Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2008:BC5575

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
04-03-2008
Datum publicatie
04-03-2008
Zaaknummer
01/841869-07
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Promis-vonnis.

Vrachtwagenchauffeuse veroorzaakt verkeersongeval met lichamelijk letsel voor een andere verkeersdeelnemer tot gevolg.

Veroordeling tot een geldboete van € 500,- waarvan € 250,- voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 9 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.

Wetsverwijzingen
Wegenverkeerswet 1994
Wegenverkeerswet 1994 6
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWR 2008/24

Uitspraak

vonnis (promis)

RECHTBANK 'S-HERTOGENBOSCH

Sector Strafrecht

Parketnummer: 01/841869-07

Datum uitspraak: 04 maart 2008

Vonnis van de rechtbank ’s-Hertogenbosch, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte]

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1947,

wonende te [woonplaats], [adres]

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 19 februari 2008.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 17 januari 2008.

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

zij op of omstreeks 05 juni 2007 te 's-Hertogenbosch als verkeersdeelnemer,

namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (vrachtwagen), daarmede rijdende

over de weg, N.279, zich zodanig heeft gedragen dat een aan haar schuld te

wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door roekeloos, in elk geval zeer,

althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend, te handelen als volgt:

verdachte heeft rijdende over de gezien haar, verdachtes, rijrichting

rechterrijstrook (zijnde een voorsorteerstrook voor gezien haar, verdachtes,

rijrichting rechtsafslaand verkeer) van die weg (N.279) en/of gekomen op en/of

nabij een kruising en/of splitsing van die weg met de (gezien haar,

verdachtes, rijrichting aan de rechterzijde gelegen oprijbaan van de) A2, een

voor haar, verdachte, op genoemde voorsorteerstrook stilstaande, althans tot

stilstand komende en/of langzaam rijdende bestelbus (Hyundai) niet, althans

niet tijdig, opgemerkt en/althans het door haar, verdachte, bestuurde

motorrijtuig niet, althans onvoldoende afgeremd, tengevolge waarvan een

aanrijding en/of botsing is ontstaan tussen dat door haar, verdachte,

bestuurde motorrijtuig en/of die bestelbus (Hyundai) en/of (vervolgens)

met/tussen die bestelbus (Hyundai) en/of een (eveneens) gezien haar,

verdachtes, rijrichting op genoemde voorsorteerstrook stilstaande, althans

tot stilstand komende en/of langzaam rijdende personenauto (Mercedes), en/of

met/tussen die bestelbus (Hyundai) en/of een (eveneens) gezien haar,

verdachtes, rijrichting linkerrijstrook (zijnde een voorsorteerstrook voor

gezien haar, verdachtes, rijrichting rechtdoorgaand verkeer) stilstaande,

althans tot stilstand komende en/of langzaam rijdende personenauto (Opel),

waardoor een ander (genaamd [slachtoffer 1] zijnde de bestuurder van genoemde

Mercedes personenauto) zwaar lichamelijk letsel, of zodanig lichamelijk letsel

werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de

uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan;

Artikel 6 Wegenverkeerswet 1994

Subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of

zou kunnen leiden:

zij op of omstreeks 05 juni 2007 te 's-Hertogenbosch als bestuurder van een

voertuig (vrachtwagen), daarmee rijdende over de gezien haar, verdachtes,

rijrichting rechterrijstrook (zijnde een voorsorteerstrook voor gezien haar,

verdachtes, rijrichting rechtsafslaand verkeer) van de weg, N. 279,

en/of gekomen op en/of nabij een kruising en/of splitsing van die weg met de

(gezien haar, verdachtes, rijrichting aan de rechterzijde gelegen oprijbaan

van de) A2, een voor haar, verdachte, op genoemde voorsorteerstrook

stilstaande, althans tot stilstand komende en/of langzaam rijdende bestelbus

(Hyundai) niet, althans niet tijdig, heeft opgemerkt en/althans het door haar,

verdachte, bestuurde motorrijtuig niet, althans onvoldoende heeft afgeremd,

door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt,

althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd,

althans kon worden gehinderd;

Artikel 5 Wegenverkeerswet 1994

De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover

daaraan in de Wegenverkeerswet 1994 betekenis is gegeven, geacht in dezelfde

betekenis te zijn gebezigd;

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het tenlastegelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in zijn vordering worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

De bewijsmiddelen en de beoordeling daarvan.

Vaststaande feiten.

Op 5 juni 2007 omstreeks 18:30 uur heeft op de N 279 te ’s-Hertogenbosch op de rechterrijbaan een aanrijding1 plaatsgevonden tussen een door verdachte bestuurde vrachtwagen (DAF-truck met oplegger) en een door [slachtoffer 2] bestuurde Hyundai bestelbus.2 Als gevolg van deze aanrijding is de Hyundai bestelbus eerst tegen een door [slachtoffer 1] bestuurde Mercedes personenauto3 gereden en daarna op de linkerrijbaan tegen een door [slachtoffer 3] bestuurde Opel tot stilstand gekomen.4 Verdachte kwam uit de richting van Veghel gereden en reed met een snelheid van ongeveer 60 km/u. Bij de oprit van de Rijksweg A2, waarbij de rijbaan was verdeeld in twee rijstroken, reed verdachte over de rechter rijstrook om rechtsaf te slaan en de A2, richting Utrecht op te gaan. Bij de oprit van de A2 waren verkeerslichten aanwezig en in werking. Hierdoor waren de bovengenoemde voertuigen die zich bevonden tussen de DAF-truck en de verkeerslichten snelheid aan het minderen. Verdachte heeft deze verkeerssituatie verkeerd ingeschat en was niet in staat de vrachtwagen tijdig tot stilstand te brengen.5 Verdachte heeft geprobeerd het ongeval te voorkomen door naar rechts uit te wijken. Door deze uitwijkmanoeuvre kwam de truck met oplegger op het talud van de rechter grasberm terecht en kantelde op de rechterzijde.

Het standpunt van verdachte.

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat de remmen van de vrachtwagen niet goed werkten, aangezien het tijdens het remmen lang duurde voordat zij stilstond. Tevens heeft zij verklaard dat het tenlastegelegde letsel van [slachtoffer 1] volgens haar niet door het ongeval kan komen, aangezien hij niet in de auto zat die door haar is aangereden en de klap niet zo hard was dat die een dergelijk letsel kan veroorzaken. De Mercedes werd volgens verdachte niet van achteren aangereden maar van de zijkant en een Mercedes personenauto staat bekend als een goed beveiligde auto.

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie is van oordeel dat het primair tenlastegelegde feit niet wettig en overtuigend bewezen kan worden, aangezien er volgens hem geen sprake is van zwaar lichamelijk letsel dan wel zodanig lichamelijk letsel dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan bij de [slachtoffer 1]]

Het oordeel van de rechtbank.

Gelet op de hiervoor genoemde vaststaande feiten en de verklaring van verdachte ter terechtzitting dat zij de voor haar rijdende auto’s in de verte langzaam zag rijden en voorzichtig aan het remmen was en vervolgens tegen de Hyundai bestelbus is aangereden, heeft verdachte de snelheid van de voor haar rijdende voertuigen niet goed ingeschat en heeft daardoor onvoldoende geremd waardoor de aanrijding met de Hyundai bestelbus is ontstaan. Door aldus te handelen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de aanrijding heeft veroorzaakt door aanmerkelijk onoplettend te handelen.

De rechtbank verwerpt het verweer van verdachte dat de remmen van de vrachtwagen niet goed zouden werken. Uit het proces-verbaal verkeersongevalsanalyse blijkt dat de door verdachte bestuurde vrachtwagen met oplegger voor de aanrijding rijtechnisch in voldoende staat van onderhoud verkeerde en geen gebreken vertoonde die eventueel de oorzaak van invloed zouden kunnen geweest zijn op het ontstaan van het ongeval.6

