Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2008:BC7489

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
26-03-2008
Datum publicatie
26-03-2008
Zaaknummer
HA ZA 03-1442
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bevelen comparitie teneinde partijen in de gelegenheid te stellen te overleggen over de verschillende geschilpunten ter zake het te entameren deskundigenonderzoek.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 186
Burgerlijk Wetboek Boek 6 188
Burgerlijk Wetboek Boek 6 194
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen)
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 150
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JGR 2008/39 met annotatie van Schutjens

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK 'S-HERTOGENBOSCH

Sector civiel recht

Vonnis van 26 maart 2008

in de zaak met rolnummer HA ZA 03-1442 van

1. [eiseres sub 1],

wonende te [woonplaats],

2. [eiseres sub 2],

wonende te [woonplaats],

3. [eiseres sub 3],

wonende te [woonplaats],

4. [eiseres sub 4],

wonende te [woonplaats],

5. [eiseres sub 5],

wonende te [woonplaats],

6. [eiseres sub 6]

wonende te [woonplaats],

7. [eiseres sub 7],

wonende te [woonplaats],

8. [eiseres sub 8],

wonende te [woonplaats]

9. [eiseres sub 9],

wonende te [woonplaats],

10. [eiseres sub 10],

wonende te [woonplaats],

11. [eiseres sub 11],

wonende te [woonplaats],

12. [eiseres sub 12],

wonende te [woonplaats],

13. [eiseres sub 13],

wonende te [woonplaats],

14. [eiseres sub 14]

wonende te woonplaats

15 [eiseres sub 15],

wonende te [woonplaats],

eiseressen,

procureur mr. J.E. Lenglet,

advocaat mr. A.J. Van te Amersfoort,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

ORGANON NEDERLAND B.V.,

gevestigd te Oss,

gedaagde,

procureur mr. P.C.M. van der Ven,

advocaat mr. Chr.H. van Dijk en mr. M. Hiemstra te Amsterdam,

en in de zaken met rolnummers HA ZA 04-250 tot en met HA ZA 04-262 van

1. [eiseres sub 1],

wonende te [woonplaats],

2. [eiseres sub 2],

wonende te [woonplaats],

3. [eiseres sub 3],

wonende te [woonplaats],

4. [eiseres sub 4],

wonende te [woonplaats],

5. [eiseres sub 5],

wonende te [woonplaats],

6. [eiseres sub 6],

wonende te [woonplaats],

7. [eiseres sub 7]

wonende te [woonplaats]

8. [eiseres sub 8]

wonende te [woonplaats],

9. [eiseres sub 9],

wonende te [woonplaats],

10. [eiseres sub 10],

wonende te [woonplaats],

11. [eiseres sub 11],

wonende te [woonplaats],

12. [eiseres sub 12],

wonende te [woonplaats],

13. [eiseres sub 13],

eiseressen,

procureur mr. J.E. Lenglet,

advocaat mr. A.J. Van te Amersfoort,

tegen

1. [gedaagde sub 1],

wonende te [woonplaats],

2. [gedaagde sub 2],

gevestigd te [vestigingsplaats],

3. [gedaagde sub 3],

wonende te [woonplaats],

4. [gedaagde sub 4]

wonende te [woonplaats],

5. [gedaagde sub 5],

wonende te [woonplaats],

6. [gedaagde sub 6],

wonende te [woonplaats],

7. [gedaagde sub 7],

wonende te [woonplaats],

8. [gedaagde sub 8],

wonende te [woonplaats],

9. [gedaagde sub 9],

wonende te [woonplaats],

10. [gedaagde sub 10],

wonende te [woonplaats],

11. [gedaagde sub 11],

wonende te [woonplaats],

12. [gedaagde sub 12],

wonende te [woonplaats],

13. [gedaagde sub 13],

wonende te [woonplaats],

gedaagden,

procureur voorheen mr. H.E.G. van der Flier, thans mr. J.E. Benner,

advocaat mr. A.H. Blok te Utrecht.

