Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2008:BC6911

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
03-03-2008
Datum publicatie
18-03-2008
Zaaknummer
AWB 07/3779
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Aanvang bezwaartermijn na foutieve verzending van besluit. Artikel 6:11 van de Awb is van openbare orde. De rechter conformeert zich niet aan een door verweerder ten onrechte verschoonbaar geachte termijnoverschrijding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ’s-HERTOGENBOSCH

Sector bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 07/3779

Uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 maart 2008

inzake

[eiser],

te [woonplaats],

eiser,

gemachtigde E. Bobeldijk,

tegen

Zorgkantoor Zuidoost-Brabant,

te Tilburg,

verweerder,

gemachtigde mr. N. Baytemir.

Procesverloop

Bij besluit van 26 mei 2005 heeft verweerder de budgetafrekening met betrekking tot het persoonsgebonden budget (hierna: PGB) van eiser over het jaar 2004 vastgesteld. Het over de periode van 1 mei 2004 tot en met 31 december 2004 verleende PGB wordt ingetrokken en teruggevorderd tot een bedrag van € 2.040,87.

Bij besluit van 21 juli 2005 heeft verweerder de budgetafrekening met betrekking tot het PGB van eiser over het jaar 2005 vastgesteld. Het over de periode van 1 januari 2005 tot en met 5 november 2005 verleende PGB wordt ingetrokken en teruggevorderd tot een bedrag van € 1.429,57.

Tegen deze beide primaire besluiten is namens eiser op 20 augustus 2005 bezwaar gemaakt bij verweerder.

Bij besluit van 27 december 2006 heeft verweerder eisers bezwaar, voor zover gericht tegen het besluit van 21 juli 2005, ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 11 september 2007, AWB 07/408, heeft de rechtbank eisers beroep tegen het besluit op bezwaar van 27 december 2006 gegrond verklaard en dit besluit vernietigd. Voorts heeft de rechtbank zelf in de zaak voorzien door het primaire besluit van 21 juli 2005 te herroepen.

Tevens heeft de rechtbank in de hiervoor vermelde uitspraak van 11 september 2007, AWB 07/408, overwogen dat verweerder in zijn besluit van 27 december 2006 met geen woord heeft gerept heeft over het bezwaar tegen het besluit van 26 mei 2005. Verweerder zal op dit bezwaar met voortvarendheid moeten beslissen, waarbij verweerder de verschoonbaarheid van de overschrijding van de bezwaartermijn dient te onderzoeken.

Bij besluit van 19 oktober 2007 heeft verweerder het bezwaar tegen het primaire besluit van 26 mei 2005 ongegrond verklaard.

Namens eiser is beroep ingesteld tegen het besluit op bezwaar van 19 oktober 2007.

De zaak is behandeld ter zitting van 28 februari 2008, waar eisers gemachtigde is verschenen. Verweerder is verschenen bij gemachtigde.

Overwegingen

1. Aan de orde is de vraag of het besluit op bezwaar van 19 oktober 2007, waarbij eisers bezwaar tegen het primaire besluit van 26 mei 2005 ongegrond is verklaard, in rechte stand kan houden.

2. Daarbij merkt de rechtbank allereerst op dat de bepalingen over de ontvankelijkheid van bezwaar en beroep, zoals deze zijn opgenomen in de Algemene wet bestuursrecht (Awb), van openbare orde zijn. De rechtbank dient dan ook ambtshalve te beoordelen of verweerder het namens eiser eerst op 20 augustus 2005 ingediende bezwaar tegen het primaire besluit van 26 mei 2005 terecht ontvankelijk heeft verklaard, waarbij verweerder heeft geoordeeld dat er sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding.

3. De rechtbank overweegt als volgt.

4. Ingevolge artikel 6:7 van de Awb bedraagt de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift zes weken. In artikel 6:8, eerste lid, van de Awb is bepaald dat deze termijn aanvangt met ingang van de dag na die waarop het besluit op de voorgeschreven wijze bekend is gemaakt.

5. Blijkens het bepaalde in artikel 6:9 van de Awb is een bezwaarschrift tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn is ontvangen, dan wel, bij verzending per post, indien het voor het einde van de termijn ter post is bezorgd, mits het niet later dan een week na afloop van de termijn is ontvangen.

6. Ingevolge artikel 6:11 van de Awb blijft ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend bezwaarschrift niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege, indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.

7. Eiser lijdt aan multiple sclerose en heeft tevens psychische problemen, waaronder vergeetachtigheid en het niet kunnen accepteren van zorg door zijn echtgenote of een ander. In 2001 of 2002 is eiser - met verlating van zijn echtgenote - verhuisd naar het adres [adres] te [woonplaats], waar hij zelfstandig woonachtig was in een flat. Vervolgens is eiser in 2004 of 2005 opgenomen in verpleeghuis [verpleeghuis] te [woonplaats]. Gebleken is dat verweerder het primaire besluit van 26 mei 2005 heeft verzonden aan eisers oude adres, [adres] te [woonplaats], hoewel verweerder tijdig in kennis was gesteld van eisers verhuizing naar het verpleeghuis. Daarna is dit primaire besluit geretourneerd aan verweerder, waarna het alsnog is toegezonden aan eiser in het verpleeghuis. Eisers gemachtigde, zijn echtgenote, haalde daar één maal per week de post op en zij heeft het primaire besluit pas op 6 juli 2005 onder ogen gekregen.

