [verdachte] is onder meer gesteld dat het beginsaldo onjuist is en het bedrag van € 680,- vermeerderd moet worden met de inkomsten uit erfenis van de vader van [verdachte] à € 302.521,- en het spaargeld van [medeverdachte 4] à € 35.000,-. Verder moet rekening gehouden worden met legale ontvangsten uit handel sieraden à € 16.500,-, de studiefinanciering van [medeverdachte 4] à € 9.000,- en een lening van [per[adres Y] à

€ 37.815,17 en tot slot ook met opbrengst uit verkoop stenen à € 17.200,-, zodat het wederrechtelijk verkregen voordeel nihil moet zijn.

De verdediging van veroordeelde [medeverdachte 1] stelt dat ten onrechte geen rekening is gehouden met USD 600.000,- meegenomen bij vertrek uit de USA, welk geld op meerdere momenten door [medeverdachte 4] is omgewisseld. Verder wordt gesteld dat ten onrechte niet zijn meegerekend inkomsten en het banksaldo van [medeverdachte 4], leningen en schenkingen en de opbrengst van de verkoop van het huis van [medeverdachte 2].

De verdediging van veroordeelde [medeverdachte 2], die stelt dat zij tot heden niet met bescheiden de onjuistheid van de omvang van het wederrechtelijk verkregen voordeel kan aantonen, wijst op de getuigenverklaringen ten aanzien van het vermogen dat is meegenomen uit de USA, de giften en/of leningen.

De verdediging van veroordeelde [medeverdachte 3] weerspreekt niet dat er geen sprake is van reguliere inkomsten. De verdediging wijst wel op het lenen en schenken dat gebruikelijk is, de schenking van de stiefvader van [verdachte] à USD 100.000,-, de lening van enkele tienduizenden euro’s van [persoon Y] en de aanzienlijke geldbedragen verkregen door de verkoop van huizen in de VS. Volgens de verdediging is irrelevant dat die gelden buiten de onderzoeksperiode vallen waarover het ontnemingbedrag wordt berekend nu aannemelijk is dat de verkoopopbrengst kan dienen voor het voorzien in het levensonderhoud in de onderzoeksperiode.

De verdediging van veroordeelde [medeverdachte 4] stelt dat meer dan aannemelijk is dat de familie [X] meer legale inkomsten c.q. contanten heeft gehad dan in de rapportages wordt gesteld, zodat matiging dient plaats te vinden. De verdediging noemt - zakelijk weergegeven - inkomsten uit winst verkoop sieraden à € 15.000,- - € 18.000-, een lening in de onderzoeksperiode van familie uit de VS à USD 200.000,-, een lening van [adres Y] à

USD 45.000,- - 60.000,-, de verkoop van onroerend goed in de VS waarvan in de onderzoeksperiode werd geleefd, gelden aanwezig na de uitlever detentieperiode ter grootte van USD 360.000,- - 370.000,- en tot slot de verklaring van [verdachte] dat de familie in de onderzoeksperiode niet leefde van gestolen gelden/goederen.

Verder stelt de verdediging dat rekening gehouden moet worden met spaargeld à € 35.000,-, studiefinanciering/-schuld à € 18.000,- en inkomsten uit werk bij het [restaurant] en bij UPS.

De rechtbank overweegt het volgende.

De veroordeelden zijn veroordeeld voor de in de inleiding genoemde strafbare feiten;

In de vonnissen en het arrest in de hoofdzaak zijn bewijsoverwegingen gegeven en is onder meer stilgestaan bij de rolverdeling binnen de familie [X].

De rechtbank constateert ten aanzien van de standpunten van de verdediging dat

- de verschillende stellingen of standpunten van de verdediging niet met bescheiden c.q. documenten zijn onderbouwd;

- alleen verwezen wordt naar de afgelegde verklaringen door de veroordeelden/getuigen bij de rechter-commissaris;

- die verklaringen van de veroordeelden/getuigen afgelegd bij de rechter-commissaris, met uitzondering van [verdachte] en [medeverdachte 4], zich beperken tot een beroep op het zwijgrecht en/of het verschoningsrecht;

- de verklaringen van de veroordeelden/getuigen ten aanzien van het beginsaldo van de kasopstelling zeer verschillend en ook inconsistent zijn en – zoals eerder aangegeven - niet gestaafd worden met stukken van overtuiging, zoals daar zijn kas/bank afschriften, adressen, plaatsen, tijdstippen van verkoop, eigendomsbewijzen van huizen, documenten van verkoop van huizen en goederen, documenten van erfenissen, overeenkomsten c.q. schriftelijke verklaringen van (van de familie [X] onafhankelijke) derden ter zake van aangegane verplichtingen/leningen, en dergelijke;

De rechtbank stelt vast dat in de ontnemingsrapportage als beginsaldo (per 11 juni 2003) een bedrag is vermeld van € 680,- 2.

