Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2008:BC6645

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
17-03-2008
Datum publicatie
17-03-2008
Zaaknummer
01/825244-07
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Van november/december 2006 tot en met april 2007 met een ander uit puur winstbejag diploma's en getuigschriften valselijk opmaken, bestraft met een werkstraf van 200 uur met aftrek van voorarrest, een geldboete 5.000,- euro en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

verkort vonnis

RECHTBANK 'S-HERTOGENBOSCH

Sector Strafrecht

Parketnummer: 01/825244-07

Datum uitspraak: 17 maart 2008

Verkort vonnis van de rechtbank ’s-Hertogenbosch, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] ([geboorteland]) op [geboortedatum] 1958,

wonende te [woonplaats], [adres].

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 3 maart 2008.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 1 februari 2008.

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

zij op meerdere, althans op één tijdstip(pen) gelegen in of omstreeks de periode van

01 september 2006 tot en met 23 april 2007 te Waalre en/of te Eindhoven en/of te Rotterdam, in elk geval in Nederland, (telkens) tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, telkens (een) (onderwijs)diploma(s) en/of (een) getuigschrift(en) - zijnde (telkens) (een) geschrift(en) dat/die bestemd was/waren om tot bewijs van enig feit te dienen - valselijk heeft opgemaakt of vervalst, zulks (telkens) met het oogmerk om dat/die geschrift(en) als echt en onvervalst te gebruiken of door (een) ander(en) te doen gebruiken;

Voorzover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

De geldigheid van de dagvaarding.

De raadsman van verdachte heeft ter terechtzitting betoogd dat de tenlastelegging een lacune bevat, aangezien niet beschreven wordt waaruit de handeling ‘valselijk opmaken’ heeft bestaan. Deze lacune staat een veroordeling in de weg, aldus de raadsman. De rechtbank begrijpt het verweer aldus dat de raadsman de tenlastelegging onvoldoende feitelijk vindt en derhalve concludeert tot de nietigheid van de dagvaarding. De officier van justitie heeft aangevoerd dat op basis van het dossier voldoende duidelijk is waarvan verdachte beschuldigd wordt en dat voorts voor de handeling ‘vervalsen’ een nadere verfeitelijking niet nodig is. De rechtbank overweegt het volgende. Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat de handeling ‘vervalsen’ niet verder feitelijk hoeft te worden uitgelegd. Anders is dit voor de handeling ‘valselijk opmaken’, welke handeling in beginsel wel nadere verfeitelijking behoeft. De functie van de tenlastelegging, welke onderdeel uitmaakt van de dagvaarding, is immers om de verdachte te informeren omtrent de strafbare handelingen waarvan hij of zij beschuldigd wordt. Op die manier weet de verdachte waartegen hij of zij zich te verdedigen heeft. Nu de tenlastelegging vermeldt dat het om diploma’s en getuigschriften gaat ten aanzien waarvan telkens (nagenoeg) dezelfde handelingen hebben plaatsgevonden en voorts ter terechtzitting niet is gebleken van enige onduidelijkheid omtrent de aan verdachte verweten feitelijke handelingen, is de rechtbank van oordeel dat het voor verdachte voldoende duidelijk is wat het verwijt is waartegen zij zich heeft te verdedigen. Door het ontbreken van een nadere verfeitelijking van de handeling ‘valselijk opmaken’ is de verdediging derhalve in casu niet in haar belangen geschaad. De rechtbank verwerpt derhalve het verweer van de raadsman en oordeelt dat de dagvaarding aan alle wettelijke eisen voldoet.

De bevoegdheid van de rechtbank.

Krachtens de wettelijke bepalingen is de rechtbank bevoegd van het tenlastegelegde kennis te nemen.

De ontvankelijkheid van de officier van justitie.

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen omstandigheden gebleken, die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan.

Schorsing der vervolging.

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen gronden voor schorsing der vervolging gebleken.

Bewijsoverwegingen.

Mate van betrokkenheid van verdachte bij het tenlastegelegde feit

Door de raadsman is betoogd dat het aandeel van zijn cliënte bij het tenlastegelegde feit zich beperkt heeft tot het beschikbaar stellen van haar naam en handtekening en het verrichten van hand- en spandiensten toen haar man de door de tv-uitzending onstane vraag niet meer alleen aankon. Om die reden kan, zo het al tot een bewezenverklaring komt, zijn cliënte hooguit medeplichtigheid aan het strafbare feit verweten worden, aldus de raadsman. De rechtbank verwerpt dit verweer en overweegt hieromtrent het volgende. Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit de bewijsmiddelen inderdaad niet dat verdachte zelf documenten valselijk heeft opgemaakt. Uit de bewijsmiddelen blijkt echter wel dat verdachte advertenties op internet heeft geplaatst, waarin diploma’s te koop werden aangeboden, telefoontjes en e-mails van kopers heeft beantwoord, bestelformulieren heeft ingevuld en valselijk opgemaakte diploma’s heeft ondertekend. Bovendien blijkt uit diverse tapgesprekken dat verdachte door [medeverdachte 1] ‘zijn assistente’ wordt genoemd en dat zij door [medeverdachte 1] regelmatig geraadpleegd wordt aangaande concrete bestellingen. Voorts blijkt uit het proces-verbaal van het observatieteam van 1 april 2007 dat verdachte aanwezig was bij de overdracht van een vervalst geschrift. Ten slotte heeft verdachte gedeeld in de opbrengst van het tenlastegelegde feit. Zij heeft immers verklaard dat medeverdachte en zij ongeveer 16.000 euro verdiend hebben. Op basis van bovengenoemde bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, komt de rechtbank tot de conclusie dat er tussen verdachte en [medeverdachte 1] een zodanige bewuste en nauwe samenwerking bestaat dat sprake is van het medeplegen van het strafbare feit.

Geschrift dat bestemd is om tot bewijs van enig feit te dienen

De raadsman heeft als verweer aangevoerd dat de diploma’s die zijn cliënte en haar medeverdachte maakten niet voor echt konden doorgaan, dat de afnemers van de onechtheid op de hoogte waren en dat daarnaast de diploma’s niet ondertekend waren door de geëxamineerde. Om die redenen kunnen de door zijn cliënte geleverde stukken niet worden beschouwd als ‘akten die tot het bewijs van enig feit dienen’ en derhalve dient zijn cliënte te worden vrijgesproken nu niet is voldaan aan de door de wet in artikel 225 lid 1 Wetboek van Strafrecht gestelde delictsomschrijving, aldus de raadsman. De rechtbank verwerpt dit verweer en overweegt hiertoe het volgende. Voor zover de raadsman heeft bedoeld verweer te voeren tegen het feit dat de mede door zijn cliënte vervaardigde stukken niet kunnen worden beschouwd als akten die tot het bewijs van enig feit dienen, merkt de rechtbank op dat dit verweer geen doel treft, nu aan verdachte niet is tenlastegelegd dat zij akten valselijk heeft opgemaakt dan wel vervalst. De rechtbank begrijpt het verweer van de raadsman echter aldus, dat hij betoogd heeft dat de (mede) door zijn cliënte vervaardigde stukken niet kunnen worden beschouwd als geschriften die tot het bewijs van enig feit dienen. De rechtbank constateert in dit verband dat de (mede) door verdachte valselijk opgemaakte diploma’s van een zodanige kwaliteit zijn dat deze in het maatschappelijk verkeer als echt en onvervalst zouden kunnen worden gebruikt en derhalve op zichzelf reeds geschikt moeten worden geacht om tot bewijs van enig feit, zoals bedoeld in artikel 225 lid 1 van het Wetboek van Strafrecht, te dienen. Het feit dat de geëxamineerde zijn of haar handtekening nog niet had geplaatst doet hieraan niet af. Ook de opmerking van de raadsman dat de afnemers van de onechtheid van de diploma’s op de hoogte waren is in dit verband niet relevant, aangezien de tenlastelegging het gebruiken en doen gebruiken behelst. De rechtbank verwerpt derhalve het verweer van de raadsman.

Vervalsen of valselijk opmaken?

De officier van justitie heeft betoogd dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan het vervalsen van onderwijsdiploma’s en andere getuigschriften. De rechtbank merkt op dat vervalsen een bestaand geschrift met bewijsbestemming vereist, welk geschrift vervolgens zodanig wordt veranderd dat het daarna vals is. Valselijk opmaken daarentegen is het opstellen van een nieuw, vals geschrift of het vervolmaken van een geschrift dat nog niet af was. De rechtbank constateert dat verdachte en [medeverdachte 1] nieuwe, valse geschriften hebben opgesteld. Het gegeven dat zij dit – grotendeels – deden naar het voorbeeld van reeds bestaande echte diploma’s en getuigschriften, neemt niet weg dat zij steeds nieuwe, voorheen nog niet bestaande, documenten vervaardigden. De rechtbank is om die reden, anders dan de officier van justitie, van oordeel dat verdachte geschriften valselijk heeft opgemaakt, zoals hierna bewezenverklaard.

De bewezenverklaring.

De rechtbank acht, op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte

op tijdstippen gelegen in de periode van 1 september 2006 tot en met 23 april 2007

te Waalre en/of te Eindhoven en/of te Rotterdam, in elk geval in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander, onderwijsdiploma’s en getuigschriften –

zijnde telkens geschriften die bestemd waren om tot bewijs van enig feit te dienen

– valselijk heeft opgemaakt, zulks telkens met het oogmerk om die geschriften als

echt en onvervalst te gebruiken of door (een) ander(en) te doen gebruiken.

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De kwalificatie.

Het bewezenverklaarde levert op het in de uitspraak vermelde strafbare feit.

De strafbaarheid.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van het feit of van de verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen te hare laste bewezen is verklaard.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen 9, 10, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 23, 24, 24c, 27, 47, 57 en 225 van het Wetboek van Strafrecht.

DE OVERWEGINGEN DIE TOT DE BESLISSING HEBBEN GELEID

De eis van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden met aftrek van voorarrest, waarvan 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar.

Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.

De op te leggen straffen.

Bij de beslissing over de straffen die aan verdachte dienen te worden opgelegd heeft de rechtbank gelet op de aard van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, waaronder haar draagkracht.

Bij de strafoplegging zal de rechtbank enerzijds – ten bezware van verdachte – rekening houden met de ernst van het strafbare feit. Verdachte heeft immers gedurende een lange periode, te weten van november/december 2006 tot en met april 2007, vele diploma’s en getuigschriften valselijk opgemaakt. Door het handelen van verdachte hebben diverse personen kunnen beschikken over diploma’s, zonder de betreffende opleiding te hebben gevolgd. Dankzij verdachte beschikten deze personen aldus over een diploma, terwijl zij niet op de voorgeschreven wijze hebben aangetoond de kennis en vaardigheden te bezitten op basis waarvan een dergelijk diploma normaliter zou worden uitgereikt. Het feit dat deze personen volgens eigen zeggen, dan wel naar het oordeel van verdachte, zouden beschikken over de capaciteiten om voor een dergelijk diploma in aanmerking te komen, is niet relevant en kan geen rechtvaardiging vormen voor het valselijk opmaken en (doen) gebruiken van dat diploma. De maatschappij heeft er immers groot belang bij om te kunnen vertrouwen op de echtheid van diploma’s en andere getuigschriften, nu dit soort geschriften de aanwezigheid van bepaalde kennis en vaardigheden veronderstelt bij de bezitter ervan. Verdachte heeft aldus door haar handelen het vertrouwen dat de maatschappij moet kunnen hebben in de echtheid van diploma’s en getuigschriften in ernstige mate geschaad. Dit is verdachte des te meer aan te rekenen nu zij kennelijk slechts heeft gehandeld uit puur winstbejag en zich daarbij niet heeft bekommerd om de gevolgen van haar handelen.

Anderzijds zal de rechtbank bij de strafoplegging – ten voordele van verdachte – rekening houden met de omstandigheid dat verdachte nooit eerder ter zake van een strafbaar feit, soortgelijk aan het onderhavige, werd veroordeeld. Aan verdachte wordt een lagere straf opgelegd dan aan haar medeverdachte, aangezien zij zich gedurende een korte periode aan het strafbare feit heeft schuldig gemaakt en haar medeverdachte de initiatiefnemer tot het plegen van het feit is geweest.

De rechtbank zal aan verdachte een gevangenisstraf van na te melden duur opleggen, maar zij zal bepalen dat – anders dan door de officier van justitie geëist – die straf niet zal worden tenuitvoergelegd, mits verdachte zich tot het einde van de hierna vast te stellen proeftijd aan de voorwaarde houdt dat zij zich niet aan een strafbaar feit zal schuldig maken. De rechtbank heeft hierbij rekening gehouden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte en in het bijzonder met het feit dat zij vanwege deze strafzaak is ontslagen. De rechtbank wil met het opleggen van een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf enerzijds de ernst van het door verdachte gepleegde strafbare feit tot uitdrukking brengen en anderzijds door invloed uit te oefenen op het gedrag van de verdachte het door verdachte opnieuw plegen van een strafbaar feit tegengaan.

De rechtbank legt derhalve geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf op, terwijl zij een dergelijke straf in dit geval wel passend vindt. Mede ter compensatie hiervan en om de ernst van het door verdachte gepleegde strafbare feit tot uitdrukking te brengen, zal de rechtbank aan verdachte een werkstraf van na te melden duur, alsmede een geldboete van na te melden hoogte opleggen.

Beslag.

Nu de in het kader van het strafrechtelijk onderzoek in beslag genomen voorwerpen onder [medeverdachte 1] zijn in beslag genomen, behoeft de rechtbank in deze zaak niet over het beslag te beslissen en derhalve ook niet te reageren op het verzoek van de raadsman hieromtrent.

DE UITSPRAAK

Verklaart het tenlastegelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt haar daarvan vrij.

Het bewezenverklaarde levert op het misdrijf:

medeplegen van valsheid in geschrift, meermalen gepleegd.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

BESLISSING:

* Werkstraf voor de duur van 200 uren subsidiair 100 dagen hechtenis met aftrek overeenkomstig artikel 27 Wetboek van Strafrecht.

De rechtbank waardeert een in verzekering en in voorlopige hechtenis doorgebrachte dag op 2 uur te verrichten arbeid;

* Geldboete van EUR 5000,00 (zegge: vijfduizend euro), subsidiair 55 dagen hechtenis;

* Gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van

2 jaren.

Opheffing van het tegen verdachte verleende bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van heden. Deze voorlopige hechtenis is op 3 mei 2007 reeds geschorst.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. J.A. van Biesbergen, voorzitter,

mr. J.M.P. Willemse en mr. A.B. Baumgarten, leden,

in tegenwoordigheid van mr. J.J. Schreurs, griffier,

en is uitgesproken op 17 maart 2008.

Mr. Van Biesbergen en mr. Baumgarten zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

8

Parketnummer: 01/825244-07

[verdachte]