8. De rechtbank stelt vast dat verweerder het primaire besluit van 26 mei 2006 op onjuiste wijze bekend heeft gemaakt door het toe te sturen naar eisers oude adres, hoewel eiser verweerder tijdig in kennis had gesteld van zijn verhuizing naar het verpleeghuis. De rechtbank overweegt dat in een dergelijk geval de bezwaartermijn is gaan lopen op het moment dat het besluit alsnog daadwerkelijk op het juiste adres is ontvangen en wijst in dit verband op de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 22 augustus 2001, LJN: AD5019. De rechtbank stelt in dit geval vast dat het besluit in ieder geval uiterlijk op 6 juli 2005 is ontvangen op eisers woonadres in het verpleeghuis, nu eisers gemachtigde immers op 6 juli 2005 dit besluit bij eiser heeft aangetroffen. Uitgaande van die datum als ontvangstdatum verloopt de termijn voor het maken van bezwaar op 17 augustus 2005. Gelet op de datering van het bezwaarschrift op 20 augustus 2005 moet worden geconstateerd dat dit bezwaarschrift niet is ingediend binnen de uit artikel 6:7 van de Awb voortvloeiende termijn van zes weken

9. Door eisers gemachtigde is ter verklaring van de termijnoverschrijding, kort samengevat, aangevoerd dat zij veel tijd nodig had om een en ander uit te zoeken en dat zij daarbij tevergeefs mensen heeft moeten benaderen om haar daarbij te helpen. De rechtbank ziet hierin geen reden om met toepassing van artikel 6:11 van de Awb de geconstateerde termijnoverschrijding in bezwaar verschoonbaar te achten. Immers, niet gebleken is dat eisers gemachtigde buiten staat was in ieder geval tijdig een pro forma bezwaarschrift in te (laten) dienen.

10. Uit het voorgaande volgt dat verweerder het bezwaar tegen het primaire besluit van 26 mei 2005 niet-ontvankelijk had moeten verklaren. De beslissing op bezwaar verdraagt zich dan ook niet met de hiervoor vermelde artikelen van de Awb inzake de in acht te nemen bezwaartermijn en dient dan ook, onder gegrondverklaring van het beroep, te worden vernietigd wegens strijd met deze algemeen verbindende voorschriften.

11. De omstandigheid dat verweerder de overschrijding van de bezwaartermijn verschoonbaar heeft geacht en eiser wel in zijn bezwaar heeft ontvangen maakt het vorenstaande niet anders. Immers, zoals hiervoor reeds overwogen zijn de bepalingen inzake de ontvankelijkheid van het bezwaar van openbare orde, zodat de rechtbank daarover ambtshalve dient te oordelen. In dit verband wijst de rechtbank op de memorie van antwoord aan de Tweede Kamer van de Staten Generaal bij artikel 8:69 van de Awb, waarin is uitgesproken dat regels inzake bevoegdheid en ontvankelijkheid van openbare orde zijn en dat de rechter zich niet zal conformeren aan een ten onrechte verschoonbaar geachte termijnoverschrijding. De rechtbank sluit hiermee aan bij de uitspraak van de CRvB van 31 januari 2003, LJN: AF5072.

12. De rechtbank acht termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:72, vierde lid, van de Awb, in dier voege dat de rechtbank zal bepalen dat het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit alsnog niet-ontvankelijk zal worden verklaard en dat deze uitspraak voor het te vernietigen besluit op bezwaar in de plaats zal treden.

13. De rechtbank ziet geen aanleiding te bepalen dat de proceskosten moeten worden vergoed, nu van professionele rechtsbijstand in de zin van het Besluit proceskosten bestuursrecht geen sprake is.

14. Wel zal de rechtbank bepalen dat verweerder het door eiser gestorte griffierecht ad € 39,00 dient te vergoeden.

15. Beslist wordt als volgt.

Beslissing

De rechtbank,

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit op bezwaar van 19 oktober 2007;

- verklaart het bezwaar tegen het primaire besluit van 26 mei 2005 niet-ontvankelijk;

- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit op bezwaar;

- gelast verweerder aan eiser te vergoeden het door hem gestorte griffierecht ad € 39,00;

Aldus gedaan door mr. E.H.B.M. Potters als rechter in tegenwoordigheid van

mr. P.A.M. Laro als griffier en uitgesproken in het openbaar op 3 maart 2008.

Belanghebbenden kunnen tegen deze uitspraak binnen zes weken na de datum van toezending hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep, postbus 16002,

3500 DA Utrecht.

Afschriften verzonden: