Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2008:BC8647

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
09-04-2008
Datum publicatie
16-04-2008
Zaaknummer
118826 - HA ZA 04-2587
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Letselschade na verkeersongeval. Geen beperkingen wegens psychisch letsel gelet op deskundigenbericht. Vaststellen redelijke verwachting voor arbeidsleven zonder ongeval. Vergoeding van kosten voor huishoudelijke hulp, daarbij rekening houden met mantelzorg. Gevolgen van emigratie naar Turkije voor schadeberekening.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 162
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JA 2008/101

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK 'S-HERTOGENBOSCH

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 118826 / HA ZA 04-2587

Vonnis van 9 april 2008

in de zaak van

[eiseres],

wonende te [woonplaats],

eiseres,

procureur mr. W.P. de Leeuw,

tegen

de naamloze vennootschap

N.V. NOORDHOLLANDSCHE VAN 1816, ALGEMENE VERZEKERINGSMAATSCHAPPIJ,

gevestigd te Oudkarspel, gemeente Langendijk,

gedaagde,

procureur mr. J.E. Benner.

Partijen zullen hierna [eiseres] en De Noordhollandsche genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 1 maart 2006

- het deskundigenbericht

- de conclusie na deskundigenbericht van [eiseres]

- de antwoordconclusie na deskundigenbericht van De Noordhollandsche

- de akte van[eiseres]

- de antwoordakte van De Noordhollandsche.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De verdere beoordeling

2.1. Psychiater Kuilman heeft een deskundigenrapport uitgebracht in deze zaak en beantwoordt daarin de vragen van de rechtbank (voor zover relevant) als volgt:

1. Hoe luidt uw diagnose? Kunt u bevestigen dat bij[eiseres] in het verleden sprake is geweest van een posttraumatische stress-stoornis en dat thans bij haar sprake is van een angststoornis?

Er is onvoldoende objectieve informatie die aannemelijk maakt dat er bij betrokkene na het ongeval sprake is geweest van een posttraumatische stress-stoornis. Ofschoon zij thans weliswaar enkele kenmerken vertoont van een (gegeneraliseerde) angststoornis, zijn de intensiteit ervan en de impact op het dagelijks functioneren niet van dien aard dat een psychiatrische diagnose is gerechtvaardigd. Mijn conclusie luidt dat onderzochte weinig klachten en symptomen/beperkingen vertoont indien zij niet wordt belast en indien er geen appèl wordt gedaan op haar zelfstandig en onafhankelijk handelen. Zodra dit wel gebeurt, neigt zij tot aggraveren en regrediëren, in een poging om aldus de buitenwereld te doordringen van haar afhankelijkheid. Pathogenetisch betreft het hier een reactie die naar mijn oordeel vanuit psychiatrisch perspectief niet zozeer te maken heeft met de directe of indirecte gevolgen van het ongeval, maar in overwegende mate –zo niet uitsluitend- met het onvermogen van betrokkene om zich als volwassen vrouw met twee kinderen in een leven zonder partner staande te houden.

2. Waardoor zijn de psychische klachten van[eiseres] veroorzaakt? Is met name het ongeval van 24 september 1996 met voldoende waarschijnlijkheid aan te wijzen als oorzaak of een van de oorzaken van deze stoornis? Hebben de echtscheidingsperikelen een rol gespeeld?

Zie de overwegingen in de samenvatting, waarin het accent wordt gelegd op het feit dat onderzochte na een conflictueus huwelijk en na het vertrek van haar partner alleen kwam te staan, belast met de zorg voor een dochter die zij net nog aankon. Waar nog bijkomt dat later ook een tweede partnerrelatie een echec werd en onderzochte in 1999 nog eens beviel van een uit deze relatie geboren tweede kind. Het zijn deze factoren en omstandigheden die bepalend zijn voor het beeld waarmee we thans worden geconfronteerd.

3. Indien er sprake is van een combinatie van oorzaken: kan een van de oorzaken als hoofdoorzaak worden aangewezen? Zo ja, hebben de andere oorzaken dan een bijdrage geleverd aan de psychische klachten in die zin dat ze de stoornis hebben verergerd en zo ja, in welke mate? Zou[eiseres] eerder van de stoornis zijn hersteld als andere oorzaken geen rol zouden hebben gespeeld?

Het hoofdaccent ligt op de relationele problematiek. De andere “oorzaak” in casu het gevolg van het mechanisch geweld van het ongeval, heeft weliswaar tot objectiveerbare klachten en beperkingen geleid (zie expertise Beijersbergen en medewerkers), maar die zijn niet van een zodanige ernst dat betrokkene als gevolg daarvan geheel afhankelijk zou moeten zijn van anderen. Met het toestandsbeeld en gedrag dat zij thans vertoont kan betrokkene zich tegenover haar directe omgeving afficheren als ongevalsgelaedeerde, waarmee zij ontkomt aan de beschamende confrontatie met haar eigen persoonlijk aandeel/eigen verantwoordelijkheid en falen. De posttraumatische lichamelijke klachten hebben in dat opzicht een “kapstokfunctie” gekregen. Ondergetekende is dus van oordeel dat andere oorzaken dan het ongeval in overwegende mate –zo niet geheel – bepalend zijn voor het verloop. Uw vraag of[eiseres] eerder van “de stoornis” zou zijn hersteld als de andere oorzaken geen rol hadden gespeeld, is niet geheel duidelijk. Voorlopig volstaat ondergetekende met de constatering dat de rol van het ongeluk bijkomstig is geweest en dat problemen in de relationele sfeer de hoofdrol spelen. Het feit dat[eiseres] er ook niet in geslaagd is om na haar echtscheiding een tweede relatie op te bouwen en dat zij bovendien in 1999 nog beviel van een tweede kind, onderstreept de invloed van niet-ongevalsgerelateerde belastende zaken.

4. Had[eiseres] al psychische klachten voor het ongeval van 24 september 1996? Zo ja, in welke mate?

Betrokkene had inderdaad al psychische klachten voor het onderhavige ongeval, zie in dat verband het RIAGG-verslag. De ernst van de klachten is echter niet van zodanige aard geweest, dat men tot een DSM-IV diagnose kwam.

5. Zou de stoornis ook op enig moment zijn ontstaan als[eiseres] op 24-9-1996 geen slachtoffer van een verkeersongeval zou zijn geworden? Zo ja, kunt u een indicatie geven wanneer en in welke mate klachten zouden zijn opgetreden?

Als we ervan uitgaan dat het echec van onderzochte’s huwelijk niet met het ongeval van doen had en dat dit ook geldt voor de mislukking van een volgende relatie, bij een toegenomen belasting van onderzochte’s verantwoordelijkheid na de geboorte van een tweede kind, mag redelijkerwijs gesproken worden van een verhoogd risico op psychisch decompenseren, ook indien betrokkene niet het slachtoffer van een verkeersongeval zou zijn geworden. Wanneer en in welke mate de klachten zich zouden hebben voorgedaan, valt met de beschikbare informatie niet te zeggen, al was het maar omdat het experiment van het leven onder andere omstandigheden nu eenmaal niet herhaalbaar is en moeilijk te voorspellen valt of en in welke mate onderzochte –het ongeluk buiten beschouwing gelaten- in haar leven met (andere) tegenslagen en meevallers zou zijn geconfronteerd. Afgezien daarvan zij dezerzijds nog eens herhaald dat onderzochte’s auto-anamnese lacunair is en weinig informatie verschaft. (…)

6. Bestaat er naar uw oordeel ten aanzien van de psychische klachten een eindtoestand, dan wel een stationaire toestand? Zo nee, verwacht u dan een verbetering of verslechtering, en in welke mate en op welke termijn?

Inmiddels, bijna tien jaar na dato, in aanmerking genomen het ziektebeloop, mag tot een eindtoestand worden besloten.

7. Welke beperkingen ondervindt[eiseres] naar uw oordeel als gevolg van haar psychische klachten bij activiteiten van het dagelijkse leven, in de vrije tijdsbesteding en/of bij de beroepsuitoefening?

De beperkingen die betrokkene ondervindt zijn genoegzaam beschreven in de expertise van Beijersbergen en medewerkers. Vanuit psychiatrisch gezichtspunt valt daar niets aan toe te voegen.

8. Op welk percentage schat u de blijvende functionele invaliditeit ten gevolge van de psychische klachten op basis van de meest recente editie van de AMA-richtlijnen, zonodig aangevuld met de voor uw vakgebied geldende richtlijnen? Wilt u zo nauwkeurig mogelijk beschrijven hoe dit percentage is opgebouwd?

(…) , onder verwijzing naar het psychiatrisch onderzoek, het dagverhaal en de discrepantie tussen subjectieve beleving en benutbaar potentieel, maakt onderzochte aanspraak op een plaats in klasse I en is er derhalve van een algemene functionele psychiatrische invaliditeit als ongevalsgevolg geen sprake.

2.2. De rechtbank komt op grond van de rapportage allereerst tot de conclusie dat er geen sprake is van een psychiatrische stoornis bij[eiseres]. Kuilman heeft ondubbelzinnig geconcludeerd dat er onvoldoende objectieve informatie is die aannemelijk maakt dat van een posttraumatische stress-stoornis sprake is (geweest). In het rapport schrijft Kuilman dat uit het psychiatrisch onderzoek evenmin een duidelijk depressief syndroom blijkt.[eiseres] is wel nerveus, onzeker en aarzelend, maar valt vooral op door haar passiviteit en geringe inzet, aldus Kuilman. De enkele kenmerken van een gegeneraliseerde angststoornis zijn volgens Kuilman qua intensiteit en impact op het dagelijks functioneren niet van dien aard dat een psychiatrische diagnose gerechtvaardigd is. Daarover schrijft Kuilman nog: “bij een substantiële psychotraumatische impact van het ongeval als life event zouden de gevolgen ervan zichtbaar moeten zijn in klachten en symptomen die kenmerkend zijn voor bijvoorbeeld een acute stressreactie, posttraumatische stress-stoornis en/of (angstig-depressief gekleurde) aanpassingsstoornis. Daarvan vind ik niets terug in het RIAGG-verslag en tijdens mijn anamnese en psychiatrisch onderzoek is er evenmin aanleiding voor zulke diagnoses.” Dit oordeel heeft Kuilman gebaseerd op de anamnese, de actuele toestand van[eiseres], haar biografie, medische informatie en psychiatrisch onderzoek van[eiseres]. Kuilman heeft daarbij adequaat gereageerd op de verklaring van de psychiater die[eiseres] in Turkije enige malen heeft bezocht. Hij heeft er terecht op gewezen dat die psychiater de eerste en enige is die spreekt over een posttraumatisch stress-syndroom zonder dat die diagnose in zijn anamnese en verslag deugdelijk wordt onderbouwd. Kuilman stelt, zoals hiervoor weergegeven, daarnaast gemotiveerd dat hij in zijn eigen onderzoek geen aanknopingspunten voor een dergelijke stoornis vindt en dat deze diagnose bij de Riagg evenmin aan de orde komt.

2.3.[eiseres] heeft in reactie daarop aangevoerd dat er in het Riagg-rapport niet staat dat er geen psychiatrische diagnose kan worden gesteld, maar dat de diagnose op As I wordt uitgesteld. Het is volgens[eiseres] onwaarschijnlijk dat al na een eerste intake de diagnose posttraumatische stressstoornis kan worden gesteld. Het is in ieder geval niet uit te sluiten dat bij verdere behandeling wel een stoornis zou zijn vastgesteld, gelet op de na het ongeval ontstane problematiek, aldus[eiseres]. Verder wijst zij erop dat bij het Riagg relatief weinig mensen met een posttraumatische stressstoornis worden behandeld en dat dus niet is uit te sluiten dat de psychotherapeute van Riagg met die stoornis geen rekening heeft gehouden.

2.4. Het is op zich juist dat het Riagg de diagnose op As I heeft uitgesteld, dat[eiseres] alleen een intake heeft gehad en zij bij het Riagg verder niet onder behandeling is geweest. Dit laat echter onverlet dat het Riagg naar aanleiding van dit eerste contact geen psychiatrische diagnose heeft gesteld dan wel kunnen stellen. In de visie van de rechtbank verbindt Kuilman in zijn rapport daaraan geen verdergaande consequentie dan dat het Riagg geen stoornis heeft geconstateerd c.q. kunnen constateren. Uit de beantwoording van vraag 4 kan afgeleid worden dat Kuilman het niet stellen van een diagnose in verband brengt met een te geringe ernst van de klachten. In reactie op het commentaar van[eiseres] op zijn concept-rapport heeft Kuilman echter een verduidelijking gegeven in die zin dat het Riagg bij de eerste intake geen aanwijzing vond voor klachten en symptomen die kenmerkend zijn voor bijvoorbeeld een acute stressreactie, posttraumatische stress-stoornis en/of (angstig-depressief gekleurde) aanpassingsstoornis, hetgeen aansluit bij zijn eigen bevindingen. In dat kader wijst Kuilman er terecht op dat de bevindingen van de psychotherapeute van het Riagg in belangrijke mate overeenkomen met die van hem. De psychotherapeute signaleert dat[eiseres] moeilijk is te concretiseren, dat de hulpvraag niet duidelijk wordt, dat het gesprek zeer moeilijk verloopt en dat zij steeds moet trekken om een antwoord van[eiseres] te krijgen en dat[eiseres] vrij vaag blijft. Ook Kuilman constateert dat de presentatie van[eiseres] vaag is, haar verhaal nogal mager, de anamnese lacunair en dat hij de woorden er op zeker moment zo ongeveer uit moet trekken. Al met al is het dan ook niet onjuist te noemen dat Kuilman het Riagg-rapport gebruikt als ondersteuning van zijn conclusie dat geen sprake is (geweest) van PTSS.

Dat het Riagg de diagnose van posttraumatische stressstoornis zou hebben gemist, acht de rechtbank met Kuilman onwaarschijnlijk. Kuilman heeft opgemerkt het zeer onaannemelijk te vinden dat een bij een Riagg werkzame gekwalificeerde psychotherapeut niet op de hoogte zou zijn van het syndroom, dat in 1980 werd geïntroduceerd en sindsdien in de vakliteratuur, op symposia, congressen en (bij)scholingen veelvuldig onderwerp is van zorg en discussie. Daarmee acht de rechtbank deze – overigens niet nader onderbouwde – stelling van[eiseres] in voldoende mate verworpen.

2.5. Samenvattend heeft Kuilman naar het oordeel van de rechtbank zijn conclusie dat geen sprake is van een psychiatrische stoornis degelijk onderbouwd en vloeit de conclusie logisch voort uit de inhoud van het rapport. De rechtbank zal deze conclusie dan ook overnemen en tot de hare maken.

2.6. Dan is de vraag aan de orde of[eiseres] psychisch letsel, anders dan een psychiatrische stoornis, tengevolge van het ongeval heeft opgelopen.[eiseres] heeft er terecht op gewezen dat de door Kuilman veronderstelde afwezigheid van een psychiatrische stoornis niet uitsluit dat er sprake is van psychische klachten c.q. een psychische stoornis. Naar het oordeel van de rechtbank hoeft deze vraag echter niet beantwoord te worden. Als er al sprake is van psychisch letsel dat als ongevalsgevolg moet worden aangemerkt, leidt dat letsel volgens Kuilman niet tot extra beperkingen ten opzichte van de beperkingen die zijn beschreven in de expertise. De rechtbank verwijst naar de beantwoording van vragen 7 en 8 door Kuilman. Kuilman heeft in zijn rapportage daarover nog het volgende opgemerkt. Over de dagbesteding van[eiseres] tekent hij op: “Desgevraagd zegt onderzochte dat er in haar dagelijks bestaan voor wat betreft haar bezigheden niet veel verschil is tussen vóór [en] na het ongeval.” En: “Gevraagd naar haar psychische klachten noemt onderzochte zenuwachtigheid. Verder maakt zij melding van vergeetachtigheid, zonder dat uit haar verhaal blijkt dat dit in het dagelijks leven tot grote problemen aanleiding geeft.” Kuilman betrekt bij zijn oordeel voorts dat[eiseres] tijdens het hele onderzoek vaag blijft en haar verhaal mager is: “Zij verleent haar medewerking aan het onderzoek, wat niet wegneemt dat haar verhaal nogal mager is en haar beschrijvingen tamelijk vaag. Onderzochte is sober met haar antwoorden, de onderzoeker moet de woorden er op zeker moment zo ongeveer uit trekken …” en: “Gewezen werd reeds op de karigheid van onderzochte’s verhaal. Loutere feiten en gebeurtenissen weet zij nog wel weer te geven, maar zodra situaties en interacties aan de orde komen –kortom zaken waarbij gevoelens in het spel zijn- wordt haar verhaal wel erg schraal. (…) Zoals zij zich opstelt komt zij uit de verf als een vrouw die het leven meer aan zich laat voorbij trekken, dan dat zij er actief aan deelneemt, wat overigens niet in overeenstemming is met haar dagverhaal.” En tenslotte de conclusie van Kuilman: “Onderzochte’s dagverhaal en haar gedrag tijdens het psychiatrisch onderzoek onderstrepen de door anderen al gesignaleerde discrepantie tussen het beeld dat zij van zichzelf heeft, cq. haar subjectieve klachten en het benutbaar potentieel.” Daarbij heeft Kuilman dus de beschikbare medische informatie afgezet tegen zijn eigen psychiatrisch onderzoek, welke elkaar naar zijn oordeel bevestigen op dit punt. De door[eiseres] gepresenteerde psychische klachten, die volgens Kuilman variabel en vaag zijn, leiden in zijn oordeel niet tot extra beperkingen, hoewel[eiseres] daar een ander beeld bij heeft, aldus nog steeds Kuilman. Naar het oordeel van de rechtbank heeft Kuilman dit oordeel in voldoende mate onderbouwd en vloeit het voldoende logisch voort uit de inhoud van zijn rapport. De stelling van[eiseres] dat zij zichzelf niet tot werken in staat acht tengevolge van haar klachten en dat dit wordt ondersteund door de omstandigheid dat zij ná het ongeval psychische klachten heeft gekregen waarvoor zij hulp heeft gezocht, maakt dit niet anders. De rechtbank heeft een deskundige benoemd om de vraag te beantwoorden of[eiseres] tengevolge van het ongeval psychisch letsel heeft opgelopen dat leidt tot (extra) beperkingen in het dagelijks leven en de beroepsuitoefening. Deze deskundige beantwoordt die vraag ontkennend en doet dat op een gefundeerde en gemotiveerde wijze zodat de rechtbank geen reden heeft om te twijfelen aan zijn conclusie.

2.7. De overige opmerkingen van[eiseres] over de rapportage van Kuilman zien met name op het causaal verband tussen de door haar ervaren psychische klachten en het ongeval. Die discussie is echter niet relevant nu Kuilman ondubbelzinnig concludeert dat op het gebied van zijn deskundigheid geen extra beperkingen bij[eiseres] zijn te duiden. De vragen 7 en 8 zijn gesteld zonder referentie aan de kwestie van het causaal verband c.q. de oorza(a)k(en) van de door[eiseres] gepresenteerde psychische klachten. Daarom mag aangenomen worden dat Kuilman die vragen beantwoord heeft op basis van “het toestandsbeeld” zoals hij dat heeft beschreven, los van de vraag welke oorza(a)k(en) aan dat beeld ten grondslag ligt c.q. liggen. De stelling van[eiseres] dat haar psychische klachten (mede) het gevolg zijn van het ongeval, moet om die reden buiten beschouwing blijven.

2.8. De bezwaren die[eiseres] voor het overige tegen het rapport van Kuilman naar voren heeft gebracht, leiden de rechtbank niet tot een ander oordeel.[eiseres] heeft nog aangevoerd dat Kuilman er eenvoudig niet aan wil dat zij de ongevalsklachten in psychische klachten heeft vertaald, omdat hij dat niet de gewenste reactie vindt op deze lichamelijke klachten. De rechtbank leest in de beantwoording van Kuilman niet dat hij op een subjectieve wijze[eiseres] verwijten maakt, hetgeen zij met deze stelling in wezen betoogt. Kuilman heeft de klachten en het gedrag van[eiseres] zoals hij dat heeft afgeleid uit de anamnese, biografie en medische informatie geduid vanuit zijn expertise. Zoals Kuilman zelf ook aangeeft naar aanleiding van dit bezwaar van[eiseres], heeft hij een verband gelegd “tussen het ziektebeloop met betrekking tot de klachten, symptomen en beperkingen enerzijds en de eraan ten grondslag liggende factoren uit de pretraumatische, traumatische en posttraumatische situatieve context anderzijds. Hij is daarbij tot de conclusie gekomen dat betrokkene reeds voor het ongeval klachten had en in een kwetsbare positie verkeerde, die kwetsbaarheid door het ongeval cq. de ongevalsgevolgen is toegenomen (zie de expertise van Beijersbergen c.s.) en dat met het verstrijken van de tijd factoren en omstandigheden die met het ongeval niet van doen hebben een ziektebestendigende invloed hebben uitgeoefend op het verloop en het ontstaan/in stand blijven van het beeld waarmee wij nu worden geconfronteerd. Een toestandsbeeld overigens dat gekenmerkt is door aanzienlijk minder klachten en symptomen, dan ten tijde van de expertise van Beijersbergen c.s.” Vervolgens heeft hij, zoals hiervoor overwogen, geconcludeerd dat vanuit psychiatrisch perspectief geen extra beperkingen zijn te duiden als gevolg van haar psychische klachten.

2.9.[eiseres]s stelling dat er feitelijke onjuistheden in de anamnese zijn opgenomen aangaande bijvoorbeeld jaartallen, leidt niet tot een ander oordeel. In antwoord op de vragen en opmerkingen naar aanleiding van het concept-rapport heeft Kuilman de onjuistheden hersteld en aangegeven dat een en ander geen gevolgen heeft voor zijn oordeel en conclusies.

2.10. De rechtbank is dan ook van oordeel dat er geen beperkingen zijn vast te stellen als gevolg van psychisch letsel tengevolge van het ongeval. De medische gevolgen van het ongeval zijn dus in totaliteit te vinden in de rapportage van de neuroloog Beijersbergen en de orthopedisch chirurg Postma (prods. 3 t/m 5 bij dagv). In het vonnis van 1 maart 2006 is al overwogen dat onderzoek door een arbeidsdeskundige moet plaatsvinden teneinde vast te stellen wat de arbeidskundige gevolgen zijn van de medische beperkingen die[eiseres] aan het ongeval heeft overgehouden. De Noordhollandsche is van mening dat benoeming van een arbeidsdeskundige achterwege kan blijven omdat het relevante arbeidsverleden vrijwel nihil is en stamt uit de periode dat zij nog slechts één kind had. Bovendien zijn er geen kosten voor huishoudelijke hulp omdat[eiseres] bij haar ouders woont, aldus De Noordhollandsche.

2.11. De rechtbank constateert dat[eiseres] stukken in het geding heeft gebracht waaruit blijkt dat zij in de periode van 1990 tot en met 1996 op basis van uitzendcontracten voor diverse uitzendbureaus en bij diverse werkgevers heeft gewerkt, namelijk als volgt:

* Als productiemedewerkster bij Klarenbeek Fashion Service BV (via Dactylo Uitzendbureau) vanaf 29 juli 1991 in totaal 653 uur in het jaar 1991;

* Als productiemedewerkster bij Philips (via Start Uitzendbureau) vanaf 4 november 1991 in totaal 80 uren in het jaar 1991;

* Bij V/d Heijden Transport B.V. (via Uitzendbureau Van Orsouw) vanaf 18 november 1991 in totaal 136 uur in het jaar 1991;

* Als productiemedewerkster bij Merlin (via Start Uitzendbureau) vanaf 17 april 1992 in totaal 240 uur in het jaar 1992;

* Als productiemedewerkster bij Unilever Vleesgroep vanaf 8 september 1993 in totaal 38 uur in het jaar 1993;

* Als productiemedewerkster bij Henkel Raycap Produktie BV (via Start Uitzendbureau) vanaf 19 november 1995 in totaal 94,50 uur in het jaar 1995;

De overgelegde loonstroken uit 1990 van Dactylo Uitzendbureau hebben niet betrekking op[eiseres] blijkens de daarop afgedrukte geboortedatum. Wat betreft het dienstverband van[eiseres] bij Xenos als oproepkracht uit 1992 / 1993 kan de rechtbank niet vaststellen hoeveel uren zij daadwerkelijk heeft gewerkt, nu slechts de aanstelling als oproepkracht is overgelegd. Datzelfde geldt voor haar dienstverband bij Philips Lighting in 1992 (waarbij wel is vermeld dat zij tijdens de proeftijd wegens onverwachte bedrijfsomstandigheden is ontslagen). Voor zover het arbeidsverleden uit de overgelegde stukken blijkt, heeft[eiseres] in het jaar 1991 869 uur gewerkt, in 1992 240 uur, in 1993 38 uur en in 1995 94,50 uur.

2.12.[eiseres] is in de berekening van het verlies aan verdienvermogen er van uitgegaan dat zij vanaf 1 maart 1997 haar werkzaamheden als parttime verkoopster zou hervatten en dat haar dienstverband per 1 maart 1998 zou zijn uitgebreid naar 30 uur per week. In verband met de geboorte van haar tweede kind op 4 september 1999 zou zij een werkonderbreking hebben gekend tot en met het jaar 2001. Voorts is uitgegaan van een werkhervatting in 2002 voor 50% en vanaf 2004 voor 75%. Dat dit als een redelijke verwachting voor de toekomst heeft te gelden, moet volgens[eiseres] worden afgeleid uit haar werkzaamheden voor het ongeval en uit het feit dat zij als alleenstaande moeder zorg moet dragen voor het gezinsinkomen. De door[eiseres] gehanteerde uitgangspunten kunnen naar het oordeel van de rechtbank niet gelden als redelijke verwachting voor de toekomst. Weliswaar mogen aan een benadeelde die blijvende letselschade heeft opgelopen geen strenge eisen worden gesteld met betrekking tot het te leveren bewijs van (schade wegens het derven van) de arbeidsinkomsten die de benadeelde in de toekomst zou hebben genoten in de hypothetische situatie dat het ongeval niet zou hebben plaatsgehad. Het is immers de aansprakelijke veroorzaker van het ongeval, die aan de benadeelde de mogelijkheid heeft ontnomen om zekerheid te verschaffen over hetgeen in die hypothetische situatie zou zijn gebeurd. De benadeelde zal echter wel voldoende feiten en omstandigheden moeten aandragen die de gestelde redelijke verwachting voor de toekomst ondersteunen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft[eiseres] onvoldoende omstandigheden aangevoerd die de hiervoor gestelde verwachting voor de toekomst redelijkerwijs aannemelijk maken. Zo is haar arbeidsverleden, zoals dat blijkt uit de overgelegde stukken, zeer beperkt te noemen, zeker vanaf 1993, hetgeen nog twee jaar ligt vóór de geboorte van haar eerste kind.[eiseres] heeft daarover gesteld dat ze niet meer beschikt over alle bewijzen van door haar verrichte werkzaamheden, hetgeen de rechtbank ook aannemelijk acht gelet op de sindsdien verstreken tijd. Zij heeft echter ook niet een gedetailleerd en gespecificeerd overzicht verstrekt van haar werkgevers dan wel een overzicht van de bij benadering door haar gewerkte uren. Dergelijke overzichten hadden wél van haar mogen worden verwacht. Zo heeft[eiseres] ter comparitie verklaard dat zij 6 maanden als cassière bij Xenos heeft gewerkt. Bij akte heeft zij echter slechts het oproepcontract met Xenos overgelegd zonder daarbij te vermelden hoeveel uren zij bij benadering heeft gewerkt voor Xenos. De rechtbank moet dan ook aannemen, bij gebrek aan andere informatie, dat haar arbeidsverleden (bij benadering) zo beperkt is geweest als in 2.11 uiteengezet. Een dergelijk beperkt arbeidsverleden rechtvaardigt niet de verwachting voor de toekomst dat zij 30 uur per week zou gaan werken als verkoopster. De omstandigheid dat zij als alleenstaande moeder zorg moet dragen voor het gezinsinkomen, kan die verwachting evenmin rechtvaardigen. Ook voor haar huwelijk was zij alleenstaand en diende zij zichzelf financieel te onderhouden, maar de gewerkte uren in 1991 en 1992 duiden niet daarop.

2.13. Gelet op het arbeidsverleden van[eiseres] en de omstandigheid dat zij vanaf januari 1996 alleenstaande moeder is, vindt de rechtbank het redelijk om aan te sluiten bij de gewerkte uren in 1992 en dat als redelijke verwachting voor de hypothetische situatie zonder ongeval aan te nemen. De Noordhollandsche heeft aangevoerd dat niet gerekend moet worden met een eindleeftijd van 65 jaar voor het arbeidsleven van[eiseres]. Gelet op informatie van het Centraal Bureau voor de Statistiek neemt de arbeidsparticipatie van vrouwen na het 51ste levensjaar sterk af, aldus De Noordhollandsche.[eiseres] heeft deze stelling niet concreet betwist, anders dan een verwijzing naar de door haar gehanteerde uitgangspunten. De rechtbank zal dan ook op grond van die informatie aannemen dat[eiseres] in de hypothetische situatie zonder ongeval tot haar 60ste levensjaar zou werken. Als uitgangspunt geldt dus dat[eiseres] van 1996 tot 2031, wanneer zij 60 jaar zal zijn, per jaar 240 uur zou werken, met een onderbreking van tweeënhalf jaar in verband met de geboorte van haar tweede kind. De rechtbank gaat er, gelet op haar arbeidsverleden, daarbij van uit dat zij als productiemedewerkster, verkoopster of een vergelijkbare functie tegen het minimumloon zou werken.

2.14. Deze uitgangspunten moeten worden afgezet tegen de door Beijersbergen en Postma vastgestelde beperkingen voor het verrichten van arbeid: “Deze berusten op een verminderde belastbaarheid van de schoudergebied en nek. Dit betekent dat betrokkene geen langdurige of zware arbeid kan verrichten in een gedwongen houding dat zij niet langer dan een half uur per dag, langer dan een minuut per keer, boven het hoofd kan werken en niet langdurig gebogen arbeid kan verrichten (…). Voor wat betreft de orthopaedische gevolgen kan worden gesteld dat betrokkene licht beperkt is ten aanzien van zwaar schouderbelastende activiteiten en zeker bij langdurig belasten op en boven schouderniveau. Tevens beperkt ten aanzien van verreiken. Betrokkene is zeker wel beperkt ten aanzien van zwaardere belastende activiteiten van de rechter elleboog. Het is niet onverstandig om gezien de klachten overigens zonder objectiveerbare afwijkingen, maar wel op basis van een doorgemaakte trauma – rekening te houden met een licht verminderde belastbaarheid van ook de linker pols ten aanzien van het zeer zwaar tillen of het veelvuldig frequente bewegingen. Dientengevolge voor beide armen dient zij zeer zwaar tillen en dragen te vermijden.” De vraag is of[eiseres], ondanks deze beperkingen, in staat moet worden geacht om 240 uur per jaar te werken als productiemedewerkster (of in een vergelijkbare functie). Een eventueel te benoemen arbeidsdeskundige zal deze vragen moeten beantwoorden. De rechtbank merkt nog op dat de door[eiseres] ervaren psychische klachten daarbij geen rol kunnen spelen.

2.15. Ook is de vraag aan de orde of[eiseres] schade heeft geleden in verband met behoefte aan huishoudelijke hulp. De Noordhollandsche heeft aangevoerd dat[eiseres] geen kosten voor huishoudelijke hulp maakt omdat zij inwoont bij haar ouders en er geen sprake is van verplaatste schade.[eiseres] heeft daar tegenover gesteld dat zij niet zelfstandig haar huishouden kan doen, maar dat zij geen kosten maakt omdat zij niet over de middelen beschikt om hulp te financieren. Volgens[eiseres] gaat het om vergoeding van haar aangetaste vermogen en niet of dit aangetaste vermogen tot daadwerkelijke kosten heeft geleid. De rechtbank stelt voorop dat een eventueel te benoemen arbeidskundige aan de hand van voornoemde beperkingen zal moeten vaststellen of en in hoeverre[eiseres] niet in staat is om zelf alle voorkomende huishoudelijke werkzaamheden te verrichten. Indien wordt vastgesteld dat[eiseres] vanwege die beperkingen niet in staat is om (bepaalde) huishoudelijke werkzaamheden te verrichten, dient te worden bepaald of kosten van huishoudelijke hulp voor vergoeding in aanmerking komen en in hoeverre daarbij rekening moet worden gehouden met door derden verleende (kosteloze) mantelzorg. Voor de beantwoording van die laatste vraag dient naar het oordeel van de rechtbank te worden aangesloten bij de maatstaf die de Hoge Raad in zijn arresten van 28 mei 1999 (NJ 1999, 564) en 6 juni 2003 (NJ 2003, 504) heeft aangelegd, te weten of en in hoeverre het inschakelen van professionele hulp voor het verrichten van de huishoudelijke werkzaamheden normaal en gebruikelijk is. Indien de derde (kosteloos) werkzaamheden verricht die tot de normale dagelijkse werkzaamheden van een huishouden behoren (boodschappen doen, was, afwas, maaltijden bereiden), zullen die in zijn algemeenheid niet voor vergoeding in aanmerking komen. Indien het werkzaamheden betreffen waarvoor het inschakelen van professionele hulp normaal en gebruikelijk is (zoals schoonmaakwerkzaamheden), zullen die werkzaamheden in het algemeen wel vergoed moeten worden.

2.16. De Noordhollandsche heeft nog aangevoerd dat voor de behoefte aan huishoudelijke hulp, het persoonsgebonden budget (PGB) van invloed is. Indien dat niet het geval zou zijn, zouden verzekeraars dubbel worden aangesproken, enerzijds door te betalen ingevolge de afkoop in de collectiviteit en anderzijds door rechtstreeks schade te vergoeden aan slachtoffers. De rechtbank zal[eiseres] in de gelegenheid stellen zich over dit verweer uit te laten.

2.17. De Noordhollandsche heeft gesteld dat[eiseres] zich definitief heeft gevestigd in Turkije en dat het niet reëel is dat zij weer terugkeert naar Nederland. De schade dient volgens De Noordhollandsche dan ook te worden beoordeeld en begroot naar de situatie in Turkije.[eiseres] heeft ter comparitie verklaard dat zij ongeveer anderhalf jaar na de geboorte van haar tweede kind met haar ouders naar Turkije is gegaan, omdat het daar beter gaat met haar psychische klachten. Zodra zij beter is, wil zij weer in Nederland wonen omdat ze hier meer kan verdienen, aldus[eiseres]. De rechtbank is voorshands van oordeel dat, indien[eiseres] sinds 2001 of 2002 onafgebroken in Turkije heeft gewoond, aannemelijk is dat zij niet zal terugkeren naar Nederland. Zij geeft haar gezondheid op als reden om in Turkije te wonen. Gelet op de medische rapportages is niet aan te nemen dat er veel verandering (in de zin van verbetering) zal optreden in haar gezondheidssituatie. Daarnaast zal zij naar alle waarschijnlijkheid in de loop der jaren een grotere binding met Turkije krijgen, omdat haar sociale leven zich daar afspeelt en haar kinderen daar opgroeien. De rechtbank is echter niet op de hoogte van de actuele stand van zaken en zal[eiseres] daarom in de gelegenheid stellen om zich uit te laten over haar woonsituatie en haar voornemens daaromtrent voor de toekomst. De rechtbank merkt nog op dat[eiseres] bij dagvaarding de stelling heeft ingenomen dat zij vanwege financiële nood – omdat De Noordhollandsche stopte met bevoorschotting – naar Turkije is gegaan, maar die stelling acht de rechtbank onvoldoende onderbouwd. Ter comparitie heeft[eiseres] immers verklaard zoals hiervoor weergegeven en heeft zij niets vermeld over financiële moeilijkheden.

2.18. Indien moet worden aangenomen dat[eiseres] niet zal terugkeren naar Nederland, heeft dat gevolgen voor de schadeberekening. In verband met een zo concreet en reëel mogelijke schadeberekening moet in dat geval naar het voorlopige oordeel van de rechtbank worden aangesloten bij de schade zoals[eiseres] die heeft geleden of zal lijden in haar omstandigheden in Turkije. Dit betekent dat het eventuele verlies aan verdienvermogen moet worden gerelateerd aan het inkomen dat zij in Turkije zou kunnen genereren en de hoogte van een eventuele schadevergoeding wegens huishoudelijke hulp moet worden gerelateerd aan de hoogte van de kosten zoals die in Turkije gebruikelijk zijn. Een en ander brengt de nodige complicaties mee voor een eventueel onderzoek dat door een (Nederlandse) arbeidsdeskundige wordt verricht, die (naar valt aan te nemen) geen expertise heeft aangaande bijvoorbeeld de beschikbaarheid van bepaald werk in een regio in Turkije. De rechtbank zal daarom partijen, allereerst[eiseres], in de gelegenheid stellen zich uit te laten over het vervolg van de procedure en hoe in hun visie dergelijke complicaties zijn te ondervangen. De rechtbank geeft daarbij partijen expliciet in overweging om te trachten alsnog een minnelijke regeling in deze zaak te treffen. De rechtbank heeft immers in een groot aantal geschilpunten al een beslissing gegeven. Partijen zullen zich bovendien moeten afvragen of benoeming van een arbeidsdeskundige de aangewezen weg is in deze procedure, gelet op de resterende omvang van de schadevergoeding en de hiervoor gememoreerde complicaties. Zij kunnen in dat kader verzoeken om verwijzing naar de parkeerrol, maar zij kunnen ook om een comparitie van partijen verzoeken.

2.19. De rechtbank heeft[eiseres] bij vonnis van 1 maart 2006 in de gelegenheid gesteld om de uitkering van voorschotten bij ILK Kloppenburg te verifiëren. Tot op heden heeft[eiseres] zich daarover niet uitgelaten. Indien[eiseres] daarover nog iets naar voren wil brengen, dient zij dit thans te doen.

2.20. De rechter, ten overstaan van wie de comparitie van partijen is gehouden, heeft dit vonnis niet kunnen wijzen in verband met benoeming elders.

3. De beslissing

De rechtbank

3.1. bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 7 mei 2008 voor het nemen van een akte door[eiseres] over hetgeen is vermeld onder 2.16, 2.17, 2.18 en 2.19, waarna De Noordhollandsche in de gelegenheid zal zijn om een antwoordakte te nemen,

3.2. houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.A. Brouwer en in het openbaar uitgesproken op 9 april 2008.