Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2008:BC4831

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
25-02-2008
Datum publicatie
25-02-2008
Zaaknummer
01/845487-07
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vrijspraak van buiten het grondgebied van Nederland brengen van cocaïne.

De officier van justitie heeft bewezenverklaring van het feit en een gevangenisstraf van 4 jaar geëist.

De rechtbank is van oordeel dat de inhoud van de tapverslagen het vermoeden rechtvaardigt dat verdachte zich bezig hield met handel in verdovende middelen, maar dat niet met zekerheid valt vast te stellen dat ook daadwerkelijk wordt gesproken over handel in cocaïne. Ook de overige bewijsmiddelen zijn onvoldoende om tot een bewezenverklaring van het feit te komen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

verkort vonnis

RECHTBANK 'S-HERTOGENBOSCH

Sector Strafrecht

Parketnummer: 01/845487-07

Datum uitspraak: 25 februari 2008

Verkort vonnis van de rechtbank ’s-Hertogenbosch, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte]

geboren in [geboortedatum] te [geboorteplaats] ([land]),

wonende te [woonplaats], [adres]

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 14 november 2007 en 11 februari 2008.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 16 oktober 2007.

De tenlastelegging is op vordering van de officier van justitie ter terechtzitting van 11 februari 2008 gewijzigd. Van deze vordering is een kopie aan dit vonnis gehecht.

Aan verdachte is, na voornoemde wijziging, tenlastegelegd dat:

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 01 januari 2006 tot en met 31 mei 2007 te Rotterdam, in elk geval in Nederland, (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland (te weten Belgie en/of Frankrijk en/of Spanje) heeft gebracht een of meer hoeveelhe(i)den van een materiaal bevattende cocaine, zijnde cocaine een middel als bedoeld in de bij de

Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

(artikel 2 Opiumwet)

De geldigheid van de dagvaarding.

De dagvaarding voldoet aan alle wettelijke eisen.

De bevoegdheid van de rechtbank.

Krachtens de wettelijke bepalingen is de rechtbank bevoegd van het tenlastegelegde kennis te nemen.

De ontvankelijkheid van de officier van justitie.

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen omstandigheden gebleken, die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan.

Schorsing der vervolging.

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen gronden voor schorsing der vervolging gebleken.

Bewijsoverweging

Volgens het Openbaar Ministerie is bewezen dat verdachte zich in de periode van 1 januari 2006 tot en met 23 april 2007 samen met [medeverdachte 1] heeft schuldig gemaakt aan uitvoer van cocaïne naar Spanje. Verwezen wordt daarbij naar afgetapte telefoongesprekken, observaties, de verklaring van verdachte en het feit dat [medeverdachte 1] op 23 april 2007 is aangehouden in een, volgens de officier van justitie voor drugsvervoer, geprepareerde auto.

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor dit feit zal worden veroordeeld tot 4 jaar gevangenisstraf met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht.

De rechtbank overweegt het volgende. In het onderliggende dossier bevindt zich een groot aantal telefoontapverslagen en observatieverslagen over een periode van enkele weken. Uit de tapverslagen blijkt dat verdachte en zijn [medeverdachte 1] onderling veelvuldig en met versluierd taalgebruik praten over handel in bepaalde zaken, die niet expliciet worden genoemd, maar waarvoor zij wisselende termen gebruiken. Zo wordt onder andere gesproken over spul dat moet worden betaald en gebracht, hoeveelheden en monsters. Een en ander rechtvaardigt het vermoeden dat verdachte zich bezig hield met handel in verdovende middelen, maar niet met zekerheid valt vast te stellen dat wordt gesproken over handel in cocaïne. Uit de observaties blijkt dat verdachte en [medeverdachte 1] elkaar meermalen hebben getroffen, maar met welk doel dit was valt eveneens niet vast te stellen.

Verdachte heeft verklaard dat [medeverdachte 1] in auto’s handelde en dat hij in dat kader wel vaker voor [medeverdachte 1] met een auto naar Spanje reed. Op een gegeven moment zou hij van ene [persoon 1] hebben gehoord dat er cocaïne verstopt zat in deze auto’s. Onderzoek om deze [persoon 1] te vinden en onderzoek in Spanje om de lezing van verdachte na te trekken, heeft niets opgeleverd. Ook is, op een klein spoor in de auto waarin [medeverdachte 1] werd aangehouden na, op geen enkel moment daadwerkelijk cocaïne aangetroffen bij verdachte of [medeverdachte 1]. De rechtbank acht het tenlastegelegde niet wettig en overtuigend bewezen en zal verdachte daarom vrijspreken.

De bewijsbeslissing.

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan verdachte is tenlastegelegd, zodat de verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.

De rechtbank zal ten aanzien van parketnummer 01/845487-07 het reeds geschorste bevel tot voorlopige hechtenis opheffen.

DE UITSPRAAK

Vrijspraak, achtende de rechtbank het tenlastegelegde niet wettig en overtuigend bewezen.

Opheffing van het tegen verdachte verleende bevel tot voorlopige hechtenis in

de zaak met parketnummer 01/845487-07 met ingang van heden. Deze voorlopige

hechtenis is op 9 januari 2008 reeds geschorst.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. drs. W.A.F. Damen, voorzitter,

mr. K. Visser en mr. M. Lammers, leden,

in tegenwoordigheid van mr. M.A. Bijl, griffier,

en is uitgesproken op 25 februari 2008.