Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2008:BC5571

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
26-02-2008
Datum publicatie
03-03-2008
Zaaknummer
169463 KG ZA 08-13
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Verrekening door de Ontvanger van gedeblokkeerd gedeelte g-rekening met navorderingsaanslag berust op overeenkomst (toestemming), niet op art. 24 Invorderingswet.

Toets of verrekening in overeenstemming is met Leidraad Invordering en/of algemene beginselen van behoorlijk bestuur ligt bij de fiscale bestuursrechter bij wie ook de mogelijkheid van een fiscaal kort geding bestaat. Geen taak voor de burgerlijke kort geding rechter.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2008-0513
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK 'S-HERTOGENBOSCH

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 169463 / KG ZA 08-13

Vonnis in kort geding van 26 februari 2008

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[UITZENDORGANISATIE] B.V., gevestigd te A,

eiseres,

procureur mr. Ph.C.M. van der Ven,

advocaat mr. E.J.M. Rosier te Breda,

tegen

de ONTVANGER VAN DE BELASTINGDIENST/OOST-BRABANT,

gevestigd te 's-Hertogenbosch,

gedaagde,

in persoon verschenen.

Partijen zullen hierna [Uitzendorganisatie] en de Ontvanger genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding

- de mondelinge behandeling

- de pleitnota van [Uitzendorganisatie]

- de pleitnota van de Ontvanger.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1.[Uitzendorganisatie] exploiteert een uitzendbureau en heeft op 21 november 2001 met de Ontvanger en het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv) een g-rekeningovereenkomst op het modelformulier “inlenersaansprakelijkheid” gesloten (Ontv. prod. 1).

Op die g-rekening betalen klanten van [Uitzendorganisatie] (inleners) bedragen die zij wegens de ingeleende werknemers aan [Uitzendorganisatie] verschuldigd zijn teneinde in zoverre gevrijwaard te worden van aansprakelijkstelling voor belastingen en premies die [Uitzendorganisatie], als zijnde uitlener van arbeidskrachten, eventueel niet afdraagt.

Het saldo op de g-rekening is in eerste onderpand gegeven aan de Ontvanger en het Lisv gezamenlijk voor al hetgeen zij te eniger tijd van [Uitzendorganisatie] te vorderen heeft aan loon- of omzetbelasting. Daarnaast heeft [Uitzendorganisatie] op grond van artikel 6 van deze overeenkomst aan de Ontvanger en het Lisv gezamenlijk volmacht verleend tot inning van de saldi van de g-rekening alsmede tot verrekening van het aldus geïnde met al hetgeen zij te eniger tijd van [Uitzendorganisatie] te vorderen hebben ter zake van voormelde belastingen en premies.

2.2.Inlenende klanten plegen, om ketenaansprakelijkheid maximaal te voorkomen, te hoge bedragen op de g-rekening van [Uitzendorganisatie] te betalen, waardoor [Uitzendorganisatie] regelmatig geconfronteerd werd met overschotten op deze rekening. Op 30 juli 2007 en op 12 september 2007 heeft [Uitzendorganisatie] aan de Ontvanger verzocht om deblokkering van dergelijke overschotten voor respectievelijk bedragen van € 365.000,-- en € 280.000,--.

Bij brief van 19 september 2007 heeft de Ontvanger aan [Uitzendorganisatie] te kennen gegeven dat haar verzoek om deblokkering van de g-rekening voor het (tweede) bedrag van € 280.000 werd gehonoreerd en zij heeft [Uitzendorganisatie] verzocht om dat bedrag aan de Ontvanger over te maken (m.b.t. de eerdere deblokkering van € 365.000 was klaarblijkelijk eerder een soortgelijke brief met dergelijk verzoek verzonden) Tevens heeft zij medegedeeld dat als de Ontvanger of het Lisv nog vorderingen op [Uitzendorganisatie] zouden hebben die alsdan met dat bedrag van de g-rekening zouden worden verrekend.

[Uitzendorganisatie] heeft overeenkomstig de gebruikelijke procedure deze bedragen van € 365.000,-- en € 280.000,-- van de g-rekening overgemaakt aan de Ontvanger waarna deze, naar [Uitzendorganisatie] in beginsel mocht verwachten, onverwijld zorg zou dragen voor doorbetaling daarvan naar gewone rekeningen van [Uitzendorganisatie].

2.3. In omstreeks dezelfde periode, zomer 2007, had de Inspecteur bij [Uitzendorganisatie] een controle uitgevoerd ter zake onder meer de loonbelasting. Naar aanleiding van deze controle heeft de inspectie op 3 september 2007 een controlerapport opgesteld (Ontv. prod. 6). In dat rapport is – voor zover thans van belang – het navolgende bepaald:

“Op het onderdeel van het reizen zijn in het verleden afspraken gemaakt. Het bedrijf ([Uitzendorganisatie], vzr.) heeft desondanks geen controle ingesteld op het reisgedrag van haar Duitse medewerkers. Hierdoor heeft zij willens en wetens de geenszins te verwaarlozen kans aanvaardt dat te weinig loonbelasting is ingehouden en afgedragen. De staten waarop de gewerkte uren en de reizen verantwoord worden zijn gemanipuleerd. Het systeem van werken, registreren en verlonen is gericht op het maximeren van de onbelaste reiskostenvergoeding. Werkgever en werknemer hebben in deze hetzelfde belang. Het geheel overziend wordt geconcludeerd dat het aan voorwaardelijke opzet te wijten is dat te weinig loonbelasting is afgedragen.

De boete bedraagt 50% over € 300.000”..

Naar aanleiding van voormeld controlerapport heeft de Inspecteur aan [Uitzendorganisatie] een tweetal naheffingsaanslagen opgelegd, te weten:

14-09-2007 …5502 LB 2002 t/m 2005 € 283.653

18-09-2007 …6506 LB 2006 € 192.500

NB: De aanslagen zelf bevinden zich niet bij de stukken.

Over deze aanslagen is tussen [Uitzendorganisatie] en de Inspecteur geschil ontstaan over het fiscale karakter van kostenvergoedingen voor woon-werkverkeer van Duitse werknemers. [Uitzendorganisatie] heeft bezwaarschriften ingediend tegen deze aanslagen.

2.4.De Ontvanger heeft op 12 en 18 september 2007 (Ontv. prod. 3) de Centrale Betalingsadministratie te Apeldoorn geïnstrueerd om deze naheffingsaanslagen te verrekenen met de uit deblokkering van de g-rekening vrijkomende bedragen.

2.5.Op 26 september 2007 heeft de toenmalige advocaat van [Uitzendorganisatie], mr. Kerckhoffs, een bezwaarschrift ingediend bij de Inspecteur van de Belastingdienst tegen de aan [Uitzendorganisatie] opgelegde naheffingsaanslagen en de aan haar opgelegde vergrijpboeten, alsmede een verzoek bij de Ontvanger om uitstel van betaling.

Bij brief van 1 oktober 2007 heeft de Inspecteur aan [Uitzendorganisatie] te kennen gegeven dat het bezwaarschrift van [Uitzendorganisatie] zal worden beschouwd als een verzoek om uitstel en dat uitstel zal worden verleend tot op het bezwaarschrift is beslist.

Bij beschikking van de Ontvanger van 8 oktober 2007 is het verzoek om uitstel van betaling van [Uitzendorganisatie] alsnog afgewezen onder mededeling dat de aanslagen inmiddels al waren verrekend.

3. Het geschil

3.1. [Uitzendorganisatie] vordert in dit kort geding samengevat - veroordeling van de Ontvanger tot betaling van € 476.153, vermeerderd met de wettelijke rente, alsmede de Ontvanger te gelasten het verleende uitstel van betaling inzake de naheffingsaanslagen loonbelasting te honoreren, met veroordeling van de Ontvanger in de kosten van dit geding.

3.2. [Uitzendorganisatie] legt aan haar vordering het navolgende ten grondslag. De Ontvanger is ten onrechte tot verrekening overgegaan van de aan [Uitzendorganisatie] opgelegde naheffingsaanslagen loonheffing ad € 476.153,-- met de wegens de deblokkering van de g-rekening van [Uitzendorganisatie] vrijgekomen bedragen van in totaal € 645.000,--. Voor een dergelijke verrekening is immers vereist dat de Ontvanger een daartoe strekkende verklaring heeft afgelegd. Een dergelijke verklaring heeft de Ontvanger eerst afgelegd bij brieven van 13 november 2007, te weten nadat de aan [Uitzendorganisatie] opgelegde naheffingsaanslagen het verleende uitstel van betaling genoten. De Ontvanger heeft in strijd met de mededelingsplicht gehandeld door eerst over te gaan tot verrekening en pas daarna, op aandringen van [Uitzendorganisatie] die om uitbetaling van de gedeblokkeerde bedragen verzocht, daartoe strekkende verklaringen af te leggen.