De rechtbank betrekt bij de bepaling van het vermoedelijke beginsaldo tevens de navolgende bedragen. Op de regiezitting van 20 juni 2007 is verzocht om mevrouw [persoon Z] als getuige te doen horen. Volgens de verdediging is ten onrechte geen rekening gehouden met het door haar uit de VS meegenomen geld, welk geldbedrag zij wederom meenam naar de VS bij vertrek uit Nederland. Ter terechtzitting heeft de rechtbank, gehoord de officier van justitie en de verdediging, afgezien van het horen van die getuige mede gelet op de verklaring van [verdachte]. 3

De rechtbank zal het beginsaldo aanpassen en een bedrag à € 35.000,- bijtellen bij het beginsaldo. De rechtbank houdt met dit bedrag ook rekening in de uitgaven kant van de familie omdat is verklaard dat dit geldbedrag weer is meegegeven aan [persoon Z].

De rechtbank neemt ook in beschouwing het door de verdediging beweerde spaargeld van [medeverdachte 4]. De rechtbank constateert dat op geen enkele wijze het spaargeld wordt onderbouwd met een stuk van overtuiging, zoals bijvoorbeeld een bankafschrift. Daar komt bij dat de totale bruto inkomsten van [medeverdachte 4] over de periode van 2000 t/m 2003

€ 14.159,-

betroffen 4 en daarmee zodanig laag zijn dat onaannemelijk is dat deze inkomsten voor iets anders zijn benut dan voor de kosten van levensonderhoud en andere privé-uitgaven in die periode.

De rechtbank vindt de bewering van de verdediging dan ook niet aannemelijk en zal geen spaartegoed in beschouwing nemen bij het beginsaldo.

Tot slot beziet de rechtbank dat uit het dossier volgt dat de familie aan het eind van de uitleveringsdetentieperiode nog aan gelden had USD 13.000,- , volgens de verklaring van [verdachte]. 5 De rechtbank acht deze verklaring aannemelijk nu ook bij de doorzoeking in de hoofdzaak bleek dat de gelden met name beheerd worden door [verdachte] en zijn vrouw en uitsluitend in hun verblijf/slaapvertrek geldbedragen van enige omvang werden aangetroffen. Daar komt bij dat ten tijde van de uitleveringsdetentie niet alle familieleden in die detentie verbleven en zich in levensonderhoud dienden te voorzien.

Anders dan het ontnemingrapport gaat de rechtbank, gelet op het bovenvermelde, uit van een beginsaldo van:

Volgens de rapportage € 680,-

Geld [persoon Z] € 35.000,-

Geld na uitlevering detentieperiode USD 13.000,- à 0,85682 6 € 11.139,-

Totaal € 46.819,-

b. De inkomsten

Ten aanzien van de inkomsten in de periode van 11 juni 2003 t/m 31 januari 2005 beziet de rechtbank onder meer

* de inkomsten uit verkoop sieraden

* de lening van [adres Y]

* andere giften verkregen van derden

* de inkomsten uit studiefinanciering van [medeverdachte 4]

* de inkomsten uit werk van [medeverdachte 4]

* de terugbetaling lening door [Persoon XX]

Ad inkomsten uit verkoop sieraden.

De rechtbank constateert dat

- de beweerde verdiensten ter zake van die verkoop door de verdediging van [verdachte] en [medeverdachte 4] in hoogte verschillen;

- [verdachte] bij de rechter-commissaris verklaart over verdiensten van € 15.000,- tot

€ 18.000,-;

- in de tapgesprekken slechts wordt gesproken over de aankoop van sieraden 7;

bij de doorzoekingen een aantal aankoopbonnen tegen contante betaling ter zake is

aangetroffen, welke bonnen een waarde vertegenwoordigen van € 31.087,- 8;

- bij die doorzoekingen een groot aantal van die sieraden zijn aangetroffen;

- [verdachte] heeft verklaard dat de aangetroffen sieraden door hem of zijn familie zijn

gekocht9;

- bij de doorzoekingen geen stukken van overtuiging zijn aangetroffen die duiden op

de verkoop van sieraden waardoor inkomsten zijn gegenereerd;

- alleen [verdachte] en [medeverdachte 4] daarover verklaren en dat pas doen bij de rechter-

commissaris op 26 september 2007 zonder specificaties te geven.

Gelet op bovenstaande constateringen acht de rechtbank het niet aannemelijk dat er inkomsten uit de verkoop van sieraden zijn gegenereerd.

Ad de lening van [adres Y]

De rechtbank overweegt terzake dat

- [verdachte] bij de rechter-commissaris op 26 september 2007 heeft verklaard dat USD 45.000,- - 50.000,- van [persoon Y] werd geleend ten tijde van de uitleverings- detentieperiode in casu dus voor de onderzoeksperiode;

- [verdachte] en [persoon Y] ten overstaan van genoemde rechter-commissaris tegenstrijdig verklaren over de periode dat giften zijn ontvangen;

- [verdachte] heeft verklaard dat na de uitleverdetentie de familie nog USD 13.000,- aan contanten had 10.

Gelet op de systematiek van het berekenen volgens de kasopstelling heeft de lening geen invloed op de legale inkomsten in de onderzoeksperiode en wordt de lening buiten beschouwing gelaten voor het vaststellen van het wederrechtelijk verkregen voordeel.

Bovendien is het restant van de lening (genoemde USD 13.000) wel betrokken in het beginsaldo en is de rest besteed aan het doel van de lening: de kosten van levensonderhoud van de niet-gedetineerde familieleden in de periode van de uitleveringsdetentie.

Ad andere giften verkregen van derden

De rechtbank overweegt terzake dat

- de beweringen niet gestaafd worden met stukken van overtuiging, zoals (bijvoorbeeld) schuldbekentenissen;

- tijdens het onderzoek – met onder andere telefoonopnames en observaties – niets is gebleken van giften verstrekt door zigeuners of derden aan de familie [X];

- [medeverdachte 1] ter zake van de woninginbraak gepleegd op 13 oktober 2004 te Enschede, waarbij onder meer is weggenomen € 34.358,41, en waarvoor zij is veroordeeld 11, aanvankelijk als verklaring voor het aangetroffen geld geeft dat zij een gift heeft ontvangen op het station.

Gelet hierop acht de rechtbank niet aannemelijk dat er giften van zigeunerfamilies of andere derden zijn verkregen in de onderzoeksperiode.

Ad inkomsten uit studiefinanciering van [medeverdachte 4]

De rechtbank overweegt dat

- het overgrote deel van de verkregen studiefinanciering ligt voor de periode waarover de kasopstelling is gemaakt en derhalve slechts vijf maanden zien op de onderzoeksperiode;

- de uitbetalingen hebben plaatsgevonden via de bank 12.

De rechtbank slaat op deze betalingen geen acht omdat de berekeningswijze van de kasopstelling ziet op de zgn. eenvoudige kasopstelling en om die reden bankoverschrijvingen geen invloed hebben op de uitkomst van de kasopstelling.

Ad de inkomsten uit werk van [medeverdachte 4]

De rechtbank overweegt dat

- [medeverdachte 4] heeft verklaard dat hij rond augustus 2003 voor het laatst salaris kreeg voor werkzaamheden bij het [restaurant] en dat hij enkele weken bij UPS heeft gewerkt en toen een paar honderd euro per week kreeg 13;

- uit het rapport inzake conclusies van antwoord raadslieden 14 volgt dat rekening is gehouden met de inkomsten bij de bepaling van het wederrechtelijk verkregen voordeel. De berekening is volgens de rechtbank aannemelijk mede gelet op de verklaring van veroordeelde zelf.

De rechtbank gaat derhalve uit van legale inkomsten die in de berekening zijn meegenomen tot een bedrag van € 1.437,-

De terugbetaling lening door [persoon XX]

Door de verdediging is gesteld dat door [persoon XX] in de onderzoeksperiode een bedrag van

Fl. 6000,- ( = € 2.722,68) is terugbetaald aan [verdachte] ter zake een eerder door die (persoon) aan die Slavic verstrekte lening.

De officier van justitie heeft deze stelling niet weersproken zodat de inkomstem met

€ 2.722,68 worden verhoogd.

Resumerend:

De rechtbank brengt een wijziging aan op het door de officier van justitie gestelde ten aanzien van de inkomsten. De rechtbank is van oordeel dat de officier van justitie het gestelde voor het overige meer dan voldoende aannemelijk heeft gemaakt.

c. De uitgaven

Door de verdediging van [verdachte] is gesteld dat rekening dient te worden gehouden met de betaling à € 17.200,- aan [bedrijf] te Best, omdat er antieke stenen in de tuin lagen die aan dat bedrijf zijn verkocht. Van die opbrengst zijn nieuwe stenen gekocht waarna er nog geld overbleef, aldus de verdediging.

