Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2008:BC6606

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
14-02-2008
Datum publicatie
13-03-2008
Zaaknummer
AWB 07/1547
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Eiseres is geboren op 1 juni 1985. Verzoek Wajong d.d. juni 2006 wordt afgewezen, aanvankelijk omdat, naar verweerder stelt, de arbeidsongeschiktheid pas is ingetreden ná de 17e verjaardag van eiseres en omdat zij in het refertejaar niet studerend was. Naar aanleiding van bij het beroepschrift overgelegde, oude, medische informatie, waaruit duidelijk naar voren komt dat sprake is van een sinds de vroege jeugd van eiseres onderkende, sociale en psychiatrische stoornis wordt aanvullend gerapporteerd. Verweerder komt terug op zijn besluit met betrekking tot de eerste arbeidsongeschiktheidsdag. Zijn besluit blijft niettemin afwijzend, nu op grond van de overweging dat eiseres per datum einde wachttijd (1 juni 2003) in staat moest worden geacht eenvoudig, gestructureerd (lopende band-) werk te doen.

Rechtbank vernietigt het besluit. Verwerpt de FML en de arbeidskundige grondslag van het besluit op grond van mededelingen van de moeder van eiseres en haar begeleiders, die ter zitting hebben verklaard over (de problemen in) het functioneren van eiseres en op grond van een, in beroep overgelegde, schriftelijke verklaring van de werkgever van haar vader.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ’s-HERTOGENBOSCH

Sector bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 07/1547

Uitspraak van de enkelvoudige kamer van 14 februari 2008

inzake

[eiseres],

te [woonplaats],

eiseres,

gemachtigde A.H.M. van der Avort (de moeder van eiseres),

tegen

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv),

te Amsterdam,

verweerder,

gemachtigde E.H.J.A. Olthof, werkzaam bij het Uwv-kantoor te Eindhoven.

Procesverloop

Op 19 juni 2006 heeft eiseres verweerder verzocht om per 1 april 2006 in aanmerking te worden gebracht voor een uitkering ingevolge de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong).

Bij besluit van 22 december 2006 heeft verweerder de eerste arbeidsongeschiktheidsdag vastgesteld op 1 november 2005 en geweigerd eiseres in aanmerking te brengen voor een Wajong-uitkering.

Het tegen dit besluit ingediende bezwaar is bij besluit van 29 maart 2007 ongegrond verklaard.

Tegen laatstgenoemd besluit is beroep ingesteld.

Het beroep is behandeld ter zitting van 26 november 2007, waar eiseres niet is verschenen, maar werd vertegenwoordigd door haar gemachtigde en door S.J.M. van Elst van de Stichting MEE. Tevens zijn verschenen C.M. Zuijlen en J.A.H.M. van Oosterhout, ambulant begeleidsters van eiseres.

Verweerder is verschenen bij gemachtigde.

Overwegingen

1. Aan de orde is de vraag of verweerder terecht en op goede gronden heeft geweigerd eiseres in aanmerking te brengen voor een Wajong-uitkering.

2. De rechtbank gaat bij de beoordeling van het beroep uit van de volgende feiten en omstandigheden.

3. Eiseres, geboren op 1 juni 1985, heeft in 2003 haar VMBO-diploma behaald. Vervolgens is eiseres een opleiding aan het Grafisch Lyceum St. Lucas begonnen, maar na een jaar gestopt. De studiefinanciering werd per 1 juli 2004 beëindigd. Van augustus 2004 tot maart 2005 heeft eiseres als inpakster in loondienst gewerkt in het bedrijf waar ook haar vader werkzaam is. In september 2005 is eiseres begonnen met de opleiding Fotonica aan het Koning Willem I college, welke opleiding zij op 1 april 2006 heeft moeten staken nadat zij door de per 1 november 2005 gewijzigde opzet van de opleiding was vastgelopen en depressief was geworden. De studiefinanciering voor deze opleiding werd per 1 april 2006 beëindigd.

Uit de zich in het dossier bevindende medische informatie over de jaren 1987, 1988 en 1991 blijkt dat bij eiseres al in haar kleutertijd sprake was van een ontwikkelingsstoornis. Volgens de psycholoog Feijen en de kinder- en jeugdpsychiater Doveren is in 2006 duidelijk dat er sprake is van PDD-NOS, en mogelijk het syndroom van Asperger, op dat moment gecompliceerd door depressieve stemmingen en negatieve gedachten.

4. Blijkens het bestreden besluit heeft verweerder de eerste arbeidsongeschiktheidsdag van eiseres aanvankelijk vastgesteld op 1 november 2005. Nu deze datum is gelegen na de dag waarop eiseres 17 jaar is geworden, heeft verweerder getoetst of eiseres in het jaar onmiddellijk voorafgaande aan de datum waarop de arbeidsongeschiktheid is ingetreden, gedurende tenminste zes maanden studerende was. In het betreffende jaar, dat loopt van 1 november 2004 tot en met 31 oktober 2005, is eiseres in september 2005 met een studie begonnen. Verder heeft eiseres in het refertejaar geen studie gevolgd. Verweerder heeft derhalve aanvankelijk geconcludeerd dat eiseres op de dag dat zij 17 jaar werd, niet arbeidsongeschikt was. Omdat zij in het jaar voorafgaande aan de eerste arbeidsongeschiktheidsdag ook niet gedurende tenminste zes maanden studerende was, kon eiseres volgens verweerder niet als jonggehandicapte worden aangemerkt.

5. Hangende de procedure in beroep heeft verweerder, naar aanleiding van de bij het beroepschrift overgelegde, oude, medische informatie, een nader onderzoek ingesteld. De bezwaarverzekeringsarts stelde daarbij alsnog vast dat eiseres al met ingang van haar 17e jaar beperkingen ondervond. Eiseres heeft met deze beperkingen bovendien de datum einde wachttijd bereikt (1 juni 2003). Onderzoek door de bezwaararbeidsdeskundige leverde vervolgens op dat eiseres per de datum einde wachttijd, ondanks haar beperkingen, bepaalde, eenvoudige en gestructureerde (lopende band-) werkzaamheden heeft moeten kunnen verrichten. Eiseres wordt per de datum einde wachttijd minder dan 25% arbeidsongeschikt geacht. Verweerder heeft vervolgens de grondslag van het bestreden besluit gewijzigd. Verweerder handhaaft niettemin zijn besluit dat eiseres niet in aanmerking kan komen voor een Wajong-uitkering.

6. Eiseres kan zich met het bestreden besluit niet verenigen en stelde zich aanvankelijk op het standpunt dat onbegrijpelijk is op welk grond verweerder de datum van 1 november 2005 als eerste arbeidsongeschiktheidsdag aanmerkte. Eiseres stelt dat de eerste arbeids-ongeschiktheidsdag ruim vóór haar 17e levensjaar moet liggen, aangezien zij is gediagnosticeerd met een autisme spectrum stoornis en de daaruit voortvloeiende beperkingen al vanaf jonge leeftijd bij haar zijn onderkend. Dat zij, zoals verweerder stelt, steeds voldoende heeft kunnen functioneren, is slechts te danken aan het feit dat de omgeving, vooral door haar ouders, voor eiseres werd gestructureerd. De stelling van verweerder dat eiseres negen maanden goed heeft gefunctioneerd bij het doen van inpakwerk wordt door eiseres bestreden, nu uit een brief van de werkgever van 27 maart 2005 blijkt dat eiseres in ieder geval gedeeltelijk arbeidsongeschikt was, meer behoefte had aan aansturing en niet zelfstandig kon functioneren. Het contract werd om die reden niet verlengd. Ter zitting is van de kant van eiseres gesteld dat zij zich ook niet kan vinden in verweerders gewijzigd besluit. Eiseres heeft begeleiding nodig. Zij kan niet fulltime werken. Ze is aangewezen op werk in een prikkelarme omgeving.

7. De rechtbank overweegt als volgt.

8. De rechtbank is van oordeel dat de functionele mogelijkhedenlijst (FML) van 4 augustus 2006 onjuist is en onvoldoende onderbouwd. De rechtbank oordeelt verder dat onvoldoende aannemelijk is dat eiseres, gelet op haar sociale handicap, ten tijde van belang in het vrije bedrijf de werkzaamheden kon verrichten die haar door verweerder zijn voorgehouden. Ter zitting is door de moeder en door de ambulant begeleidsters van eiseres gesteld dat eiseres zeer gevoelig is voor prikkels, met name voor geluiden. Door een afwijkend of onverwacht geluid raakt eiseres afgeleid. Zij kan het niet meer loslaten, dat wil zeggen dat ze er volkomen door in beslag wordt genomen en volstrekt wordt afgeleid van haar bezigheden. Voorts is onder meer aangegeven dat eiseres niet in staat is hulp te vragen of een hulpvraag te formuleren, wanneer zij op de een of andere manier vastloopt in wat zij doet.

9. De rechtbank wijst tevens op de door eiseres overgelegde, schriftelijke verklaring van de werkgever van de vader van eiseres. Daaruit blijkt dat eiseres van september 2004 tot maart 2005 zelfs met extra begeleiding, niet heeft kunnen functioneren in zeer eenvoudig en gestructureerd werk in een prikkelarme omgeving. Eiseres werkte 20 uur per week. Zij verrichtte inpakwerkzaamheden en ze werkte samen met drie collega’s. De werkgever geeft in zijn verklaring aan dat het moeilijk was met eiseres contact te krijgen. Bij iedere serie inpakwerkzaamheden moest haar worden verteld wat de bedoeling was – dit terwijl ook haar vader eiseres iedere ochtend instrueerde (toevoeging rechtbank, zie het gedingstuk 18) -. Zij was absoluut niet zelfstandig. Regelmatig stopte zij met haar werk en was met haar gedachten geheel afwezig. Na zes maanden was er nog steeds geen enkele communicatie tussen eiseres en haar collega's, ondanks hun aanhoudende pogingen daartoe. Na zes maanden is daarom het contract, dat aanvankelijk werd aangegaan voor een periode van negen maanden, beëindigd. De manier van werken van eiseres was niet rendabel en bevorderde de sfeer niet.

10. De rechtbank stelt vast dat eiseres door de bezwaararbeidsdeskundige, blijkens de rapportage van 5 juli 2007, per de datum einde wachttijd in staat wordt geacht de volgende functies te verrichten: productiemedewerker afwerkafdeling (sbc-code 271080), inpakker (sbc-code 111190) en printmonteur / monteuse (sbc-code 111180). Uit de formulieren "Resultaat functiebeoordeling" blijkt dat in al deze functies regelmatig sprake is van enige vorm van samenwerking met collega’s en van werk in groepsverband. De bezwaararbeidsdeskundige heeft in de rapportage van 5 juli 2007 gesteld dat geen eisen worden gesteld aan de contactuele vaardigheden van de werknemer. De rechtbank is niettemin van oordeel dat uit het hiervoor overwogene overduidelijk blijkt dat eiseres per de datum in geding (1 juni 2003), niet in staat zou zijn geweest in enige van de drie geduide functies naar tevredenheid te functioneren. De medische en de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit kunnen de rechterlijke toets niet doorstaan.

11. Dit leidt de rechtbank tot de conclusie dat het bestreden besluit, in strijd met artikel 3:2 van de Awb, niet berust op voldoende zorgvuldig onderzoek en in strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb een deugdelijke motivering ontbeert. Het beroep zal derhalve gegrond worden verklaard en het bestreden besluit zal worden vernietigd.

De rechtbank draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen.

12. Ter informatie van eiseres en ter voorkoming van ongerechtvaardigde verwachtingen merkt de rechtbank op dat de mogelijkheid bestaat dat verweerder, na een nader onderzoek, opnieuw besluit tot weigering van de gevraagde uitkering.

13. De rechtbank acht geen termen aanwezig verweerder te veroordelen in de door eiseres gemaakte proceskosten, nu van voor vergoeding in aanmerking komende kosten niet is gebleken. Wel zal de rechtbank bepalen dat door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan eiseres het door haar gestorte griffierecht ad € 39,00 dient te worden vergoed.

14. Beslist wordt als volgt.

Beslissing

De rechtbank,

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen, met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

- gelast het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan eiseres te vergoeden het door haar gestorte griffierecht ad € 39,00.

Aldus gedaan door mr. B.A.J. Zijlstra als rechter, in tegenwoordigheid van B.V.H. Harperink als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 14 februari 2008.