Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2008:BC6917

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
03-03-2008
Datum publicatie
18-03-2008
Zaaknummer
AWB 07/2258
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:CRVB:2009:BH9418, (Gedeeltelijke) vernietiging met terugwijzen
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Het bezwaar is gericht tegen een informatieve brief van de arbeidsdeskundige. Teneinde niet-ontvankelijk verklaring te voorkomen heeft verweerder het bezwaar toegedicht aan het latere primaire besluit. Aldus is in strijd met artikel 7:11 van de Awb de grondslag van het bezwaar verlaten. Dit klemt te meer omdat deze wijze van besluitvorming is ingegeven door de vooropgezette bedoeling om niet-ontvankelijkverklaring op grond van de artikelen 1:3 en 7;1 te voorkomen, welke artikelen dwingendrechtelijk van aard zien. Evenmin is er sprake van een prematuur bezwaar als bedoeld in artikel 6:10 van de Awb.

De rechtbank voorziet zelf in de zaak en verklaart het bezwaar tegen de brief van de arbeidsdeskundige niet-ontvankelijk, nu deze brief niet is aan te merken als een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ’s-HERTOGENBOSCH

Sector bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 07/2258

Uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 maart 2008

inzake

[eiser],

te [woonplaats],

eiser,

gemachtigde mr. H.J.M. Smelt,

tegen

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv),

te Amsterdam,

verweerder,

gemachtigde mr B.H.C. de Bruijn.

Procesverloop

Bij brief van 16 november 2006 is eiser door verweerders arbeidsdeskundige geïnformeerd over de uitkomsten van zijn onderzoek.

Bij besluit van 28 november 2006 heeft verweerder geweigerd eiser met ingang van 10 oktober 2006 in aanmerking te brengen voor een uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA).

Namens eiser is op 22 december 2006 bezwaar gemaakt tegen de brief van verweerders arbeidsdeskundige van 16 november 2006.

Eisers bezwaar tegen voornoemde brief van de arbeidsdeskundige is door verweerder opgevat als zijnde gericht tegen het primaire besluit van 28 november 2006. Bij besluit van 31 mei 2007 heeft verweerder dit bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit op bezwaar is namens eiser op 6 juli 2007 beroep ingesteld.

De zaak is behandeld ter zitting van 28 februari 2008, waar eiser is verschenen in persoon, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder is verschenen bij gemachtigde.

Overwegingen

1. In dit geding dient de vraag te worden beantwoord of het besluit op bezwaar van 31 mei 2007 in rechte stand kan houden.

2. Bij het bestreden besluit op bezwaar heeft verweerder het namens eiser gemaakte bezwaar tegen de brief van de arbeidsdeskundige aangemerkt als zijnde gericht tegen het primaire besluit van 28 november 2006. Vervolgens heeft verweerder het bezwaar inhoudelijk beoordeeld en dit bezwaar ongegrond verklaard.

3. De rechtbank overweegt allereerst dat de bepalingen van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) over de ontvankelijkheid van bezwaar en beroep van openbare orde zijn. Derhalve ziet de rechtbank zich ambtshalve gesteld voor de vraag of verweerder het door eiser ingediende bezwaar terecht ontvankelijk heeft verklaard.

4. Dienaangaande overweegt de rechtbank als volgt.

5. Op grond van artikel 1:3 van de Awb wordt onder besluit verstaan: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling.

6. Artikel 7:1 van de Awb brengt, kort samengevat, met zich dat slechts tegen een besluit bezwaar kan worden gemaakt.

7. Ingevolge artikel 7:11, eerste lid van de Awb vindt op grondslag van het bezwaar een heroverweging van het bestreden besluit plaats, indien het bezwaar ontvankelijk is.

8. Verweerder heeft bij het bestreden besluit op bezwaar terecht geconstateerd dat het bezwaar is ingediend tegen de brief van de arbeidsdeskundige van 16 november 2006. Anders dan eisers gemachtigde is verweerder van mening dat deze brief niet is aan te merken als een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb, zodat het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard zou moeten worden.

