Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2008:BC6637

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
17-03-2008
Datum publicatie
17-03-2008
Zaaknummer
01/839154-07
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Van september 2006 tot en met april 2007 uit puur winstbejag met een ander diploma's en getuigschriften valselijk opmaken, bestraft met onder meer een werkstraf van 240 uur met aftrek van voorarrest, een geldboete van 10.000,- euro en een voorwaardelijke gevangenisstraf van 12 maanden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

verkort vonnis

RECHTBANK 'S-HERTOGENBOSCH

Sector Strafrecht

Parketnummer: 01/839154-07

Datum uitspraak: 17 maart 2008

Verkort vonnis van de rechtbank ’s-Hertogenbosch, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1960,

wonende te [woonplaats], [adres].

Dit vonnis is op tegenspraak

gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 3 maart 2008.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht

.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 1 februari 2008.

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

hij op meerdere, althans op één tijdstip(pen) gelegen in of omstreeks de periode van

01 september 2006 tot en met 23 april 2007 te Waalre en/of te Eindhoven en/of te Rotterdam, in elk geval in Nederland, (telkens) tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, telkens (een) (onderwijs)diploma(s) en/of (een) getuigschrift(en) - zijnde (telkens) (een) geschrift(en) dat/die bestemd was/waren om tot bewijs van enig feit te dienen - valselijk heeft opgemaakt of vervalst, zulks (telkens) met het oogmerk om dat/die geschrift(en) als echt en onvervalst te gebruiken of door (een) ander(en) te doen gebruiken;

(artikel 225 Wetboek van strafrecht).

Voorzover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

De geldigheid van de dagvaarding.

De dagvaarding voldoet aan alle wettelijke eisen.

De bevoegdheid van de rechtbank.

Krachtens de wettelijke bepalingen is de rechtbank bevoegd van het tenlastegelegde kennis te nemen.

De ontvankelijkheid van de officier van justitie.

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen omstandigheden gebleken, die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan.

Schorsing der vervolging.

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen gronden voor schorsing der vervolging gebleken.

Bewijsoverwegingen.

Geschrift dat bestemd is om tot bewijs van enig feit te dienen

De raadsman heeft als verweer aangevoerd dat zijn cliënt de diploma’s of getuigschriften aan kopers leverde zonder de vereiste handtekening te zetten op de plaats van de geëxamineerde. Zonder deze handtekening kunnen de door zijn cliënt geleverde stukken niet als ‘geschriften, bestemd om tot het bewijs te dienen’ worden beschouwd, aldus de raadsman. De rechtbank verwerpt dit verweer en overweegt hiertoe het volgende. De rechtbank constateert dat de door verdachte valselijk opgemaakte diploma’s van een zodanige kwaliteit zijn dat deze in het maatschappelijk verkeer als echt en onvervalst zouden kunnen worden gebruikt en derhalve op zichzelf reeds geschikt moeten worden geacht om tot bewijs van enig feit, zoals bedoeld in artikel 225 lid 1 van het Wetboek van Strafrecht, te dienen. Het enkele feit dat de geëxamineerde zijn of haar handtekening nog niet had geplaatst doet hieraan niet af.

Het oogmerk

Voorts heeft de raadsman betoogd dat zijn cliënt dient te worden vrijgesproken van het hem tenlastegelegde, aangezien – kort en zakelijk weergegeven – zijn cliënt niet het oogmerk heeft gehad om de door hem gemaakte diploma’s en getuigschriften als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken. De rechtbank verwerpt dit verweer en overweegt hiertoe het volgende. Met betrekking tot het havodiploma op zijn eigen naam heeft verdachte tegenover de politie het volgende verklaard: “Over het maken van diploma’s kan ik vertellen dat ik een keer een diploma nodig had toen ik vorig jaar september (de rechtbank begrijpt: september 2006) solliciteerde bij de [luchtvaartmaatschappij]. Omdat ik geen havodiploma had werd ik niet aangenomen. Daardoor kreeg ik het idee om een havodiploma te gaan namaken.” (p. 545 eindproces-verbaal). Ten aanzien van dit diploma heeft verdachte naar het oordeel van de rechtbank het oogmerk gehad om het als echt en onvervalst te gebruiken, namelijk ten behoeve van zijn sollicitatie. De verklaring van verdachte ter terechtzitting dat hij het diploma tijdens zijn sollicitatie bij [luchtvaartmaatschappij] uiteindelijk niet heeft gebruikt doet aan het bestaan van het oogmerk niet af. Ook ten aanzien van de andere valselijk opgemaakte diploma’s en getuigschriften bevat het eindproces-verbaal diverse elementen op basis waarvan de rechtbank tot het oordeel komt dat verdachte het oogmerk had om deze geschriften als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken. De rechtbank baseert haar oordeel onder andere op de volgende bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien:

- de e-mail die verdachte naar potentiële klanten stuurde, welke e-mail werd aangetroffen op de in beslag genomen computer van verdachte. In deze e-mail meldde verdachte het volgende: “Jouw Diploma is een waardevol en hooggewaardeerd document en zal in de toekomst jouw sollicitaties de solide basis verschaffen die vaak bij andere sollicitanten ontbreekt.” (p. 436 eindproces-verbaal);

- de e-mail die verdachte op 16 februari 2007 om 08:27:14 uur stuurde aan een – kennelijke – potentiële afnemer van een diploma, welke e-mail werd aangetroffen op de in beslag genomen computer van verdachte. In deze e-mail berichtte verdachte aan de potentiële afnemer onder andere het volgende: “Ik heb gewoon mijn vaste prijzen en geloof me ………de documenten zijn het waard, dat zul je zien. (…) Mocht je het voor een nieuwe baan inzetten, dan heb je het zo terug verdiend en stel je moest ECHT de opleiding gaan volgen…….?.......wat denk je dat dat wel niet kost aan zowel tijd als geld!” (p. 468 eindproces-verbaal);

- de verklaring van verdachte tegenover de politie: “U leest mij verschillende tapgesprekken voor waaruit zou blijken dat ik weldegelijk de diploma’s als echt zou willen verkopen en waarin ik de mensen zelfs adviseer hoe ze het diploma moeten gaan gebruiken. Het klopt. Jullie hebben je bevindingen gedaan. Het is voor mij herkenbaar en het komt ook met de waarheid overeen.” (p. 548 eindproces-verbaal);

- de verklaring van [medeverdachte 1] tegenover de politie: “We kregen regelmatig bedankjes van mensen die van ons een diploma hadden gekocht. (…) Ik herinner me wel een bedankje omdat een lening bij de bank door een MEAO diploma was doorgegaan.” (p. 555 eindproces-verbaal);

- de verklaring van [medeverdachte 1] tegenover de politie: “Ik heb wel eens tegen [verdachte] (de rechtbank begrijpt: [verdachte]) gezegd dat al die mensen die diploma’s heus niet aan de muur gaan hangen.” (p. 556 eindproces-verbaal).

Vervalsen of valselijk opmaken?

De officier van justitie heeft betoogd dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan het vervalsen van onderwijsdiploma’s en andere getuigschriften. De rechtbank merkt op dat vervalsen een bestaand geschrift met bewijsbestemming vereist, welk geschrift vervolgens zodanig wordt veranderd dat het daarna vals is. Valselijk opmaken daarentegen is het opstellen van een nieuw, vals geschrift of het vervolmaken van een geschrift dat nog niet af was. De rechtbank constateert dat verdachte nieuwe, valse geschriften heeft opgesteld. Het gegeven dat hij dit – grotendeels – deed naar het voorbeeld van reeds bestaande echte diploma’s en getuigschriften, neemt niet weg dat hij steeds nieuwe, voorheen nog niet bestaande, documenten vervaardigde. De rechtbank is om die reden, anders dan de officier van justitie, van oordeel dat verdachte geschriften valselijk heeft opgemaakt, zoals hierna bewezenverklaard.

De bewezenverklaring.

De rechtbank acht, op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte

op tijdstippen gelegen in de periode van 1 september 2006 tot en met 23 april 2007

te Waalre en/of te Eindhoven en/of te Rotterdam, in elk geval in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander, onderwijsdiploma’s en getuigschriften –

zijnde telkens geschriften die bestemd waren om tot bewijs van enig feit te dienen

– valselijk heeft opgemaakt, zulks telkens met het oogmerk om die geschriften als

echt en onvervalst te gebruiken of door (een) ander(en) te doen gebruiken.

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De kwalificatie.

Het bewezenverklaarde levert op het in de uitspraak vermelde strafbare feit.

De strafbaarheid.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van het feit of van de verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen te zijnen laste bewezen is verklaard.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen 9, 10, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 23, 24, 24c, 27, 33, 33a, 47, 57 en 225 van het Wetboek van Strafrecht.

DE OVERWEGINGEN DIE TOT DE BESLISSING HEBBEN GELEID

De eis van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden met aftrek van voorarrest, waarvan 5 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar.

Voorts vordert de officier van justitie de onttrekking aan het verkeer van alle in beslag genomen goederen, met uitzondering van 19 cd-roms, welke onder punt 12 van de kennisgeving van inbeslagneming worden genoemd.

Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.

De op te leggen straffen.

Bij de beslissing over de straffen die aan verdachte dienen te worden opgelegd heeft de rechtbank gelet op de aard van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, waaronder diens draagkracht.

Bij de strafoplegging zal de rechtbank enerzijds – ten bezware van verdachte – rekening houden met de ernst van het strafbare feit. Verdachte heeft immers gedurende een lange periode, te weten van september 2006 tot en met april 2007, vele diploma’s en getuigschriften valselijk opgemaakt. Door het handelen van verdachte hebben diverse personen kunnen beschikken over diploma’s, zonder de betreffende opleiding te hebben gevolgd. Dankzij verdachte beschikten deze personen aldus over een diploma, terwijl zij niet op de voorgeschreven wijze hebben aangetoond de kennis en vaardigheden te bezitten op basis waarvan een dergelijk diploma normaliter zou worden uitgereikt. Het feit dat deze personen volgens eigen zeggen, dan wel naar het oordeel van verdachte, zouden beschikken over de capaciteiten om voor een dergelijk diploma in aanmerking te komen, is niet relevant en kan geen rechtvaardiging vormen voor het valselijk opmaken en (doen) gebruiken van dat diploma. De maatschappij heeft er immers groot belang bij om te kunnen vertrouwen op de echtheid van diploma’s en andere getuigschriften, nu dit soort geschriften de aanwezigheid van bepaalde kennis en vaardigheden veronderstelt bij de bezitter ervan. Verdachte heeft aldus door zijn handelen het vertrouwen dat de maatschappij moet kunnen hebben in de echtheid van diploma’s en getuigschriften in ernstige mate geschaad. Dit is verdachte des te meer aan te rekenen nu hij kennelijk slechts heeft gehandeld uit puur winstbejag en zich daarbij niet heeft bekommerd om de gevolgen van zijn handelen.

Anderzijds zal de rechtbank bij de strafoplegging – ten voordele van verdachte – rekening houden met de omstandigheid dat verdachte nooit eerder ter zake van een strafbaar feit werd veroordeeld.

De rechtbank zal aan verdachte een gevangenisstraf van na te melden duur opleggen, maar zij zal bepalen dat – anders dan door de officier van justitie geëist – die straf niet zal worden tenuitvoergelegd, mits verdachte zich tot het einde van de hierna vast te stellen proeftijd aan de voorwaarde houdt dat hij zich niet aan een strafbaar feit zal schuldig maken. De rechtbank heeft hierbij rekening gehouden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte en in het bijzonder met het feit dat hij recent een vaste baan heeft gekregen en het feit dat zijn echtgenote, tevens medeverdachte, vanwege deze strafzaak is ontslagen. De rechtbank wil met het opleggen van een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf enerzijds de ernst van het door verdachte gepleegde strafbare feit tot uitdrukking brengen en anderzijds door invloed uit te oefenen op het gedrag van de verdachte het door verdachte opnieuw plegen van een strafbaar feit tegengaan.

De rechtbank legt derhalve geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf op, terwijl zij een dergelijke straf in dit geval wel passend vindt. Mede ter compensatie hiervan en om de ernst van het door verdachte gepleegde strafbare feit tot uitdrukking te brengen, zal de rechtbank aan verdachte een werkstraf van na te melden duur, alsmede een geldboete van na te melden hoogte opleggen.

Beslag.

De rechtbank is van oordeel dat de in het dictum nader te noemen in beslag genomen voorwerpen vatbaar zijn voor verbeurdverklaring, omdat – zoals blijkt uit het onderzoek ter terechtzitting – dit voorwerpen zijn:

- met betrekking tot welke het feit is begaan en deze voorwerpen ten tijde van het begaan van het feit aan verdachte toebehoorden, dan wel

- met behulp van welke het feit is begaan of voorbereid en deze voorwerpen ten tijde van het begaan van het feit aan verdachte toebehoorden, dan wel

- die tot het begaan van het misdrijf zijn vervaardigd of bestemd en deze voorwerpen ten tijde van het begaan van het feit aan verdachte toebehoorden.

De rechtbank zal de teruggave gelasten van de in het dictum nader te noemen in beslag genomen voorwerpen aan verdachte nu naar het oordeel van de rechtbank het belang van strafvordering zich niet meer verzet tegen de teruggave van de in beslag genomen goederen.

DE UITSPRAAK

Verklaart het tenlastegelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Het bewezenverklaarde levert op het misdrijf:

medeplegen van valsheid in geschrift, meermalen gepleegd.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

BESLISSING:

* Werkstraf voor de duur van 240 uren subsidiair 120 dagen hechtenis met aftrek overeenkomstig artikel 27 Wetboek van Strafrecht.

De rechtbank waardeert een in verzekering en in voorlopige hechtenis doorgebrachte dag op 2 uur te verrichten arbeid;

* Geldboete van EUR 10000,00 (zegge: tienduizend euro), subsidiair 80 dagen hechtenis;

* Gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren;

* Verbeurdverklaring van de in beslag genomen goederen, te weten: alle voorwerpen genoemd in de kennisgeving van inbeslagneming op p. 15 en 16 van het eindproces-verbaal, met uitzondering van de onder punt 12 genoemde voorwerpen (19 cd-roms).

Een kopie van deze kennisgeving van inbeslagneming is aan dit vonnis gehecht en hiernaar wordt verwezen;

* Teruggave van de in beslag genomen goederen, te weten: 19 cd-roms (genoemd onder punt 12 in de kennisgeving van inbeslagneming op p. 15 van het eindproces-verbaal).

Een kopie van deze kennisgeving van inbeslagneming is aan dit vonnis gehecht en hiernaar wordt verwezen.

Opheffing van het tegen verdachte verleende bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van heden. Deze voorlopige hechtenis is op 3 mei 2007 reeds geschorst.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. J.A. van Biesbergen, voorzitter,

mr. J.M.P. Willemse en mr. A.B. Baumgarten, leden,

in tegenwoordigheid van mr. J.J. Schreurs, griffier,

en is uitgesproken op 17 maart 2008.

Mr. Van Biesbergen en mr. Baumgarten zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

8

Parketnummer: 01/839154-07

[verdachte]