Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2008:BC9254

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
28-03-2008
Datum publicatie
10-04-2008
Zaaknummer
AWB 08-758
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Verweerder heeft op goede gronden vrijstelling en bouwvergunning heeft verleend ten behoeve van het geheel oprichten van een voetbalaccommodatie.

De ruimtelijke onderbouwing van het vrijstellingsbesluit in de vorm van het voorontwerp-bestemmingsplan 'Oude landen, herziening 2006’ voldoet aan de in artikel 19, eerste lid, van de WRO gestelde vereisten en kan deze ook voor het overige de rechterlijke toets doorstaan. De voorzieningenrechter neemt hierbij in aanmerking dat de directie Ruimtelijke Ontwikkeling en Handhaving van de provincie Noord-Brabant een positief advies heeft uitgebracht over het voorontwerp-bestemmingsplan, terwijl gedeputeerde staten in hun verklaring van geen bezwaar hebben geconcludeerd dat zij het ontwikkelen van een sportlocatie in het ter plaatse aanwezige landschappelijke raamwerk thans niet meer als een onaanvaardbare ontwikkeling beschouwen. Verweerder heeft bij afweging van alle betrokken belangen in redelijkheid tot verlening van de onderhavige vrijstelling kunnen komen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ’s-HERTOGENBOSCH

Sector bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 08/758

Uitspraak van de voorzieningenrechter van 28 maart 2008

inzake

[verzoeker],

te [woonplaats],

verzoeker,

tegen

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Nuenen, Gerwen en Nederwetten,

verweerder,

gemachtigden mr. M.T.C.A. Smets, wethouder ir. J.A. Mulder, mr. B.A.P.M. Achterbergh en ir. A.D. ter Riet.

Aan het geding heeft als partij deelgenomen gemeente Nuenen, Gerwen en Nederwetten,

vergunninghouder,

gemachtigden mr. M.T.C.A. Smets, wethouder ir. J.A. Mulder, mr. B.A.P.M. Achterbergh en ir. A.D. ter Riet.

Procesverloop

Bij besluit van 31 januari 2008 heeft verweerder aan vergunninghouder vrijstelling ingevolge artikel 19, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO) en bouwvergunning verleend voor het geheel oprichten van een voetbalaccommodatie op het perceel, plaatselijk bekend Oude Landen ongenummerd, kadastraal bekend als gemeente Nuenen sectie C, nrs. 3799, 3091 en 2529.

Tegen dit besluit heeft - onder meer - verzoeker op 28 februari 2008 bij verweerder bezwaar gemaakt.

Bij brief van 28 februari 2008 heeft verzoeker zich tot de voorzieningenrechter van de rechtbank gewend met het verzoek ten aanzien van het besluit van 31 januari 2008 een voorlopige voorziening te treffen als bedoeld in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Het verzoek is behandeld ter zitting van 20 maart 2008, alwaar verzoeker is verschenen, bijgestaan door zijn echtgenote [echtgenote]. Verweerder en vergunninghouder hebben zich ter zitting doen vertegenwoordigen door hun gemachtigden.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 8:81, eerste lid, van de Awb kan, indien tegen een besluit bezwaar is gemaakt, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

2. Voor zover de toetsing aan dit criterium meebrengt dat het geschil in de bodemprocedure wordt beoordeeld heeft dit oordeel een voorlopig karakter en is dit niet bindend voor de beslissing in die procedure.

3. In dit geschil is de vraag aan de orde of verweerder terecht en op goede gronden vrijstelling en bouwvergunning heeft verleend ten behoeve van het geheel oprichten van een voetbalaccommodatie.

4. Uit de gedingstukken en het verhandelde ter zitting is onder meer het volgende gebleken.

5. Het onderhavige bouwplan heeft betrekking op een op te richten voetbalaccommodatie op het sportcomplex in het gebied Oude Landen, bestemd voor de voetbalvereniging RKSV Nuenen. De huidige accommodatie van RKSV is momenteel gevestigd op de Luistruik, een terrein dat op termijn wordt ontwikkeld ten behoeve van woningbouw. De planning van de bouw van het gehele sportcomplex, waarvan het onderhavige bouwplan deel uit maakt, is gebaseerd op een verhuizing van RKSV naar de nieuwe accommodatie medio 2008.

De te ontwikkelen locatie in de Oude Landen is gelegen ten oosten van de kern van Nuenen. De percelen waarvan verzoeker de eigenaar is en waarop hij woonachtig is, grenzen aan de percelen waarop het nieuwe sportcomplex wordt gerealiseerd.

De accommodatie waarin het bouwplan voorziet, omvat onder andere kleedlokalen, scheidsrechtersruimten, een EHBO- annex verzorgingsruimte, een kantine met keuken en voorraadruimte, sanitaire voorzieningen en een bestuurskamer, en aanvullende ruimtes ten behoeve van beheer, overleg/instructie en secretariaatswerkzaamheden. Parallel aan het hoofdveld wordt een tribune gerealiseerd die ruimte moet bieden aan 250 tot 350 personen. Het gezamenlijk bruto vloeroppervlakte van deze voorzieningen zal ca. 1.750 m² bedragen.

Voor het plangebied, waarbinnen de onderhavige accommodatie wordt gerealiseerd, wordt momenteel een bestemmingsplanprocedure doorlopen. Vooruitlopend op de vaststelling van het nieuwe bestemmingsplan ‘Oude Landen, herziening 2006’ wordt de realisatie van het sportcomplex op de Oude Landen mogelijk gemaakt met toepassing van de zelfstandige projectprocedure als bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de WRO.

Op 12 juli 2007 heeft verweerder bekend gemaakt dat hij voornemens is vrijstelling te verlenen van het geldende bestemmingsplan ten behoeve van het onderhavige bouwplan, waarbij een ieder in de gelegenheid is gesteld een zienswijze kenbaar te maken. Verzoeker heeft geen gebruik gemaakt van deze gelegenheid.

6. Het wettelijk kader is als volgt.

Ingevolge artikel 40, eerste lid, aanhef en onder a, van de Woningwet is het verboden te bouwen zonder of in afwijking van een door burgemeester en wethouders verleende bouwvergunning.

Artikel 44, eerste lid, van de Woningwet luidt als volgt:

De reguliere bouwvergunning mag slechts en moet worden geweigerd, indien:

a. (..);

b. (..);

c. het bouwen in strijd is met een bestemmingsplan of met de eisen die krachtens zodanig plan zijn gesteld;

d. (..), of

e. (..).

Ingevolge het ter plaatse vigerende bestemmingsplan ‘Landelijk gebied 1974’, vastgesteld door de raad van verweerders gemeente d.d. 27 juni 1974, rust op het onderhavig perceel de bestemming ‘Landschappelijk waardevol agrarisch gebied A’.

Niet in geschil is dat het onderhavige bouwplan, dat voorziet in een op te richten voetbalaccommodatie op een nieuw sportcomplex in het gebied Oude Landen, met de ter plaatse vigerende bestemming in strijd is.

Ingevolge artikel 46, derde lid, van de Ww - voor zover hier van belang - wordt een aanvraag om bouwvergunning, die slechts kan worden ingewilligd na vrijstelling als bedoeld in de artikelen 15, 17 of 19 van de WRO, geacht mede een verzoek om zodanige vrijstelling in te houden.

Krachtens artikel 19, eerste lid, van de WRO - zoals deze luidt na inwerkingtreding op 3 april 2000 van de Wet van 1 juli 1999, houdende wijziging van de WRO (Stb. 1999, 302), voor zover hier van belang, kan de gemeenteraad, ten behoeve van de verwezenlijking van een project, vrijstelling verlenen van het geldende bestemmingsplan, mits dat project is voorzien van een goede ruimtelijke onderbouwing en vooraf van gedeputeerde staten de verklaring is ontvangen, dat zij tegen het verlenen van vrijstelling geen bezwaar hebben. Onder een goede ruimtelijke onderbouwing wordt bij voorkeur een gemeentelijk of intergemeentelijk structuurplan verstaan. Indien er geen structuurplan is of wordt opgesteld, wordt bij de ruimtelijke onderbouwing in elk geval ingegaan op de relatie met het geldende bestemmingsplan, dan wel wordt er gemotiveerd waarom het te realiseren project past binnen de toekomstige bestemming van het betreffende gebied. De gemeenteraad kan de in de eerste volzin bedoelde vrijstellingsbevoegdheid delegeren aan burgemeester en wethouders.

In artikel 19, vierde lid, van de WRO is bepaald dat geen vrijstelling krachtens het eerste lid wordt verleend voor een project dat wordt uitgevoerd voor een gebied waarvoor

a. het bestemmingsplan niet tijdig overeenkomstig artikel 33, eerste lid, is herzien of

b. geen vrijstelling overeenkomstig artikel 33, tweede lid, van de WRO is verleend, tenzij voor het gebied een voorbereidingsbesluit geldt of een ontwerp voor een herziening ter inzage is gelegd.

7. Gelet op het bepaalde in artikel 19, vierde lid, van de WRO heeft de raad van verweerders gemeente bij besluit van 1 november 2007 een voorbereidingsbesluit genomen als bedoeld in artikel 21 van die wet. Dit op 9 november 2007 in werking getreden voorbereidingsbesluit omvat het thans aan de orde zijnde gebied.

De voorzieningenrechter stelt op grond van de gedingstukken vast dat de raad van verweerders gemeente bij besluit van 9 juni 2004 aan verweerder de bevoegdheid heeft overgedragen tot het verlenen van vrijstelling overeenkomstig artikel 19, eerste lid, van de WRO.

8. Voorts stelt de voorzieningenrechter vast dat gedeputeerde staten van de provincie Noord-Brabant (hierna:gs) op 27 november 2007 hebben besloten de vereiste verklaring van geen bezwaar ten aanzien van het onderhavige project te verlenen, terwijl het project voorzien is van een ruimtelijke onderbouwing, te weten het voorontwerp-bestemmingsplan ‘Oude landen, herziening 2006’.

9. Uit de Memorie van Toelichting bij artikel 19 van de WRO blijkt dat het vrijstellingsbesluit de visie moet bevatten op de toekomstige ruimtelijke ontwikkeling van het betrokken gebied, waarbinnen het project moet passen en de ruimtelijke effecten van het project op de omgeving. De ruimtelijke onderbouwing hoeft niet in alle gevallen even omvangrijk te zijn. Deze zal in algemene zin onder meer afhankelijk zijn van de mate van ingrijpendheid van het betreffende bouwplan.

10. Voor zijn ruimtelijke onderbouwing heeft verweerder verwezen naar het voorontwerp-bestemmingsplan ‘Oude landen, herziening 2006’. De percelen waarop het onderhavige bouwplan is geprojecteerd, zijn in het voorontwerp-bestemmingsplan bestemd tot ‘Recreatieve doeleinden’, met een subbestemming ‘Sportieve recreatie en scoutingsactiviteiten-Rs’.

Op grond van artikel 5 van de planvoorschriften mag op de als zodanig bestemde gronden een sportcomplex gerealiseerd worden onder andere bestaande uit zes sportvelden, inclusief de daarbij behorende voorzieningen in de sfeer van verenigingsgebouwen, kantines, materiaal- en materiaalbergingen en tribunes.

11. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter voldoet de ruimtelijke onderbouwing van het vrijstellingsbesluit in de vorm van genoemd voorontwerp-bestemmingsplan aan de in artikel 19, eerste lid, van de WRO gestelde vereisten en kan deze ook voor het overige de rechterlijke toets doorstaan.

De voorzieningenrechter neemt hierbij in aanmerking dat de directie Ruimtelijke Ontwikkeling en Handhaving van de provincie Noord-Brabant op 26 juni 2007 verweerder een positief advies heeft uitgebracht over het voorontwerp-bestemmingsplan ‘Oude landen, herziening 2006’. Bovendien hebben gs in hun uitvoerig gemotiveerde verklaring van geen bezwaar van 27 november 2007 geconcludeerd dat zij het ontwikkelen van een sportlocatie in het ter plaatse aanwezige landschappelijke raamwerk thans niet meer als een onaanvaardbare ontwikkeling beschouwen.

12. De voorzieningenrechter is gezien het voorgaande van oordeel dat aan de formele vereisten voor het volgen van de vrijstellingsprocedure is voldaan.

13. Voorts overweegt de voorzieningenrechter dat het verlenen van vrijstelling een discretionaire bevoegdheid van verweerder is, hetgeen betekent dat aan verweerder zekere vrijheid toekomt. Bij het uitoefenen van deze bevoegdheid dient verweerder de bij het besluit betrokken belangen af te wegen.

14. Verzoeker heeft - kort samengevat en zakelijk weergegeven - bezwaren gericht tegen overlast tengevolge van verkeer, licht en geluid. Verzoeker heeft in dit verband aangevoerd dat het sportpark is ingeklemd tussen percelen die zijn gelegen binnen de Ecologische Hoofdstructuur (EHS).

Voorts heeft verzoeker aangegeven dat hij geen vertrouwen heeft in verweerders toezegging dat er in de toekomst geen voetbalvelden op zijn eigendom gerealiseerd zullen worden. Gelet op de grote oppervlakte van de geplande accommodatie, alsmede op de uitbreiding van het ledental van RKSV heeft verzoeker het vermoeden dat al rekening wordt gehouden met de aanleg van twee of meer voetbalvelden.

Ter zitting heeft verzoeker nog gesteld dat hij niet begrijpt waarom verweerder zoveel haast heeft met de realisering van het sportcomplex, nu een bedrijf dat ter plaatse gevestigd is nog steeds niet verplaatst is en bovendien nog steeds een beroep aanhangig is tegen de verleende milieuvergunning.

15. De voorzieningenrechter is van oordeel dat, alhoewel aangenomen mag worden dat de beleving door verzoeker van zijn woonomgeving ten gevolge van de bouw van de sportaccommodatie in negatieve zin zal veranderen, verweerder bij afweging van alle betrokken belangen in redelijkheid tot verlening van de onderhavige vrijstelling heeft kunnen komen.

Voor zover al moet worden aangenomen dat verzoekers bezwaren betrekking hebbende op geluids-, licht- en verkeershinder te herleiden zijn tot het onderhavige bouwplan, wijst de voorzieningenrechter erop dat in paragraaf 2.6 van de toelichting van het voorontwerp-bestemmingsplan, onder het kopje ‘Milieuzonering sportpark’, uitgebreid aandacht hieraan is geschonken. Naar het oordeel heeft verweerder daarin uitgebreid en afdoende gemotiveerd dat aan de bezwaren van omwonenden strekkende tot geluids-, licht- en verkeersoverlast tegemoet zal worden gekomen. De voorzieningenrechter neemt hierbij nog in aanmerking dat de onderhavige sportaccommodatie in het centrale deel van het sportcomplex wordt gerealiseerd, op geruime afstand van verzoekers gronden en van de ontsluitingsweg ‘Oude Landen’.

Met betrekking tot verzoekers standpunt dat hij geen vertrouwen heeft in verweerders toezegging dat er in de toekomst geen voetbalvelden op zijn eigendom gerealiseerd zullen worden, overweegt de voorzieningenrechter dat de aanleg van de voetbalvelden geen verband houdt met het onderhavige bouwplan dat immers voorziet in de realisering van een sportaccommodatie. Overigens wijst de voorzieningenrechter er dienaangaande nog op dat verweerder ter zitting heeft verklaard dat er geen concrete plannen bestaan om het beoogde aantal voetbalvelden op het sportcomplex uit te breiden.

De omstandigheid dat het sportpark is gelegen tussen percelen die zijn gelegen binnen de EHS, kan aan de rechtmatigheid van het vrijstellingsbesluit evenmin iets afdoen.

16. Gelet op het voorgaande, alsmede gelet op de omstandigheid dat de beoogde sportaccommodatie voorziet in een behoefte in verweerders gemeente, komt de voorzieningenrechter reeds tot de conclusie dat er geen grond is voor het oordeel dat verweerder in redelijkheid geen doorslaggevend gewicht had mogen toekennen aan het belang dat is gediend bij een (spoedige) realisering van de bouwplannen van vergunninghouder ten opzichte van de particuliere belangen van verzoeker. Hetgeen verzoeker in dit verband voor het overige heeft aangevoerd, heeft de voorzieningenrechter niet tot een ander oordeel doen komen.

17. Het vorenstaande leidt de voorzieningenrechter tot de conclusie dat verweerder bij afweging van alle betrokken belangen in redelijkheid tot het bestreden besluit heeft kunnen komen.

18. Uit het voorgaande volgt dat het bezwaar van verzoeker tegen verweerders besluit van 31 januari 2008 geen redelijke kans van slagen heeft. Gelet hierop bestaat geen aanleiding tot het treffen van een voorlopige voorziening, zoals door verzoeker verzocht.

19. Voor een veroordeling in de proceskosten zijn geen termen aanwezig.

20. Mitsdien wordt beslist als volgt.

Beslissing

De voorzieningenrechter,

- wijst het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening af.

Aldus gedaan door mr. L.C. Michon als voorzieningenrechter in tegenwoordigheid van mr. A.F. Hooghuis als griffier en in het openbaar uitgesproken op 28 maart 2008.