Gelet op

- de verklaring van [eigenaar hoveniersbedrijf] over contante ontvangsten ter grootte van € 17.200,- ;

- de bankafschriften van [eigenaar hoveniersbedrijf] van de contante ontvangsten;

- de facturen van de werkzaamheden;

- de verklaring van [eigenaar hoveniersbedrijf] dat een deel van de aanneemsom werd betaald met het terugnemen van oude klinkers;

- de factuur ter verrekening ter zake 15;

- de verklaring van [eigenaar hoveniersbedrijf] dat [verdachte] hem contant betaalde 16

acht de rechtbank het gestelde door de verdediging niet aannemelijk.

De rechtbank zal ambtshalve één aanpassing aanbrengen op de uitgaven van de kasopstelling over de onderzoeksperiode omdat [persoon Z] haar € 35.000,-weer mee nam toen zij terugkeerde naar de USA.

d. De berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel

De rechtbank past, gelet op het hierboven gestelde, het beginsaldo, de inkomsten, en de uitgaven aan.

De rechtbank houdt ook rekening met de toegewezen civiele vorderingen/maatregelen.

In de vonnissen zijn civiele vorderingen hoofdelijk toegewezen en is tevens de maatregel van schadevergoeding opgelegd. De civiele vorderingen c.q. maatregelen zien op [benadeelde partij 1] à € 1.692,32, [benadeelde partij 2] à € 1.860,- en [benadeelde partij 3] à € 100,-.

Gelet op het bepaalde in artikel 36e lid 6 van het Wetboek van Strafrecht zal de rechtbank rekening houden met bovengenoemde bedragen van in totaal € 3.652,32, bij de vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel.

De rechtbank komt tot de volgende berekening:

Beginsaldo € 46.819,-

Legale ontvangsten inclusief bankopnamen (kas),

te weten

opnamen van bankrekeningen € 16.830,-

verdiensten [medeverdachte 4] € 1. 437,-

terugbetaling door [persoon XX] € 2.723,-

€ 20.990,-

€ 67.809,-

Eindsaldo, te weten

contant geld (kas) € 32.447,-

geld [persoon Z] € 35.000,- (meegenomen naar VS)

€ 67.447,-

Beschikbaar voor het doen van uitgaven (positief) € 362,-

Werkelijke gedane uitgaven per kas inclusief

bankstortingen € 294.945,-

Negatief verschil € 294.583,-

Betalingsverplichting (hoofdelijk) in verband met

vonnissen ten gunste van de civiele partijen € 3.653,-

Wederrechtelijk verkregen voordeel € 290.930,-

e. De toerekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel

De rechtbank constateert dat in het financiële rapport verschillende mogelijkheden worden aangegeven om tot een verdeling te komen van het wederrechtelijk verkregen voordeel. 17

Door de verdediging worden eveneens verschillende methoden van toerekenen aangegeven, waaronder het pond pondsgewijs toerekenen, het toerekenen op basis van de bewezen strafbare feiten dan wel toerekenen op de meest gunstige wijze.

De rechtbank heeft in haar vonnissen van de hoofdzaak uitgebreid stilgestaan bij de werkwijze van het plegen van de strafbare feiten, de criminele organisatie, de rol van elk van de veroordeelden in de criminele organisatie als ook de rol van de veroordeelden bij de bewezen verklaarde strafbare feiten.

De rechtbank constateert dat het aantal veroordeelden van de familie [X] groter is dan het aantal veroordeelden tegen wie de vordering ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel is ingesteld.

De rechtbank heeft in de hoofdzaak vastgesteld dat een aantal leden van de familie niet alleen deelnam aan de concrete strafbare feiten, maar ook (en soms vooral) wezenlijke taken in de ondersteuning van de criminele organisatie binnen de familie vervulde. De rechtbank denkt hierbij onder meer aan het oppassen op de kinderen op momenten dat andere familieleden op de “Gav” waren. Uit het onderzoek in de hoofdzaak volgde ook dat het op “Gav” gaan in wisselende samenstellingen plaatsvond.

In de hoofdzaak heeft de rechtbank vastgesteld dat de veroordeelden [verdachte] en zijn vrouw [medeverdachte 1] de spil waren in het plegen van de strafbare feiten, het verdelen van de gelden uit die gepleegde strafbare feiten en het beheer van die gelden. Daarbij komt dat zij substantiële bedragen voor levensonderhoud van en luxe goederen voor (meerdere) familieleden en veroordeelden betaalden.

De rechtbank ziet haar oordeel ondersteund door het gestelde in het rapport op pagina 23 van het ontnemingdossier. De rechtbank vindt verder steun voor haar zienswijze in de verklaringen van onder meer [persoon A] en [verdachte].