Partijen zullen hierna de vrouwen, Organon en de artsen genoemd worden.

1. De verdere procedure in de zaak HA ZA 03-1442

1.1. Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:

- het arrest van het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch d.d. 28 augustus 2007,

- de akte uitlating deskundigenbericht van Organon d.d. 21 november 2007,

- de akte uitlating deskundigenbericht van de vrouwen d.d. 21 november 2007,

- de antwoordakte van Organon d.d. 30 januari 2008,

- de antwoordakte van de vrouwen d.d. 30 januari 2008.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De verdere procedure in de zaken HA ZA 04-250 tot en met HA ZA 04-262

2.1. Het verdere verloop van de procedures blijkt uit:

- voormeld arrest van het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch d.d. 28 augustus 2007,

- de akte uitlating deskundigenbericht van de vrouwen d.d. 21 november 2007 (van gelijke

inhoud als de voormelde akte van de vrouwen van 21 november 2007),

- de akte uitlating deskundigenbericht van de artsen d.d. 21 november 2007,

- de antwoordakte van de vrouwen d.d. 30 januari 2008,

- de antwoordakte van de artsen d.d. 30 januari 2008.

2.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2.3. De vrijwaringszaak met rolnummer HA ZA 04-1058 tussen de artsen en Organon staat nog op de parkeerrol.

3. De verdere beoordeling in de gevoegde zaken

3.1. De zaken moeten gezamenlijk behandeld worden, omdat zij deels bij vonnis en deels van rechtswege met elkaar zijn gevoegd. Er kan thans volstaan worden met één vonnis met gelijkluidende tekst in alle aan de orde zijnde zaken.

3.2. Op 15 juni 2005 heeft de rechtbank tussenvonnissen gewezen in de hierboven genoemde zaken. Van die tussenvonnissen is (principaal en incidenteel) appel ingesteld en dat heeft geleid tot het arrest van het hof te ’s-Hertogenbosch d.d. 28 augustus 2007 (gelijkluidend in de aan de orde zijnde en door het hof gevoegde zaken).

Het hof heeft (in principaal appel) geoordeeld tot vernietiging van de tussenvonnissen waarvan beroep, en heeft opnieuw rechtdoende bepaald dat deskundigenonderzoek plaatsvindt naar de vragen die het hof indicatief in het arrest reeds op voorhand heeft vastgesteld en die definitief door de rechtbank zullen worden geformuleerd na overleg met partijen, en heeft de zaken verwezen in de stand waarin deze zich bevinden naar deze rechtbank ter verdere behandeling met inachtneming van hetgeen het hof heeft overwogen.

Het incidenteel appel is verworpen.

3.3. In het arrest heeft het hof voor zover hier van belang als volgt overwogen en geoordeeld.

3.3.1. Het hof houdt in r.o. 4.6.6. rekening met 4 mogelijke oorzaken van de afwezigheid van Implanon (waar de rechtbank met meer mogelijke oorzaken rekening had gehouden), te weten kort gezegd:

1c. het staafje is door de arts niet ingebracht,

2a. het staafje is door de arts niet correct ingebracht,

2b. het correct ingebrachte staafje is kort na het inbrengen door beweging van de arm via de insteekopening naar buiten gewerkt zonder dat de vrouwen dat hebben bemerkt (ongemerkte expulsie),

2c. het correct ingebrachte staafje is uit het lichaam verdwenen als gevolg van een mild ontstekingsproces, terwijl die mild verlopende ontsteking wel is opgemerkt door de vrouwen, maar het verlies van het staafje niet (ongemerkte expulsie na milde ontsteking).

