Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2008:BC5332

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
28-02-2008
Datum publicatie
28-02-2008
Zaaknummer
01/849290-07
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, en als bijzondere voorwaarde reclasseringstoezicht voor meermalen dealen in cocaine en aanwezig hebben van cocaine

(promis vonnis)

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis (promis)

RECHTBANK 'S-HERTOGENBOSCH

Sector Strafrecht

Parketnummer: 01/849290-07

Datum uitspraak: 28 februari 2008

Vonnis van de rechtbank ’s-Hertogenbosch, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1957,

wonende te [adres].

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 14 februari 2008.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 18 januari 2008.

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

1.

hij op een of meer tijdstip(pen) of omstreeks de periode van 10 mei 2006 tot

en met 11 mei 2007 te Vlijmen (telkens) opzettelijk heeft verkocht en/of

afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig

heeft gehad, een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaine, zijnde

cocaine een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan

wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

(artikel 2 Opiumwet)

2.

hij op of omstreeks 11 mei 2007 te Vlijmen opzettelijk aanwezig heeft gehad

ongeveer 18,3 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende

cocaïne, zijnde een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I;

Tengevolge van een kennelijke omissie in de tenlastelegging begaan, ontbreekt bij feit 1, in de regel nummer 1, tussen de woorden ‘tijdstip(pen)’ en ‘of’, het woord ‘in’. De rechtbank herstelt deze omissie en leest voormelde zinsnede zoals hiervoor is vermeld. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

De formele vragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het tenlastegelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in zijn vordering worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

De bewijsmiddelen en de beoordeling daarvan.

Vaststaande feiten.

In het kader van een onderzoek door de politie naar het vermoedelijk dealen van harddrugs door verdachte, is op 11 mei 2007 de woning van verdachte doorzocht en is verdachte aangehouden. Bij de doorzoeking van de woning van verdachte werden 27 gripzakjes in beslag genomen. Bij weging werd vastgesteld dat het een gewicht had van in totaal 18,3 gram. De in beslag genomen stof is door het NFI positief getest op cocaïne1,2,3.

Verdachte heeft verklaard dat hij vanaf het overlijden van zijn vader (10 mei 2006) cocaïne heeft verkocht. In het begin nam verdachte 10 zakjes van een halve gram cocaïne af om te verkopen en dit is uitgegroeid naar 50 zakjes. Verdachte betaalde voor deze 50 zakjes EUR 700,-- en verkocht ze voor EUR 20,-- per zakje van een halve gram, EUR 35,-- voor twee zakjes en EUR 50,-- voor drie zakjes4,5,6.

Het standpunt van de verdediging.

Verdachte verklaart dat hij in de veronderstelling was dat de door hem verkochte stof geen cocaïne betrof, maar een op wiet lijkend stof genaamd ‘sos’.

Het standpunt van de officier van justitie:

De officier van justitie heeft aangevoerd dat hetgeen aan verdachte onder 1 en 2 tenlaste is gelegd, wettig en overtuigend bewezen kan worden. Aangezien verdachte in het verleden wiet heeft gebruikt, is hij bekend met het verschil tussen wiet en cocaïne. Verdachte weet derhalve dat hij cocaïne heeft verkocht/aanwezig heeft gehad.

Het oordeel van de rechtbank:

Vaststaat dat verdachte in de periode 10 mei 2006 tot en met 11 mei 2007 in cocaïne heeft gedeald en dat op 11 mei 2007 ongeveer 18,3 gram cocaïne bij verdachte is aangetroffen. De stelling van verdachte dat hij al die tijd niet geweten heeft dat de stof waarin hij dealde cocaïne betrof, acht de rechtbank volstrekt ongeloofwaardig, dit mede gelet op de lange tijd en de frequentie van het dealen door verdachte en de door hem betaalde inkoopprijs en gehanteerde verkoopprijs. Deze zijn min of meer marktconform voor cocaïne.

De bewezenverklaring.

De rechtbank acht, op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte

1. op tijdstippen in de periode van 10 mei 2006 tot en met 11 mei 2007 te Vlijmen telkens opzettelijk heeft verkocht een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.

2. op 11 mei 2007 te Vlijmen opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 18,3 gram, van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst .

De bewijsmiddelen worden slechts gebezigd met betrekking tot het feit waarop zij in het bijzonder betrekking hebben.

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De kwalificatie.

Het bewezenverklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten.

De strafbaarheid.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van de feiten of van de verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen te zijnen laste bewezen is verklaard.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen:

Wetboek van Strafrecht art. 10, 14a, 14b, 14c, 14d, 36b, 36c, 57.

Opiumwet art. 2, 10.

De strafoplegging.

De eis van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft geëist:

-een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, met de bijzondere voorwaarde dat verdachte zich gedurende de proeftijd zal gedragen naar de aanwijzingen, hem te geven door of namens de Reclassering Nederland.

-t.a.v. het beslag: teruggave aan verdachte van de onder 2 en 3 op de beslaglijst vermelde goederen en onttrekking aan het verkeer van de onder 5 en 12 op de beslaglijst vermelde goederen.

Het standpunt van de verdediging:

De verdediging heeft gepleit voor het opleggen van een werkstraf, aangezien verdachte “first offender” is. Dit zou verdachte tevens helpen bij het opbouwen van een dagritme.

Het oordeel van de rechtbank.

Bij de beslissing over de straffen die aan verdachte dienen te worden opgelegd heeft de rechtbank gelet op de aard van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Verdachte heeft gedurende één jaar structureel en intensief cocaïne verkocht vanuit zijn woning. Er is een duidelijke stijgende lijn te bemerken in de hoeveelheden cocaïne die hij in deze periode heeft verkocht. Verdachte heeft in deze periode een vaste klantenkring opgebouwd. Verdachte heeft welbewust gehandeld om er financieel beter van te worden en heeft zich niet bekommerd om de consequenties van zijn handelen. Van cocaïne is algemeen bekend dat deze drug de gezondheid van de gebruikers kan schaden en dat het verslavend kan werken. Bovendien is de handel in cocaïne bezwarend voor de samenleving onder andere vanwege de daarmee gepaard gaande door verslaafden gepleegde verwervingscriminaliteit.

Voorts heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten in verhouding tot andere strafbare feiten, zoals tot uitdrukking komt in het wettelijk strafmaximum. Anders dan de raadsvrouw, is de rechtbank van oordeel dat een werkstraf, gezien de ernst van de feiten alsmede de straffen die de rechtbank in soortgelijke gevallen pleegt op te leggen, niet op zijn plaats is.

Gelet op al hetgeen hiervoor is overwogen, in onderling verband bezien, is de rechtbank van oordeel dat de hierna te vermelden straf, mede uit een oogpunt van normhandhaving een passende bestraffing is.

Met betrekking tot een deel van de op te leggen gevangenisstraf zal de rechtbank bepalen dat dat deel van die straf niet zal worden tenuitvoergelegd mits verdachte zich gedurende een hierna vast te stellen proeftijd aan de voorwaarde houdt dat hij zich niet aan een strafbaar feit zal schuldig maken en de hierna te melden bijzondere voorwaarde naleeft. De rechtbank wil met een en ander enerzijds de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten tot uitdrukking brengen en anderzijds door invloed uit te oefenen op het gedrag van de verdachte het door verdachte opnieuw plegen van een strafbaar feit tegengaan.

Beslag.

De rechtbank is van oordeel dat de in het dictum nader te noemen inbeslaggenomen voorwerpen vatbaar zijn voor onttrekking aan het verkeer, omdat - zoals blijkt uit het onderzoek ter terechtzitting – dit voorwerpen zijn met betrekking tot welke de feiten zijn begaan en deze van zodanige aard zijn dat ongecontroleerd bezit in strijd is met de wet.

De rechtbank zal de teruggave gelasten van de in het dictum nader te noemen inbeslaggenomen voorwerpen aan verdachte nu naar het oordeel van de rechtbank het belang van strafvordering zich niet meer verzet tegen de teruggave van de inbeslaggenomen goederen.

De beslissing.

Verklaart het tenlastegelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Het bewezenverklaarde levert op de misdrijven:

T.a.v. feit 1:

opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder B, van de

Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd

T.a.v. feit 2:

opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C, van de

Opiumwet gegeven verbod

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

BESLISSING:

T.a.v. feit 1, feit 2:

Gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden waarvan 6 maanden voorwaardelijk met

een proeftijd van 2 jaren en de bijzondere voorwaarde dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd zal gedragen naar de aanwijzingen, hem te geven door of namens de Reclassering Nederland, Regio 's-Hertogenbosch, Eekbrouwersweg 6, 5233 VG 's-Hertogenbosch, zolang deze instelling zulks noodzakelijk acht.

Verleent aan de Reclassering voornoemd de opdracht als bedoeld in artikel 14d

van het Wetboek van Strafrecht.

T.a.v. feit 1, feit 2:

Onttrekking aan het verkeer van de inbeslaggenomen goederen, te weten: 3 stuks

gripzakjes, mutatienummer 07144649 en 2 bolletjes, inhoudende verdovende

middelen, mutatienummer 07144649.

T.a.v. feit 1, feit 2:

Teruggave inbeslaggenomen goederen, te weten: 1 doos Grass Company met daarin

12 lege doosjes, mutatienummer 07144649 en een adresboek kleur zwart.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. C.B.M. Bruens, voorzitter,

mr. A.M. Kooijmans-de Kort en mr. S.J.W. Hermans, leden,

in tegenwoordigheid van mr. A.C. Colceriu, griffier,

en is uitgesproken op 28 februari 2008.

1 Het ambtsedig proces-verbaal van bevindingen van de politie Brabant Noord, nr. PL2116/07-144649, d.d. 12 mei 2007, in de wettelijke vorm opgemaakt door [verbalisant], brigadier van politie, (blz. 72 van het eindproces-verbaal nr. PL2116/07-013721) en het ambtsedig proces-verbaal van aanhouding van de politie Brabant Noord, nr. PL2151/07-144649, d.d. 11 mei 2007, in de wettelijke vorm opgemaakt door A. van de Wateringen, agent van politie, en [verbalisant 2], hoofdagent van politie, (blz. 32-33 van het eind proces-verbaal).

2 Het ambtsedig proces-verbaal van bevindingen van de politie Brabant Noord, nr. PL2116/07-144649, d.d. 12 mei 2007, in de wettelijke vorm opgemaakt door [verbalisant 3], hoofdagent van politie, (blz. 184-185 van het eindproces-verbaal).

3 Deskundigenrapport van het NFI d.d. 14 juni 2007, opgesteld en ondertekend door dr. J.D.J. van den Berg.

4 Verklaring van verdachte ter zitting d.d. 14 februari 2008 en het ambtsedig proces-verbaal van bevindingen van de politie Brabant Noord, nr. PL2116/07-144649, d.d. 13 mei 2007, in de wettelijke vorm opgemaakt door [verbalisant], brigadier van politie, en [verbalisant 4], brigadier van politie (blz. 97 van het eindproces-verbaal).

5 Het ambtsedig proces-verbaal van de politie Brabant Noord, nr. PL2116/07-144649, d.d. 12 mei 2007, in de wettelijke vorm opgemaakt door [verbalisant 5], hoofdagent van politie, en [verbalisant 3], hoofdagent van politie, inhoudende de verklaring van verdachte (blz. 91-92 van het eindproces-verbaal).

6 Verklaring van verdachte ter zitting d.d. 14 februari 2008 en het ambtsedig proces-verbaal van bevindingen van de politie Brabant Noord, nr. PL2116/07-144649, d.d. 13 mei 2007, in de wettelijke vorm opgemaakt door [verbalisant], brigadier van politie, en [verbalisant 4], brigadier van politie (blz. 97 van het eindproces-verbaal).

??

??

6

Parketnummer: 01/849290-07

[verdachte]