Ten aanzien van het letsel van [slachtoffer 1] blijkt uit de verkeersongevalsanalyse dat de Hyundai bestelbus tegen de linkerachterzijde van de Mercedes is gereden.7 [slachtoffer 1] heeft bij de politie verklaard dat, hij nadat hij uit de auto was gestapt, een hevige pijn voelde aan zijn rug, nek en bekken en per ambulance is afgevoerd naar het ziekenhuis.8 De huisarts van [slachtoffer 1] heeft in de medische verklaring van 6 september 2007 aangegeven dat verdachte beperkte beweeglijkheid heeft van de nek tengevolge van spierpijn. Behandelend [chiropractor] heeft in het patiëntverslag van 9 oktober 2007 als werkdiagnose gesteld: subacute posttraumatische disfunctie van cervicale, lumbale en bekkenregio leidend tot klachten van arthrogene en myogene aard.9 Gelet op deze bewijsmiddelen en de medische verklaringen betreffende [slachtoffer 1] acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat het door hem opgelopen letsel is ontstaan als gevolg van de door verdachte veroorzaakte aanrijding met de Hyundai bestelbus waardoor die Hyundai tegen zijn auto is gereden. [slachtoffer 1] –werkzaam als chauffeur- heeft op 15 juni 2007 verklaard dat hij door het opgelopen letsel geen werkzaamheden kan verrichten en niet mag tillen of autorijden.10 Gelet hierop acht de rechtbank in tegenstelling tot de officier van justitie wettig en overtuigend bewezen dat hij als gevolg van het ongeval tijdelijk is verhinderd in de normale bezigheden.

De bewezenverklaring.

De rechtbank acht, op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte

op 05 juni 2007 te 's-Hertogenbosch als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (vrachtwagen), daarmede rijdende over de weg, N.279, zich zodanig heeft gedragen dat een aan haar schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door aanmerkelijk onoplettend, te handelen als volgt:

verdachte heeft rijdende over de gezien haar, verdachtes, rijrichting rechterrijstrook (zijnde een voorsorteerstrook voor gezien haar, verdachtes, rijrichting rechtsafslaand verkeer) van die weg (N.279) en gekomen nabij een splitsing van die weg met de (gezien haar, verdachtes, rijrichting aan de rechterzijde gelegen oprijbaan van de) A2, het door haar, verdachte, bestuurde motorrijtuig onvoldoende afgeremd, tengevolge waarvan een aanrijding en is ontstaan tussen dat door haar, verdachte, bestuurde motorrijtuig en die bestelbus (Hyundai) en (vervolgens) met/tussen die bestelbus (Hyundai) en een (eveneens) gezien haar, verdachtes, rijrichting op genoemde voorsorteerstrook tot stilstand komende personenauto (Mercedes), en met/tussen die bestelbus (Hyundai) en een (eveneens) gezien haar, verdachtes, rijrichting linkerrijstrook (zijnde een voorsorteerstrook voor gezien haar, verdachtes, rijrichting rechtdoorgaand verkeer) tot stilstand komende personenauto (Opel), waardoor een ander (genaamd [slachtoffer 1] zijnde de bestuurder van genoemde Mercedes personenauto) zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke verhindering in de

uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan.

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De kwalificatie.

Het bewezenverklaarde levert op het in de uitspraak vermelde strafbare feit.

De strafbaarheid.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van het feit of van de verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen te hare laste bewezen is verklaard.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen:

Wetboek van Strafrecht art. 14a, 14b, 14c, 23, 24a, 24c;

Wegenverkeerswet 1994 art. 6, 175, 176, 179.

De strafoplegging.

De eis van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft ten aanzien van het primair tenlastegelegde feit vrijspraak geëist. De officier van justitie acht het subsidiair tenlastegelegde feit wettig en overtuigend bewezen en eist daarvoor een geldboete van € 500,-, subsidiair 10 dagen hechtenis, waarvan € 250,- , subsidiair 5 dagen hechtenis, voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar en een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen van 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar. De officier van justitie heeft geen bezwaar tegen een betaling in termijn van het door hem geëiste onvoorwaardelijke deel van de geldboete.

Het standpunt van verdachte.

De verdachte heeft ter terechtzitting aangevoerd dat als een onvoorwaardelijk rijontzegging wordt opgelegd zij haar baan als vrachtwagenchauffeur kwijt zal raken.

Het oordeel van de rechtbank.

Verdachte heeft door haar onoplettende rijgedrag een verkeersongeval veroorzaakt, waarbij het slachtoffer zodanig lichamelijk letsel heeft opgelopen dat daaruit tijdelijke verhindering van de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan.

Nu de rechtbank – in tegenstelling tot de officier van justitie- het primair tenlastegelegde feit bewezen acht zal de rechtbank een langere ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen opleggen dan door de officier van justitie is gevorderd, aangezien de rechtbank van oordeel is dat de gevorderde straf de ernst van het bewezenverklaarde onvoldoende tot uitdrukking brengt.

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd heeft de rechtbank gelet op de aard van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Voorts heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het door verdachte gepleegde strafbare feit in verhouding tot andere strafbare feiten, zoals tot uitdrukking komt in het wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

In het voordeel van verdachte is naar het oordeel van de rechtbank sprake van een beperkte mate van schuld gelet op de samenloop van omstandigheden en het feit dat verdachte in een voor haar onbekende vrachtwagen reed. Tevens is verdachte met gevaar voor eigen leven de berm ingereden om erger te voorkomen. Gelet op deze omstandigheden en omdat verdachte haar rijbewijs nodig heeft voor haar werk zal de rechtbank een geheel voorwaardelijke ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen opleggen.

De rechtbank wil met een en ander enerzijds de ernst van het door verdachte gepleegde strafbare feit tot uitdrukking brengen en anderzijds door invloed uit te oefenen op het gedrag van de verdachte het door verdachte opnieuw plegen van een strafbaar (verkeers)feit tegengaan.

De rechtbank zal tevens de door de officier van justitie gevorderde geldboete opleggen. Gelet op de persoonlijke omstandigheden van verdachte waaronder met name haar draagkracht zal de rechtbank bepalen dat de geldboete in termijnen zoals hierna is vermeld kan worden voldaan.

De uitspraak.

Verklaart het tenlastegelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt haar daarvan vrij.

Het bewezenverklaarde levert op het misdrijf:

primair

Overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval

betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

BESLISSING:

T.a.v. primair:

Geldboete van EUR 500,00 subsidiair 10 dagen hechtenis waarvan EUR 250,00 subsidiair 5 dagen hechtenis voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

Het onvoorwaardelijk deel van de opgelegde geldboete desgewenst te voldoen in 5

termijnen van elk EUR 50,- per maand .

T.a.v. primair:

Ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen (bromfietsen daaronder begrepen) voor de duur van 9 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. P.J.H. Van Dellen, voorzitter,

mr. J.J.H. Bruggink en mr. C.P.C. Kuijs, leden,

in tegenwoordigheid van mr. E. de Dooij, griffier,

en is uitgesproken op 4 maart 2008,

zijnde mr. C.P.C. Kuijs buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

1 Proces-verbaal verkeersongevalsanalyse, p. 28 eindproces-verbaal.

2 Verklaring betrokkene [slachtoffer 2], p. 15 eindproces-verbaal.

3 Verklaring slachtoffer [slachtoffer 1] p. 17 eindproces-verbaal.

4 Verklaring betrokkene [slachtoffer 3], p. 16 eindproces-verbaal.

5 Verklaring verdachte ter terechtzitting.

6 Proces-verbaal verkeersongevalsanalyse, p. 34 eindproces-verbaal.

7 Proces-verbaal verkeersongevalsanalyse, p. 28 en de foto op p. 39 van het eindproces-verbaal.

8 Verklaring slachtoffer [slachtoffer 1] p. 17 eindproces-verbaal.

9 Medische verklaring huisarts d.d. 6 september 2007, p. 21 eindproces-verbaal, patiëntverslag chiropractor d.d. 30 oktober 2007, p. 22 en 23 eindproces-verbaal en medische verklaring d.d. 30 oktober 2007, p. 24 eindproces-verbaal.

10 Verklaring [slachtoffer 1], p. 17 eindproces-verbaal.

??

??

8

Parketnummer: 01/841869-07

[verdachte]