9. De rechtbank onderschrijft dit standpunt van verweerder. Onder verwijzing naar de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 5 december 2006, LJN: AZ3771 kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden gezegd dat voornoemde brief van de arbeidsdeskundige (de zogenaamde aanzegbrief) het karakter draagt van een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb. Die brief is immers informatief van aard en niet gericht op enig rechtsgevolg. Het karakter en de betekenis van die brief kunnen niet achteraf worden gewijzigd. Nu er blijkens artikel 7:1 van de Awb enkel bezwaar openstaat tegen een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb, is de brief van de arbeidsdeskundige niet vatbaar voor bezwaar.

10. Daar voegt de rechtbank aan toe dat het bezwaarschrift evenmin kan worden aangemerkt als een prematuur bezwaar ten aanzien waarvan niet-ontvankelijkverklaring op grond van artikel 6:10 van de Awb achterwege dient te blijven. Immers, ten tijde van de indiening van het bezwaar was het primaire besluit van verweerder van 28 november 2006 reeds genomen en was de termijn voor het indienen van bezwaar tegen dat besluit reeds aangevangen. Derhalve is er geen sprake van een voor het begin van de termijn ingediend bezwaarschrift.

11. Verweerder is bij het bestreden besluit niet overgegaan tot niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar tegen de brief van de arbeidsdeskundige, maar heeft het bezwaarschrift beschouwd als te zijn gericht tegen het primaire besluit van 28 november 2006. Verweerder heeft het bezwaarschrift als zodanig inhoudelijk beoordeeld. Echter, naar het oordeel van de rechtbank kan uit het namens eiser ingediende bezwaarschrift niet anders worden opgemaakt dan dat het uitsluitend is gericht tegen de brief van de arbeidsdeskundige van 16 november 2006. Door desalniettemin op het bezwaar te beslissen alsof dit was gericht tegen het primaire besluit van 28 november 2006 heeft verweerder de grondslag van het bezwaar verlaten, hetgeen in strijd is met artikel 7:11 van de Awb. Het vorenstaande klemt temeer nu deze wijze van besluitvorming is ingegeven door de vooropgezette bedoeling om te ontkomen aan de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar, zoals deze voortvloeit uit de artikelen 1:3 en 7:1 van de Awb, welke artikelen dwingendrechtelijk van aard zijn.

12. Het vorenstaande brengt met zich dat het besluit op bezwaar in aanmerking komt voor vernietiging wegens strijd met evenvermelde wetsartikelen.

13. Aangezien het vorenstaande reeds leidt tot gegrondverklaring van het beroep, komt de rechtbank niet meer toe aan de beoordeling van hetgeen door eiser is aangevoerd.

14. Nu verweerder met inachtneming van deze uitspraak geen ander besluit mag nemen dan het bij hem gemaakte bezwaar tegen de brief van de arbeidsdeskundige niet-ontvankelijk verklaren, ziet de rechtbank aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb op de hierna vermelde wijze zelf in de zaak te voorzien.

15. Nu het beroep gegrond wordt verklaard, acht de rechtbank termen aanwezig verweerder onder toepassing van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten zijn met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht en de daarbij behorende bijlage begroot op in totaal € 644,- voor kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand:

• 1 punt voor het indienen van een (aanvullend) beroepschrift;

• 1 punt voor het verschijnen ter zitting;

• waarde per punt € 322,-;

• wegingsfactor 1.

16. Tevens zal de rechtbank bepalen dat door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan eiser het door hem gestorte griffierecht ad € 39,- dient te worden vergoed.

17. Beslist wordt als volgt.

Beslissing

De rechtbank,

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit op bezwaar van 31 mei 2007;

- verklaart het bezwaar tegen de brief van 16 november 2006 niet-ontvankelijk;

- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit op bezwaar;

- veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten, vastgesteld op € 644,00;

- wijst het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan als de rechtspersoon die het bedrag van de proceskosten dient te vergoeden;

- bepaalt dat het bedrag van de proceskosten moet worden voldaan aan de griffier;

- gelast het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan eiser het door hem gestorte griffierecht ten bedrage van € 39,- te vergoeden.

Aldus gedaan door mr. E.H.B.M. Potters als rechter in tegenwoordigheid van mr. P.A.M. Laro als griffier en uitgesproken in het openbaar op 3 maart 2008.

Belanghebbenden kunnen tegen deze uitspraak binnen zes weken na de datum van toezending hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep, postbus 16002,

3500 DA Utrecht.

Afschriften verzonden: