Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2008:BC8993

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
04-04-2008
Datum publicatie
10-04-2008
Zaaknummer
01/995884-07
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Gevangenisstraf voor de duur van 360 dagen met aftrek van voorarrest waarvan 322 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en een geldboete van EUR 2.000,- subsidiair 40 dagen hechtenis voor medeplegen van overtreding van de Flora- en faunawet, meermalen gepleegd (stroperij). Vrijspraak voor de eveneens tenlastegelegde deelname aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven (stroperij).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK 'S-HERTOGENBOSCH

Sector Strafrecht

Parketnummer: 01/995884-07

Datum uitspraak: 04 april 2008

Verkort vonnis van de rechtbank ’s-Hertogenbosch, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de[verdachte]]

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum]

wonende te [woonplaats], [adres]

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 21 maart 2008.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 07 februari 2008.

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

1.

hij in of omstreeks de periode van 13 april 2005 tot en met 6 december 2007, te Asten, Gemert, Someren en/of Deurne en/of elders in het arrondissement 's-Hertogenbosch en/of te Sevenum, Well en/of Meijel en/of elders in het arrondissement Roermond,in elk geval in Nederland, meermalen, althans eenmaal, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, al dan niet opzettelijk één of meer dieren, behorende tot een beschermde inheemse diersoort, te weten een of meer haas/hazen en/of konijn(en) en/of ree(ën), heeft gedood, verwond, gevangen en/of bemachtigd, althans met het oog daarop

heeft opgespoord;

(Artikel 9 van de Flora- en faunawet)

2.

hij in of omstreeks de periode van 13 april 2005 tot en met 6 december 2007, te Gemert, Someren, Deurne en/of Helmond en/of elders in het arrondissement 's-Hertogenbosch en/of te Sevenum, Well en/of Meijel en/of elders in het arrondissement Roermond, in elk geval in Nederland, meermalen, althans eenmaal, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, al dan niet opzettelijk één of meer dieren behorende tot een beschermde inheemse diersoort, te weten een of meer haas/hazen en/of konijn(en) en/of één

of meer producten van dieren behorende tot een beschermde inheemse diersoort, te weten een of meer dode haas/hazen en /of do(o)d(e) konijn(en) onder zich heeft gehad;

(Artikel 13 van de Flora- en faunawet)

3.

hij in of omstreeks de periode van 1 september 2004 tot en met 6 december 2007 te Helmond, in elk geval in Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie, te weten een duurzaam samenwerkingsverband van twee of meer personen, bestaande uit hem, verdachte en/of [medeverdachte 1] en/of [medeverd[medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 3] en/of [medeverdachte 4], welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk

- het opzettelijk doden, verwonden, vangen en/of bemachtigen, althans met het oog daarop opsporen van beschermde inheemse diersoorten (artikel 9 van de Flora- en faunawet) en/of

- het opzettelijk onder zich hebben van dieren en/of producten van dieren behorende tot beschermde inheemse diersoorten (artikel 13 van de Flora- en faunawet);

(Artikel 140 van het Wetboek van strafrecht)

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

De geldigheid van de dagvaarding.

De dagvaarding voldoet aan alle wettelijke eisen.

De bevoegdheid van de rechtbank.

Krachtens de wettelijke bepalingen is de rechtbank bevoegd van het tenlastegelegde kennis te nemen.

De ontvankelijkheid van de officier van justitie.

De verdediging heeft primair aangevoerd dat de officier van justitie niet ontvankelijk moet worden verklaard. Daartoe is aangevoerd dat de door de officier van justitie afgegeven bevelen observatie niet hadden behoren worden afgegeven, zeker niet met toepassing van het tweede lid van artikel 126g van het Wetboek van Strafvordering. Door deze bevelen af te geven is in de visie van de raadsman op zeer grove wijze gehandeld in strijd met de beginselen van een behoorlijke procesorde en/of hebben zich zeer ernstige onherstelbare vormverzuimen voorgedaan. Door de verdediging is er verder op gewezen dat het onderzoek tegen verdachte kennelijk betrekkelijk lichtvaardig is gestaakt op bepaalde momenten, waardoor niet aannemelijk is dat het feiten betreft die naar hun aard of samenhang een ernstige inbreuk op de rechtsorde opleveren, zodat in elk geval in het bevel observatie tegen verdachte niet mede de bevoegdheid van artikel 126g lid 2 van het Wetboek van Strafvordering mocht omvatten.

Subsidiair heeft de raadsman de uitsluiting van het bewijs verzocht van hetgeen aan bewijs is verkregen op basis van deze bevelen en/of andere observaties.