Zo verklaart [persoon A] dat het geld waarvan zij eten van de familie afkomstig is 18, het geld voor de aanvraag van een verblijfsvergunning behoorde tot de familie 19 en zijn vader de auto(s) betaalde 20.

[verdachte] verklaart onder meer over het bezit van de auto’s en het betalen van de stallingkosten daarvan 21, het betalen van de levensmiddelen door hem en zijn vrouw 22 en het betalen van verbouwingen van de woning door hemzelf. 23

Gelet op die centrale rol van de pater familias [verdachte] en zijn vrouw [medeverdachte 1] rekent de rechtbank het wederrechtelijk verkregen voordeel voor het overgrote deel toe aan deze veroordeelden. De rechtbank doet dat voor deze twee personen onderling naar evenredigheid. Voor de rechtbank is het aannemelijk dat [medeverdachte 2], [medeverdachte 3], [medeverdachte 5] en [medeverdachte 4], eveneens wederrechtelijk verkregen voordeel hebben genoten. De rechtbank zal bij die personen elk het wederrechtelijk verkregen voordeel bepalen op € 5.000,- voor de kosten van verkregen direct levensonderhoud (met name eten en drinken).

De rechtbank rekent derhalve het wederrechtelijk verkregen voordeel als volgt toe:

[verdachte] € 135.465,-

[medeverdachte 1] € 135.465,-

[medeverdachte 2] € 5.000,-

[medeverdachte 3] € 5.000,-

[medeverdachte 5] € 5.000,-

[medeverdachte 4] € 5.000,-

De officier van justitie heeft niet tegen alle veroordeelden een vordering ingesteld. Dit beïnvloed niet het te ontnemen bedrag bij [verdachte] en [medeverdachte 1] omdat zij beiden naar het oordeel van de rechtbank het totaal verkregen wederrechtelijk voordeel beheerden en geld ter beschikking stelden aan de anderen voor de kosten van levensonderhoud en luxe goederen.

4. De matiging van het te betalen bedrag

De rechtbank ziet geen enkele reden om rekening te houden met het verzoek van de veroordeelden [verdachte], [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] om een bedrag groot € 58.800,- aan niet meer invorderbare tegemoetkoming voor de tijd ondergaan in uitleveringsdetentie op verzoek van de Verenigde Staten in mindering te brengen op de betalingsverplichting. Naar het oordeel van de rechtbank ontbreekt een titel voor schadevergoeding binnen het Nederlandse stelsel van wet en rechtspraak.

De rechtbank acht ook overigens geen termen aanwezig om het te betalen bedrag te matigen. De rechtbank wordt daarin gesterkt nu [verdachte] (en daarmee de familie) onlangs een grote geldsom heeft verkregen c.q. zal verkrijgen uit de verkoop van de woning van de familie.

Toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen maatregel is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.

Beslissing

De rechtbank:

-legt aan [verdachte] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een geldbedrag ter grootte van € 135.465 (zegge: honderdvijfendertigduizend en vierhonderdenvijfenzestig euro) ter ontneming van het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel dat hij door middel van of uit de baten van de feiten ter zake waarvan hij is veroordeeld heeft verkregen.

Dit vonnis is gewezen door:

Mr. K. Visser, voorzitter

Mr. drs. W.A.F. Damen en mr. S.J.W. Hermans, leden

In tegenwoordigheid van L.D. Wittenberg, griffier,

en is uitgesproken op 21 april 2008.

1 P 12 Rapport

2 P 15 Rapport

3 P 147 Rapport [verdachte] verklaart dat zijn dochter € 30.000,- - 40.000,-- van haar man had meegekregen toen zij naar Nederland kwam. Haar is het geld weer mee gegeven toen zij uit Nederland vertrok aldus [verdachte]

4 P 9 Rapport inzake conclusies van antwoord raadslieden

5 P 2592 Rapport

6 wisselkoers dd. 11 juni 2003 volgens site www. OANDA.COM

7 P 1297 t/m 1322 Rapport

8 P 19 Rapport

9 P 1294 Rapport

10 P 2592 Rapport

11 Feit 7 van het vonnis van [medeverdachte 1]

12 Punt c Rapport conclusies van antwoord raadslieden

13 P 273 Rapport

14 Onder D Rapport conclusies van antwoord raadslieden

15 P 1157 ev, 1168 t/m 1174 en 1181 t/m 1201 Rapport

16 P 1159 Rapport

17 P 21 t/m 23 Rapport

18 P 298 Rapport

19 P 301 Rapport

20 P 288 Rapport

21 P 150 Rapport

22 P 143 Rapport

23 P 136 Rapport