De ontvanger heeft bovendien gehandeld in strijd met het bepaalde in artikel 25, paragraaf 1, lid van de Leidraad Invordering 1990. In dit artikel is namelijk bepaald dat indien uitstel van betaling is verleend, verrekening in beginsel niet mogelijk is en dat de Ontvanger dient te handelen alsof reeds uitstel van betaling is verleend. Omdat de ontvanger is overgegaan tot verrekening in de periode dat nog niet beslist was op het verzoek om uitstel van betaling te verlenen, heeft hij onrechtmatig jegens [Uitzendorganisatie] gehandeld. Op 1 oktober 2007 is aan [Uitzendorganisatie] uitstel van betaling verleend. Ingevolge het bepaalde in artikel 25, eerste lid, tweede volzin van de Invorderingswet vangt gedurende het uitstel van betaling de dwanginvordering niet aan, dan wel wordt deze geschorst. De verrekeningen die na deze datum hebben plaatsgevonden zijn in ieder geval onrechtmatig.

In de naheffingsaanslagen zijn aan [Uitzendorganisatie] vergrijpboeten opgelegd van in totaal € 155.000,--. [Uitzendorganisatie] heeft hiertegen bezwaar ingediend. Er is geen sprake van opzet aan de zijde van [Uitzendorganisatie], althans de Ontvanger heeft dat niet aangetoond. Aangezien de inspecteur in zijn compromisvoorstel geen vergrijpboeten heeft opgenomen, mag [Uitzendorganisatie] de conclusie trekken dat hiervoor ook geen aanleiding bestaat. De vergrijpboeten zijn derhalve onrechtmatig opgelegd. De Ontvanger handelt onrechtmatig door enerzijds deze ten onrechte opgelegde vergrijpboeten in te vorderen en anderzijds door hier niet op terug te komen en de bedragen van de vergrijpboeten niet alsnog te restitueren nadat hij kennis heeft genomen dat er geen juridische of feitelijke basis is voor het opleggen van deze vergrijpboeten.

3.3. Het verweer van de Ontvanger tegen de vordering komt zakelijk weergegeven op het volgende neer. Zij betwist dat zij ten onrechte tot verrekening is overgegaan. De verrekening had al plaatsgehad voordat door [Uitzendorganisatie] een bezwaarschrift was ingediend ter zake de aan [Uitzendorganisatie] opgelegde naheffingsaanslagen loonheffing. Uitstel van betaling was derhalve niet meer aan de orde. Een marginale toetsing leidt evenmin tot de conclusie dat er ten onrechte is verrekend. Het al dan niet terecht zijn van de aan [Uitzendorganisatie] opgelegde vergrijpboeten gaat verder dan een marginale toetsing van het fiscale geschil, waartoe de voorzieningenrechter in een (civiel) kort geding, gelet op de invoering van het fiscaal kort geding op 1 september 1999, geen bevoegdheid heeft.

3.4. Op hetgeen partijen overigens over en weer hebben aangevoerd, zal voor zoveel nodig bij de beoordeling worden ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. De gevorderde voorziening strekt tot betaling van een geldsom. Voor toewijzing van een dergelijke vordering in kort geding is slechts dan plaats, als het bestaan en de omvang van de vordering in hoge mate aannemelijk zijn, terwijl voorts uit hoofde van onverwijlde spoed een onmiddellijke voorziening vereist is en het risico van onmogelijkheid van terugbetaling bij afweging van de belangen van partijen - aan toewijzing niet in de weg staat.

4.2. [Uitzendorganisatie] heeft door ondertekening van het standaardformulier “Verzoek deblokkering g-rekening” (Ontv. prod. 2) de Ontvanger civielrechtelijk gemachtigd om de door deblokkering vrijkomende bedragen te verrekenen. Onderaan dit formulier staat uitdrukkelijk vermeld:

“Met dit formulier machtigt ondergetekende de Belastingdienst/UWV het bedrag van de g-rekening waarvoor deblokkering wordt verleend, te ontvangen op een van beide rekeningen en, zo nodig, dit bedrag te verrekenen met schulden die ondergetekende nog heeft aan de Belastingdienst en/of uwv”.

Ook in de algemene toelichting van dit formulier staat onder het kopje: “Wat is de procedure bij deblokkering” vermeld dat degene die het verzoek tot deblokkering doet in afwachting van een definitieve beslissing het verzoek ontvangt tot overmaking van het bedrag van de g-rekening naar een rekening van de Belastingdienst/Centrale administratie/Betalingsverwerking of UWV en dat, als er nog sprake is van een schuld aan de belastingdienst of UWV deze dan eerst wordt verrekend, waarna het resterende bedrag wordt overgemaakt naar de bank of girorekening die door de verzoeker is opgegeven.

4.3. Wel verbiedt artikel 24 van de Invorderingswet 1990 ambtshalve eenzijdige verrekening door de Ontvanger op de gronden als in de desbetreffende bepalingen in het Burgerlijk Wetboek van een belastingschuld met een niet-belastingvordering van de belastingschuldige, maar dat geval van wettelijke verrekening doet zich in deze zaak niet voor. [Uitzendorganisatie] heeft, zowel in de g-rekeningovereenkomst als op de formulieren waarmee zij deblokkering had verzocht, zich in een vorm van civielrechtelijke overeenkomst uitdrukkelijk ermee accoord verklaard dat de uit deblokkering vrijkomende bedragen met belastingschulden zouden kunnen worden verrekend. De Ontvanger ontleent zijn bevoegdheid tot verrekening derhalve niet aan de wet (BW of art. 24 IW) maar aan een overeenkomst. Dat staat hem in het open stelsel vrij. [Uitzendorganisatie] kan zich er dan bij de burgerlijke rechter niet achteraf over beklagen dat de Ontvanger die op overeenkomst berustende bevoegdheid daadwerkelijk uitoefent.

4.4. Teneinde de belastingschuldige op de hoogte te stellen van het feit dat verrekening heeft plaatsgevonden bepaalt het zesde lid van artikel 24 lid 9 IW dat de Ontvanger onverwijld schriftelijk mededeling doet van de verrekening. Maar zou al moeten worden aangenomen dat die bepaling ook bij verrekening op grond van overeenkomst van toepassing is, dan nog heeft deze bepaling niet tot gevolg dat de verrekening nietig is indien de mededeling niet is gedaan (MvT, Kamerstukken II 1987/88, 20 588, nr. 3, blz. 73). De omstandigheid dat de verrekening pas in november 2007 aan [Uitzendorganisatie] werd medegedeeld, kan zij niet ten grondslag leggen aan haar vordering.

4.5.De betogen van [Uitzendorganisatie] hebben enigszins de strekking, dat een beroep op het overeengekomen verrekeningsbeding (dan wel het als eis stellen ervan bij het aangaan van een g-rekeningsovereenkomst of bij een deblokkeringsverzoek) in de bijzondere omstandigheden van het geval misbruik van recht oplevert. Overwogen wordt:

4.5.1.Ook bij de uitoefening van een aan een civielrechtelijke overeenkomst ontleende verrekeningsbevoegdheid, dient de Ontvanger de beginselen van behoorlijk bestuur in acht te nemen. Voor wat die beginselen in fiscalibus in concreto inhouden, is de Leidraad Invordering richtinggevend.

4.5.2. De vraag of de door [Uitzendorganisatie] bestreden wijze van verrekening in overeenstemming is met de bepalingen van de Leidraad, behoort zij aan de fiscale bestuursrechter voor te leggen, niet aan de burgerlijke rechter. Ook voor spoedeisende zaken is daar de mogelijkheid van een fiscaal kort geding, dat geacht moet worden met voldoende rechtswaarborgen te zijn omkleed. Voor de burgerlijke kort geding rechter is er dan daarnaast geen taak weggelegd. In zoverre is [Uitzendorganisatie] niet-ontvankelijk in haar vordering.

4.6. Op grond van het voorgaande moeten de vorderingen worden afgewezen.

4.7. [Uitzendorganisatie] zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld.

5. De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1. wijst de vorderingen af,

5.2. veroordeelt [Uitzendorganisatie] in de proceskosten, aan de zijde van de Ontvanger tot op heden begroot op € 1.254,--, waarvan € 1.000,-- salaris en € 254,-- vast recht,

Dit vonnis is gewezen door mr. J.H.W. Rullmann en in het openbaar uitgesproken op 26 februari 2008.