De rechtbank stelt vast dat uit het BOB-dossier blijkt dat door de officier van justitie op een aantal tijdstippen een bevel observatie is afgegeven. Niet is gebleken dat bij de uitvoering van die bevelen observatie besloten plaatsen zijn betreden zoals wel is vermeld in het bevel van [verdachte]. De vraag of in deze zaak is voldaan aan de aanvullende wettelijke eisen die artikel 126g lid 2 van het Wetboek van Strafvordering stelt, kan reeds om die reden buiten beschouwing blijven. Ook verdachte kan op dit punt dus niet in zijn belangen zijn geschaad.

Er is in deze strafzaken een aantal observatiebevelen afgegeven door de officier van justitie. Naar het oordeel van de rechtbank was er ten tijde van het afgeven van die bevelen voldoende verdenking dat de betreffende verdachten zich schuldig maakten aan misdrijven in het bereik van wildstropen (13 Flora- en Faunawet, heling).

Voor de andere tijdstippen/perioden geldt het navolgende. Het op bepaalde tijdstippen met een zekere tussentijd vastleggen welke auto’s en/of personen die zich op een bepaalde plaats bevinden vormt pas een observatie in de zin van artikel 126g van het Wetboek van Strafvordering indien deze observatie stelselmatig is, bijvoorbeeld doordat een of meer onderdelen van de persoonlijke levenssfeer van een of meer verdachten gedetailleerd wordt/worden gevolgd en vastgelegd. Daarvan is in deze zaak niet gebleken.

Daarnaast zijn door reguliere politieambtenaren dus niet door leden van een observatieteam) in andere regio’s bepaalde bevindingen in afzonderlijke mutaties vastgelegd. Dit vormt voor de rechtbank een extra aanwijzing dat in de perioden buiten de observatiebevelen niet stelselmatig is geobserveerd.

De rechtbank verwerpt zowel het primaire als het subsidiaire verweer aangaande de observatiebevelen en de wijze van uitvoering ervan door de politie.

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn ook overigens geen omstandigheden gebleken, die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan.

Schorsing der vervolging.

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen gronden voor schorsing der vervolging gebleken.

Bewijsoverweging ten aanzien van medeplegen van de feiten 1 en 2.

Op 6 december 2007 zijn meerdere verdachten aangehouden op het adres van verdachte. Enkele ogenblikken voor deze aanhoudingen heeft [medeverdachte 2] twee ‘lange honden’ in de auto van [medeverdachte 4] gezet, omdat deze honden uit de eerste auto kwamen en los rond liepen. Blijkens de verklaring van [medeverdachte 2] bij de politie verzamelden steeds drie tot zeven personen zich voorafgaand aan het stropen bij de garage van verdachte. [medeverdachte 2] heeft verklaard dat hij in ongeveer anderhalf jaar (dat wil zeggen in de periode van 01 juni 2006 tot en met 06 december 2007) een aantal malen is meegegaan om te stropen. Hij heeft tevens verklaard over de werkwijze die de deelnemers aan het stropen steeds hanteerden. [medeverdachte 2] heeft verder verklaard dat verdachte meermalen van de partij is geweest bij het stropen en dat verdachte meestal de bestuurder was van de eerste auto.

Hij heeft ook verklaard dat hij met medeverdachte [medeverdachte 3]) niet anders dan via Helmond mee is geweest om te stropen. Verdachte was in volle wetenschap dat het stropen van beschermd wild beoogd werd. Gelet op de verklaring van [medeverdachte 2] bij de politie wist verdachte wat er van hem werd verwacht. De rechtbank is van oordeel dat uit de stukken kan worden opgemaakt dat er sprake was van een gezamenlijk, vooropgezet plan en dat ook daadwerkelijk wild is gevangen, dat vervolgens door de inzittenden van de eerste auto is meegenomen. Tevens heeft verdachte zijn garage/ schuur ter beschikking gesteld als ontmoetingsplaats en stond de geprepareerde auto bij hem geparkeerd.

Nu verdachte deel heeft genomen aan dit stropen wordt hij als medepleger aangemerkt.

Vrijspraak ten aanzien van feit 3 (de criminele organisatie).

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van hetgeen aan verdachte onder feit 4 is tenlastegelegd, de deelname aan een criminele organisatie.

De rechtbank overweegt het navolgende.

Wil er sprake zijn van artikel 140 van het Wetboek van Strafrecht moet er sprake zijn van deelname van personen en/of rechtspersonen aan een gestructureerd samenwerkingsverband, dat tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven. Van deelname is sprake indien men behoort tot het samenwerkingsverband en de betrokkene (tenminste) wetenschap heeft dat er misdrijven worden gepleegd door/binnen het samenwerkingsverband waar hij deel van uitmaakt. Wil er sprake zijn van ‘deelname’ moet betrokkene tenminste hetzij een aandeel hebben in, hetzij de gedragingen die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het oogmerk van de betreffende organisatie ondersteunen. Om te kunnen spreken van een ‘organisatie’ is verder nodig dat blijkt van een gestructureerd en duurzaam samenwerkingsverband van twee of meer personen met een bepaalde organisatiegraad, hetgeen kan blijken uit gemeenschappelijke regels en doelstellingen, maar ook uit een zekere gelaagdheid van het samenwerkingsverband en/of een rolverdeling tussen en positie van de individuele deelnemers binnen het samenwerkingsverband. Ook interne vormen van sanctioneren van overtreden van die regels of een gezamenlijk optreden naar buiten kunnen wijzen op het bestaan van een dergelijk samenwerkingsverband.

In deze zaak is sprake van een groep van (tenminste) een aantal natuurlijke personen, soms ad hoc aangevuld met anderen. Binnen deze groep was kennelijk duidelijk wat van elkaar verwacht werd op het moment dat zij, in wisselende samenstelling, in de nachtelijke uren op pad gingen om te stropen. Ook was daarbij sprake van bepaalde ‘gewoontes’. Zo hebben de personen die deelnamen aan het stropen zich steeds verzameld in een garage bij de woning van verdachte. Ze zijn steeds met twee auto’s, waarvan telkens één auto speciaal geprepareerd was om niet door de politie aangehouden te worden. Nadat er gestroopt was, werd uiteindelijk ook steeds weer verzameld bij de garage bij de woning van verdachte. De groep nam ook steeds zogenaamde ‘lange honden’ mee tijdens het stropen.

Er is echter onvoldoende gebleken dat gedurende enige tijd in structureel verband, in een vaste groep gehandeld is. De groep werd telkens opnieuw samengesteld uit een aantal personen waarbij deelname aan de groep vrijblijvend was. Daarbij is niet gebleken van enige hiërarchie of vaste regels die bij niet naleving gesanctioneerd zouden worden.

De rechtbank is van oordeel dat in onvoldoende mate door de bewijsmiddelen is komen vast te staan dat het hier gaat om een organisatie als bedoeld in artikel 140 van het Wetboek van strafrecht.

De rechtbank acht derhalve niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan verdachte onder 3 is tenlastegelegd, zodat de verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.

De bewezenverklaring.

De rechtbank acht, op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte

Ten aanzien van feit 1.

in de periode van 1 juni 2006 tot en met 6 december 2007, in Nederland, meermalen,

tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk dieren, behorende tot een beschermde inheemse diersoort, te weten een of meer haas/hazen en/of konijn(en), heeft gevangen en gedood.

Ten aanzien van feit 2.

in de periode van 1 juni 2006 tot en met 6 december 2007, in Nederland, meermalen, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk producten van dieren behorende tot een beschermde inheemse diersoort, te weten dode haas/hazen en/of do(o)d(e) konijn(en) onder zich heeft gehad.

De bewijsmiddelen worden slechts gebezigd met betrekking tot het feit waarop zij in het bijzonder betrekking hebben.

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De kwalificatie.

Het bewezenverklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten.

De strafbaarheid.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van de feiten of van de verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen te zijnen laste bewezen is verklaard.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen:

artikel 23, 24a, 24c, 27, 33, 33a, 47, 57, 63 en 91 van het Wetboek van Strafrecht

artikel 1a, 2, 6 en 87 van de Wet op de economische delicten

artikel 1, 9, 13 en 127 van de Flora- en faunawet.

DE OVERWEGINGEN DIE TOT DE BESLISSING HEBBEN GELEID

De eis van de officier van justitie.

Ten aanzien van de feiten 1, 2 en 3:

Gevangenisstraf van 15 maanden met aftrek van het voorarrest en deels verbeurdverklaring, deels onttrekking aan het verkeer en deels teruggave van onder verdachte inbeslaggenomen voorwerpen.

De op te leggen straffen.

Bij de beslissing over de straffen die aan verdachte dienen te worden opgelegd heeft de rechtbank gelet op:

a. de aard van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan,

b. de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte waaronder de draagkracht.

Bij de strafoplegging zal de rechtbank in het bijzonder rekening houden met de volgende uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren gekomen omstandigheden ten bezware van verdachte:

- de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten in verhouding tot andere strafbare feiten, zoals tot uitdrukking komt in het wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd;

- verdachte werd terzake van strafbare feiten soortgelijk aan de door hem gepleegde feiten blijkens een hem betreffend uittreksel uit het algemeen documentatieregister reeds eerder veroordeeld;

- de schade aan de flora en fauna in (delen van) Nederland die het gevolg is van de door verdachte gepleegde strafbare feiten;

- verdachte is meegegaan met stropen in groepsverband en heeft willens en wetens een wezenlijke rol in deze groep vervuld. De rechtbank merkt dienaangaande op dat verdachte de medeverdachten heeft gefaciliteerd op veel punten. Hij heeft voor hen een rust- en steunpunt gecreëerd in de zin van een verzamelplaats, met biljart, dartbord en de mogelijkheid tot het drinken van koffie. Daarnaast heeft hij het voor de anderen mogelijk gemaakt hun vervoermiddelen te parkeren. Voorts heeft hij een speciaal voor het stropen geprepareerde auto in zijn garage gestald gehad. De rechtbank acht voorts aannemelijk geworden dat verdachte tijdens het stropen de bestuurder van de eerste auto is geweest, waaruit aannemelijk is geworden dat verdachte op die momenten een leidende rol heeft vervuld;

- de wreedheid van de bewezenverklaarde illegale wijze van jagen.

