Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2008:BC9205

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
31-03-2008
Datum publicatie
10-04-2008
Zaaknummer
AWB 07/1204
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Waarschuwing aan advocaat door Raad voor Rechtsbijstand naar aanleiding van klacht over functioneren is geen besluit in de zin van de Awb.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ’s-HERTOGENBOSCH

Sector bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 07/1204

Uitspraak van de meervoudige kamer van 31 maart 2008

inzake

mr. [eiseres],

te woonplaats], gemeente [...],

eiseres,

gemachtigde mr. S.A.M. Fikken,

tegen

de Raad voor Rechtsbijstand,

te 's-Hertogenbosch,

verweerder.

Aan het geding heeft als partij deelgenomen [derde], gemachtigde mr. P.J. Schüller.

Procesverloop

Bij brief van 12 juli 2006 heeft verweerder de door [derde] op 31 januari 2006 ingediende klacht over het optreden van eiseres als advocaat gegrond verklaard en eiseres een waarschuwing opgelegd met de mededeling dat bij herhaling uitsluiting van de verlening van rechtsbijstand kan volgen.

Het hiertegen door eiseres gemaakte bezwaar is door verweerder bij besluit van 22 februari 2007 ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen dit besluit bij brief van 4 april 2007 beroep ingesteld.

De zaak is behandeld op de zitting van 14 maart 2008, waar geen der partijen is verschenen.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 7, eerste lid, van de Wet op de rechtsbijstand is de raad voor rechtsbijstand (hierna: de raad) belast met de organisatie van de verlening van rechtsbijstand in het ressort en met het toezicht op de uitvoering daarvan.

Ingevolge het tweede lid, aanhef en onder c, van dit artikel heeft de raad voorts tot taak de controle op werkzaamheden van rechtsbijstandverleners, voor zover deze niet elders in deze wet aan anderen is opgedragen.

Ingevolge artikel 17, tweede lid, onder b, van de Wet op de rechtsbijstand kan de raad de inschrijving doorhalen indien naar zijn oordeel genoegzaam is gebleken dat de rechtsbijstandverlening door de advocaat niet voldoet aan redelijkerwijs te stellen eisen van doelmatigheid of zorgvuldigheid.

De rechtbank gaat ervan uit dat het in dit geding aan de orde zijnde Reglement commissie rechtsbijstand asiel ressort ’s-Hertogenbosch (hierna: het Reglement) is gestoeld op de artikelen 7 en 17 van de Wet op de rechtsbijstand.

2. Op grond van hoofdstuk C, lid 19, van het Reglement kan de raad in dit ressort, voor zover hier van belang, de volgende maatregelen treffen:

- een maatregel in het kader van de inschrijvingsvoorwaarden voor advocaten, waaronder begrepen algehele uitsluiting, al dan niet tijdelijk, van de verlening van gefinancierde rechtsbijstand aan asielzoekers;

- uitsluiting van deelneming aan de spreekuurvoorzieningen in OC en AC;

- waarschuwing.

Volgens het schriftelijk vastgelegde maatregelbeleid kan bij een incidenteel tekort schieten, dat niet structureel van aard is dan wel niet op een structureel gebrek aan kwaliteit van de rechtsbijstandverlener of diens praktijkorganisatie valt terug te voeren, worden volstaan met een waarschuwing en kan bij een structureel tekort schieten, waarbij geen zicht is op verbetering, de zwaarste maatregel van algehele uitsluiting van de verlening van asielrechtsbijstand worden toegepast. Indien het tekortschieten is te plaatsen tussen genoemde uitersten, kan de maatregel variëren van een waarschuwing tot een voorwaardelijke uitsluiting, al dan niet in combinatie met een tijdelijke opschorting van de deelneming, of een directe tijdelijke uitsluiting van de verlening van asielrechtsbijstand of van de door de Stichtingen Rechtsbijstand Asiel georganiseerde spreekuur /beschikbaarheidsvoorzieningen.

3. Ingevolge artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) wordt onder een besluit - waartegen op grond van artikel 8:1 in samenhang met artikel 7:1 van die wet beroep kan worden ingesteld of een bezwaarschrift kan worden ingediend - verstaan: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling.

4. Ambtshalve overweegt de rechtbank het volgende.

5. De rechtbank stelt vast dat de onderhavige waarschuwing, die gebaseerd is op een op schrift gesteld en bekendgemaakt beleid en die volgens dat beleid in het algemeen vooraf gaat aan het mogelijk opleggen van een zwaardere bestuurlijke maatregel, niet kan worden aangemerkt als een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. De waarschuwing brengt immers geen wijziging in de rechtspositie van eiseres. De waarschuwing legt haar geen rechtens bindende verplichting op en onthoudt haar evenmin enig recht. Daarbij is tevens van belang dat op de gegeven waarschuwing bij een volgende geconstateerde laakbare gedraging niet per definitie uitsluiting in enigerlei vorm volgt en dat, mocht hiertoe wel worden besloten, door eiseres gebruik kan worden gemaakt van de tegen dat besluit openstaande rechtsmiddelen. In dit kader merkt de rechtbank nog op dat het besluit niet is voorafgegaan door een rechtmatig gegeven waarschuwing.

De rechtbank vindt voor haar opvatting steun in de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 18 januari 2006 (nr. 200409413/1, LJN: AU9822).

6. Nu de waarschuwing in de brief van 12 juli 2006 geen besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb is, stond hiertegen geen bezwaar open in de zin van de Awb en had verweerder het door eiseres gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk moeten verklaren. Dat ingevolge hoofdstuk C, lid 21, van het Reglement tegen het besluit van de raad tot het treffen van een maatregel binnen zes weken na bekendmaking door een belanghebbende een bezwaarschrift als bedoeld in de Algemene wet bestuursrecht bij de raad kan worden ingediend, leidt niet tot een ander oordeel, omdat het Reglement de Awb niet opzij kan zetten.

7. Het beroep is gegrond en het bestreden besluit dient te worden vernietigd. Nu er vervolgens rechtens geen andere mogelijkheid is dan het alsnog niet-ontvankelijkverklaren van het bezwaar, zal de rechtbank met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb zelf in de zaak voorzien en het bezwaar alsnog niet-ontvankelijk verklaren.

8. De rechtbank acht termen aanwezig verweerder te veroordelen in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten zijn met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht en de daarbij behorende bijlage begroot op in totaal € 322,00 voor kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand:

• 1 punt voor het indienen van een (aanvullend) beroepschrift;

• waarde per punt € 322,00

• wegingsfactor 1.

9. Tevens zal de rechtbank bepalen dat verweerder aan eiseres het door haar gestorte griffierecht ten bedrage van € 143,00 dient te vergoeden.

10. Beslist wordt als volgt.

Beslissing

De rechtbank,

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- verklaart het bezwaar alsnog niet-ontvankelijk;

- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

- bepaalt dat verweerder aan eiseres het door haar gestorte griffierecht dient te vergoeden ten bedrage van € 143,00;

- veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten vastgesteld op € 322,00.

Aldus gedaan door mr. W.C.E. Winfield als voorzitter en mrs M.T. van Vliet en

J. Heijerman- Verbeet als leden, in tegenwoordigheid van mr. D.M. Manie als griffier en uitgesproken in het openbaar op 31 maart 2008.

De griffier is buiten staat

de uitspraak te ondertekenen

Partijen kunnen tegen deze uitspraak binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag.

Afschriften verzonden: