Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2008:BC6881

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
19-02-2008
Datum publicatie
17-03-2008
Zaaknummer
AWB 06/4533
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Voor motivering van afwijzend besluit op Wob-verzoek kan niet worden volstaan met verwijzing naar beslissing van rechter, gegeven met toepassing van 8:29 van de Awb ten aanzien van hetzelfde document. Rechtbank voorziet zelf in de zaak door het document deels zelf te openbaren door middel van aanhechting als bijlage bij haar uitspraak.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ’s-HERTOGENBOSCH

Sector bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 06/4533

Uitspraak van de meervoudige kamer van 19 februari 2007

inzake

[eiser 1 en 2],

te [woonplaats],

eisers,

gemachtigde G.J. van der Koogh,

tegen

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Schijndel,

verweerder,

gemachtigde mr. M.H.P. Claassen.

Procesverloop

Bij besluit van 24 mei 2006 heeft verweerder afwijzend beslist op het verzoek van eisers om een afschrift te verstrekken van het besluit van 6 april 2004, aangeduid als stuk nr. 11 in de lijst, gevoegd bij verweerders brief aan de rechtbank van 7 maart 2006, kenmerk CST/06.004517.

Tegen dit besluit hebben eisers bij verweerder bezwaar gemaakt.

Tegen het niet tijdig beslissen op het bezwaar hebben eisers bij brief van 10 november 2006 beroep ingesteld bij de rechtbank.

Bij besluit van 2 januari 2007 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.

De zaak is behandeld op de zitting van 31 januari 2008, waar eiser is verschenen in persoon, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder is verschenen bij gemachtigde.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 6:20, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) wordt het beroep van eisers geacht mede te zijn gericht tegen verweerders besluit van 2 januari 2007 tot ongegrondverklaring van hun bezwaar. Nu de rechtbank niet is gebleken dat eisers er nog belang hebben dat hun beroep, voor zover het is gericht tegen het niet tijdig nemen van een beslissing op hun bezwaar gegrond wordt verklaard, dient dit beroep in zoverre, wegens het ontbreken van procesbelang, niet-ontvankelijk te worden verklaard.

2. Verweerder heeft de weigering om aan eisers een afschrift te verstrekken van het door hen verlangde document in zowel het besluit in primo als het bestreden besluit van 2 januari 2007 enkel gemotiveerd met een verwijzing naar de beslissingen van de rechtbank en de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de ABRS), genomen op grond van artikel 8:29 van de Awb, inzake het door eisers ingestelde (hoger) beroep met betrekking tot een aan hen gericht besluit tot bestuurlijke handhaving. In deze beslissingen is ten aanzien van onder meer het in geding zijnde document bepaald dat de beperking van de kennisneming tot uitsluitend de rechtbank, onderscheidenlijk de ABRS, zoals door verweerder op de voet van artikel 8:29, eerste lid, van de Awb was medegedeeld, gerechtvaardigd is.

3. Met eisers is de rechtbank van oordeel dat verweerder met een verwijzing naar deze beslissingen niet kon volstaan. Hoewel aan verweerder kan worden toegegeven dat de maatstaf die de bestuursrechter op grond van artikel 8:29, tweede lid, van de Awb, dient aan te leggen, meebrengt dat mede wordt beoordeeld of de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) tot openbaarmaking van het desbetreffende stuk verplicht, ontslaat dit verweerder niet van zijn verplichting om, indien een afzonderlijk verzoek om openbaarmaking van dat stuk wordt gedaan, (nogmaals) zelfstandig te onderzoeken of zich een aan de Wob te ontlenen grond voordoet de gevraagde informatie niet te verstrekken. Zijn besluit op dat verzoek dient voorts van dat onderzoek blijk te geven door een inhoudelijke motivering dienaangaande.

Hierbij is in aanmerking genomen dat de Wob, wat de gronden betreft die tot afwijzing van een verzoek om openbaarmaking kunnen leiden, in een aantal gevallen een afweging door het bestuursorgaan vereist van het met de openbaarmaking te dienen belang tegenover belangen die zich tegen openbaarmaking kunnen verzetten. De rechtbank verwijst in dit verband naar artikel 10, tweede lid, van de Wob. Deze door het bestuursorgaan te verrichten afweging dient door de rechter met een zekere terughoudendheid te worden getoetst. Ook artikel 11 van de Wob kent modaliteiten van openbaarmaking waaraan een, door de rechter marginaal te toetsen, belangenafweging vooraf dient te gaan. Gelet hierop staat met de in het kader van artikel 8:29 van de Awb door de rechter verrichte toetsing aan de criteria van de Wob niet zonder meer vast dat de informatie waarvan de beperkte kennisneming gerechtvaardigd wordt geacht, door het bestuursorgaan niet kan worden verstrekt, indien daartoe een afzonderlijk verzoek op grond van de Wob wordt gedaan.

4. Nu het bestreden besluit geen blijk geeft van een onderzoek als hiervoor bedoeld, is het niet voorzien van een deugdelijke motivering en daarom genomen in strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb. Het beroep, voor zover ontvankelijk, is derhalve gegrond, zodat het bestreden besluit dient te worden vernietigd.

5. De rechtbank ziet evenwel aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb op de hierna te vermelden wijze zelf te voorzien in de zaak. Daartoe wordt als volgt overwogen.

6. De rechtbank heeft met toestemming van eisers als bedoeld in artikel 8:29, vijfde lid, van de Awb kennisgenomen van het onderhavige document. De rechtbank heeft aldus kunnen vaststellen dat het door eisers - in navolging overigens van verweerder - als “besluit” aangemerkte document een ambtelijke nota betreft, die onmiskenbaar is opgesteld ten behoeve van intern beraad en de persoonlijke beleidsopvattingen van de opsteller bevat. Zoals door verweerder ter zitting met juistheid is betoogd verzet artikel 11, eerste lid, van de Wob zich tegen openbaarmaking van de nota. Ter zitting is door verweerder voorts aannemelijk gemaakt dat openbaarmaking van de nota overeenkomstig artikel 11, tweede lid, van de Wob in niet tot personen herleidbare vorm niet goed mogelijk is, nu eisers bekend mogen worden verondersteld met degenen binnen het gemeentelijke ambtenarenapparaat die zich met de handhavingskwestie bezig hebben gehouden. Evenmin is gebleken dat aan de in laatstgenoemd artikellid genoemde vereisten is voldaan om deze informatie niettemin in tot personen herleidbare vorm openbaar te maken. Verweerder heeft de openbaarmaking van de nota derhalve terecht, zij het op onjuiste gronden, achterwege gelaten.

7. De rechtbank heeft voorts vastgesteld dat op het onderhavige document de - niet van enige toelichting voorziene - beslissing van verweerder, gedateerd 6 april 2004, is aangetekend om aan eiser een aanschrijving te doen uitgaan en vervolgens degenen die daarom verzocht hebben, daarover te informeren. Verweerder heeft zich in zijn verweerschrift op het standpunt gesteld dat de inhoud van dit besluit kenbaar is uit de aan eisers op 20 april 2004 toegezonden brief, inhoudende de vooraankondiging van handhavend optreden, welke brief immers het directe uitvloeisel is van de op het onderhavige document aangetekende beslissing van 6 april 2004. Hiervan uitgaande vermag de rechtbank niet in te zien, op grond van welke aan de Wob te ontlenen grond aan eisers de openbaarmaking kan worden onthouden van deze beslissing. Daarbij is in aanmerking genomen dat deze beslissing zeer wel aan eiser kan worden kenbaar gemaakt, door hem een afschrift te verstrekken van het onderhavige document, waarbij de inhoud van de ambtelijke nota die evenzeer in het document is vervat, onleesbaar is gemaakt. De rechtbank ziet hierin aanleiding zelf in de zaak voorzien door, onder gegrondverklaring van het bezwaar en herroeping van het primaire besluit, eisers op de hiervoor beschreven wijze in het bezit te stellen van een afschrift van het document.

8. De rechtbank acht termen aanwezig verweerder te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten zijn met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht en de daarbij behorende bijlage begroot op in totaal € 966,00 voor kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand:

• 1 punt voor het indienen van een (aanvullend) beroepschrift;

• 1 punt voor het verschijnen ter zitting;

• 1 punt voor het indienen van een (aanvullend) bezwaarschrift;

• waarde per punt € 322,00

• wegingsfactor 1.

Daarbij is in aanmerking genomen dat eisers overeenkomstig artikel 7:15, derde lid, van de Awb aan verweerder hebben verzocht de proceskosten, gemaakt in verband met de behandeling van het bezwaar, te vergoeden en dat voorts aan de daarvoor in het tweede lid van dit artikel gestelde voorwaarden is voldaan.

9. Tevens zal de rechtbank bepalen dat de gemeente Schijndel aan eisers het door hen gestorte griffierecht ten bedrage van € 141,00 dient te vergoeden.

Beslissing

De rechtbank,

- verklaart het beroep niet-ontvankelijk, voor zover het is gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit op het door eisers gemaakte bezwaar;

- verklaart het beroep voor het overige gegrond;

- vernietigt het besluit van 2 januari 2007;

- verklaard het bezwaar van eisers, gericht tegen verweerders besluit van 24 mei 2006, gegrond;

- herroept het besluit van 24 mei 2006 in dier voege, dat aan eisers het door hen verlangde document in afschrift wordt verstrekt, zoals dit als bijlage bij deze uitspraak is gevoegd;

- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

- bepaalt dat de gemeente Schijndel aan eisers het door hen gestorte griffierecht dient te vergoeden ten bedrage van € 141,00;

- veroordeelt verweerder in de door eisers gemaakte proceskosten vastgesteld op € 966,00;

- wijst de gemeente Schijndel aan als de rechtspersoon die de proceskosten dient te vergoeden.

Aldus gedaan door mr. W.C.E. Winfield, voorzitter, en mr. P.H.M.C. Schoemaker en mr. N.H.J.M. Veldman-Gielen, leden, in tegenwoordigheid van mr. E.A. Vermunt, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 19 februari 2008.