De rechtbank zal een lichtere straf opleggen dan de door de officier van justitie gevorderde straf, nu de rechtbank van oordeel is dat de op te leggen straf de ernst van het bewezen verklaarde voldoende tot uitdrukking brengt.

Met betrekking tot een deel van de op te leggen gevangenisstraf zal de rechtbank bepalen dat dit deel van die straf niet zal worden tenuitvoergelegd mits verdachte zich tot het einde van de hierna vast te stellen proeftijd aan de voorwaarde houdt dat hij zich niet aan een strafbaar feit zal schuldig maken. De rechtbank wil met een en ander enerzijds de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten tot uitdrukking brengen en anderzijds door invloed uit te oefenen op het gedrag van de verdachte het door verdachte opnieuw plegen van een strafbaar feit tegengaan.

De rechtbank is van oordeel dat de in het dictum nader te noemen inbeslaggenomen voorwerpen vatbaar zijn voor verbeurdverklaring, omdat - zoals blijkt uit het onderzoek ter terechtzitting – dit voorwerpen zijn:

- met behulp van welke de feiten zijn begaan of voorbereid en deze voorwerpen ten tijde van het begaan van de feiten aan verdachte toebehoorden;

- die tot het begaan van het misdrijf zijn vervaardigd of bestemd en deze voorwerpen ten tijde van het begaan van de feiten aan verdachte toebehoorden.

De rechtbank zal de teruggave gelasten van de in het dictum nader te noemen inbeslaggenomen voorwerpen aan verdachte nu naar het oordeel van de rechtbank het belang van strafvordering zich niet meer verzet tegen de teruggave van de inbeslaggenomen goederen.

DE UITSPRAAK

Verklaart het tenlastegelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Het bewezenverklaarde levert op de misdrijven:

T.a.v. feit 1:

medeplegen van:

overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 9 van de Flora- en

faunawet, opzettelijk begaan, meermalen gepleegd

T.a.v. feit 2:

medeplegen van:

overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 13, eerste lid aanhef en

onder a, van de Flora- en faunawet, opzettelijk begaan, meermalen gepleegd

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

BESLISSING:

T.a.v. feit 3:

Vrijspraak, achtende de rechtbank het tenlastegelegde niet wettig en overtuigend bewezen.

T.a.v. feit 1, feit 2:

Gevangenisstraf voor de duur van 360 dagen met aftrek overeenkomstig artikel 27 Wetboek van Strafrecht waarvan 322 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

T.a.v. feit 1, feit 2:

Geldboete van EUR 2000,00 subsidiair 40 dagen hechtenis.

De geldboete desgewenst te voldoen in 10 termijnen van elk EUR 200,- per maand.

Opheffing van het tegen verdachte verleende bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van heden. Deze voorlopige hechtenis is op 17 januari 2008 reeds geschorst.

Verbeurdverklaring van de inbeslaggenomen goederen, te weten:

* 4 x postzak met bloed

* 1 jutezak met 4 hazen

* 1 hond, kleur zwart

* 4 honden, kleur bruin

* 1 personenauto met kenteken TF-NP-38.

Teruggave aan verdachte van de inbeslaggenomen goederen, te weten:

* 1 agenda

* 1 bivakmuts

* 2 x portofoon, Motorola T4502

* 2 x portofoon, Alecto FR-28

* 2 x vaccinatieboekje hond

* 1 lamp met sigarettenaansteker

* 1 bundel hevels

* 1 bivakmuts

* 1 honkbalknuppel

* 1 zuurstoffles.

Teruggave inbeslaggenomen goederen, te weten: een personenauto aan de kentekenhouder van het kenteken [nummer].

Teruggave inbeslaggenomen goederen, te weten: een personenauto aan de

rechthebbende [medeverdachte 4] (VW Golf met kenteken [2]

Dit vonnis is gewezen door:

mr. drs. W.A.F. Damen, voorzitter,

mr. F.P.E. Wiemans en mr. R.P.G.L.M. Verbunt, leden,

in tegenwoordigheid van M.J.H. Rijnbeek, griffier,

en is uitgesproken op 4 april 2008.

Mr. R.P.G.L.M. Verbunt is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.