3.3.2. Het hof legt de bewijslast van de gebrekkigheid van het product bij de vrouwen (waar de rechtbank Organon en de artsen met het bewijs had belast) en oordeelt dat voor de bewijslevering deskundigenberichten noodzakelijk zijn. Het hof acht voorshands benoeming van drie deskundigen noodzakelijk. Het hof heeft reeds een aantal aan de deskundigen te stellen vragen geformuleerd. Het hof is voorshands van oordeel dat het voorschot op de kosten van die deskundigenberichten ten laste van de vrouwen dient te worden gebracht.

3.3.3. In r.o. 4.14 e.v. heeft het hof (kort weergegeven) overwogen dat de vordering van de vrouwen jegens Organon toewijsbaar is indien de vrouwen bewijzen dat ongemerkte expulsie van een correct ingebracht Implanonstaafje mogelijk is, al dan niet na een mild verlopende ontsteking (oorzaken 2b en 2c). In dat geval gaat het hof ervan uit dat de schade van de vrouwen als gevolg van een gebrekkig product is ontstaan, behoudens tegenbewijs van Organon. Indien ongemerkte expulsie van een correct ingebracht staafje redelijkerwijs als oorzaak moet worden uitgesloten, zal er van uitgegaan moeten worden dat de artsen het staafje niet of niet correct hebben ingebracht. In dat geval gaat het hof ervan uit dat de artsen toerekenbaar zijn tekortgeschoten en aansprakelijk zijn, behoudens tegenbewijs door de artsen. Indien er van moet worden uitgegaan dat de artsen het staafje niet of niet correct hebben ingebracht is Organon mogelijk naast de artsen aansprakelijk indien (kort gezegd) de instructie aan de artsen gebrekkig was.

3.4. Nadat de zaken weer bij de rechtbank zijn aangebracht hebben partijen zich in de hierboven genoemde akten uitgelaten over de te benoemen deskundigen en de aan hen te stellen vragen.

3.5. Organon en de vrouwen zijn het eens over fasering van het deskundigen-onderzoek en de benoeming van met name genoemde deskundigen. Zij hebben gelijkluidende vragen aan die deskundigen geformuleerd. Kort gezegd staan Organon en de vrouwen voor dat eerst onderzoek plaatsvindt naar de mogelijkheid van expulsie van het staafje en wel door de gynaecoloog dr. H.P. Oosterbaan. Zij wensen dat hij niet alleen onderzoek doet naar de mogelijkheid van expulsie van een correct ingebracht staafje, maar ook naar de mogelijkheid van expulsie van een niet-correct ingebracht staafje.

Nadat dat onderzoek is afgerond beogen zij dat het tweede onderzoek zich richt op de door het hof geformuleerde (en door hen op een aantal punten geherformuleerde) vragen omtrent de instructie door Organon met betrekking tot Implanon. Zij stellen voor dat onderzoek uit te laten voeren door prof. dr. E. Schadé (hoogleraar huisartsengeneeskunde) en drs. W.M.H. van Diest (huisarts).

Vervolgens wensen zij dat de laatste twee vragen van het hof (omtrent de vraag of Organon voldoende onderzoek heeft verricht ter zake de inbreng van Implanon) beantwoord te zien worden door prof. dr. D.D. Breimer.

3.6. De artsen zijn het niet eens met de opstelling van Organon en de vrouwen. Zij zijn tegen fasering van het deskundigenonderzoek in verband met de te verwachten vertraging die door fasering zal kunnen ontstaan, én doordat zij menen dat fasering in het voordeel van Organon zal werken. Om de vrouwen tegemoet te komen zijn zij bereid de helft van de voorschotten van de deskundigen op zich te nemen (zie 2.1. antwoordakte).

Zij willen dat meerdere deskundigen zich tegelijk over de verschillende door het hof opgeworpen vragen buigen, te weten een hoogleraar huisartsgeneeskunde, een hoogleraar chirurgie-traumatologie en een hoogleraar epidemiologie (wat betreft de kosten van de laatste zie 3.4. antwoordakte waarin de artsen zich bereid verklaren het voorschot op eventuele onverwacht hoge kosten voor hun rekening te nemen). Eventueel zou een hoogleraar gynaecologie eveneens benoemd kunnen worden. Over prof. dr. Schadé en drs. Van Diest zijn zij het met de vrouwen en Organon eens. Zij zetten vraagtekens bij de benoeming van prof. dr. Breimer. Zij zijn tegen benoeming van dr. Oosterbaan omdat deze te nauwe banden met Organon zou hebben. Zij stellen prof. dr. J.G. Nijhuis voor (voor zover een gynaecoloog benoemd zou moeten worden). Als epidemioloog stellen zij voor prof. dr. D.A. Legemaate en als chirurg-traumatoloog prof. dr. H.J. ten Duis. Indien de rechtbank toch tot fasering van het onderzoek zou beslissen dan vragen de artsen het tussenvonnis open te stellen voor hoger beroep.

3.7. Alvorens tot verdere beslissingen te komen, acht de rechtbank het zinvol met partijen en hun raadslieden over de verschillende geschilpunten ter zake het te entameren deskundigenonderzoek te overleggen. Het is met name van belang te onderzoeken of partijen de door het hof geformuleerde onderzoeksvragen op dezelfde wijze interpreteren; of het onderzoek al of niet in fases kan c.q. dient plaats te vinden; de hoeveelheid van te benoemen deskundigen; of partijen het eens kunnen worden over (één of meer van) de te benoemen deskundigen (waarbij met name Organon en de vrouwen zich nog kunnen uitlaten over hetgeen de artsen in hun laatste akte hebben geopperd over de nauwe banden tussen dr. Oosterbaan en Organon); of er naast of in plaats van de door het hof geformuleerde vragen andere of meer vragen gesteld zouden dienen te worden en dergelijke.

3.8 Daartoe zal de rechtbank een comparitie van partijen bevelen als na te melden. Daarbij is het niet noodzakelijk dat alle vrouwen en alle artsen aanwezig zijn.

Voldoende is dat zij worden vertegenwoordigd door één of enkele uit hun midden en dat hun advocaten aanwezig zijn.

3.9. Indien Organon en/of de vrouwen behoefte hebben de door de artsen veronderstelde nauwe band tussen Organon en dr. Oosterbaan te betwisten, dan verzoekt de rechtbank die gemotiveerde betwisting schriftelijk veertien dagen voor de zitting aan de rechtbank en de andere partijen te doen toekomen.

4. De beslissing

De rechtbank

in de gevoegde zaken HA ZA 03-1442 en HA ZA 04-250 tot en met HA ZA 04-262

4.1. beveelt een verschijning van (de in r.o. 3.8. bedoelde) partijen, bijgestaan door hun advocaten, met het oog op hetgeen is verwoord in r.o. 3.7., op de terechtzitting van de daartoe tot rechter-commissaris benoemde mr. O.R.M. van Dam in het paleis van justitie te 's-Hertogenbosch aan de Leeghwaterlaan 8 op woensdag 4 juni 2008 van 9:30 tot 12:30 uur,

4.2. bepaalt dat de vrouwen en de artsen kunnen volstaan met een vertegenwoordiging uit hun midden en dat Organon dan vertegenwoordigd moet zijn door iemand die van de zaak op de hoogte is en hetzij rechtens hetzij op grond van een bijzondere schriftelijke volmacht bevoegd is haar te vertegenwoordigen,

4.3. bepaalt dat de partij die op genoemd tijdstip niet kan verschijnen, binnen twee weken na de datum van dit vonnis schriftelijk en gemotiveerd aan de rechtbank ter attentie van de roladministratie van de sector civiel - om een nadere dag- en uurbepaling dient te vragen onder opgave van de verhinderdata van alle partijen in de drie maanden volgend op genoemde datum,

4.4. houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. O.R.M. van Dam, mr. P.P.M. van Reijsen en

mr. J. van der Weij en in het openbaar uitgesproken op 26 maart 2008.