Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2008:BC4828

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
25-02-2008
Datum publicatie
25-02-2008
Zaaknummer
01/849264-07
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Een gevangenisstraf van 270 dagen waarvan 123 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar voor het voorhanden hebben van een automatisch vuurwapen.

Vrijspraak van opiumwetdelicten en witwassen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

verkort vonnis

RECHTBANK 'S-HERTOGENBOSCH

Sector Strafrecht

Parketnummer: 01/849264-07

Datum uitspraak: 25 februari 2008

Verkort vonnis van de rechtbank ’s-Hertogenbosch, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte]

geboren op [geboortedatum] 1973 te [geboorteplaats] ([land]),

wonende te [woonplaats] [adres].

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 18 juli 2007, 14 september 2007, 14 november 2007 en 11 februari 2008.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 19 juni 2007.

De tenlastelegging is op vordering van de officier van justitie ter terechtzitting van 14 september 2007 gewijzigd. Van deze vordering is een kopie aan dit vonnis gehecht.

Aan verdachte is, na voornoemde wijziging, tenlastegelegd dat:

1.

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 april 2007 tot en met 23 april 2007 te Rotterdam en/of 's-Hertogenbosch, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, een hoeveelheid van een materiaal bevattende een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I en/of lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

(artikel 2 onder B en C Opiumwet en/of artikel 3 onder B en C Opiumwet)

(Gemini-01)

2.

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 april 2007 tot en met 23 april 2007 te 's-Hertogenbosch en/of Rotterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of buiten het grondgebied van Nederland brengen van een hoeveelheid van een materiaal bevattende een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I voor te bereiden en/of te bevorderen, een of meer anderen heeft getracht te bewegen om dat/die feit(en) te plegen,

te doen plegen, uit te lokken en/of om daarbij behulpzaam te zijn en/of om

daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen, en/of

heeft getracht zich en/of een of meer anderen gelegenheid en/of middelen en/of

inlichtingen tot het plegen van dat/die feit(en) te verschaffen en/of

voorwerpen en/of vervoermiddelen en/of stoffen en/of gelden en/of andere

betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan hij wist of ernstige redenen

had om te vermoeden dat deze bestemd was/waren tot het plegen van dat/die

feit(en), hebbende verdachte en/of (een of meer van) verdachtes mededader(s), toen en

daar: - (telefonische) gesprekken gevoerd met [medeverdachte 1] en/of [persoon 1] en/of een of

meer andere (onbekend gebleven) personen aangaande de aankoop en/of verkoop

en/of bestelling en/of vervoer en/of opslag en/of kwaliteit van verdovende middelen voorkomende op lijst I van de Opiumwet;

(met dit feit wordt expliciet bedoeld de handelingen welke geen betrekking

hebben op het onder feit 1 tenlastegelegde)

(artikel 10a lid 1 Opiumwet)

(Gemini-01)

3.

hij in of omstreeks de periode van 1 april 2007 tot en met 23 april 2007 te 's-Hertogenbosch en/of Rotterdam, in elk geval in Nederland, (een) voorwerp(en), te weten een hoeveelheid geld en/of een hoeveelheid geld ten behoeve van de aanschaf en/of betaling van een personenauto, te weten een Volkswagen, type Golf ([kentekennr 1]), heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen en/of heeft omgezet en/of van een of

meer voorwerp(en) gebruik heeft gemaakt, terwijl hij wist dat dat/die voorwerp(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf;

(artikel 420 bis Wetboek van Strafrecht)

(Gemini-05)

4.

hij in of omstreeks de periode van 1 april 2007 tot en met 23 april 2007 te 's-Hertogenbosch een vuurwapen van categorie II, te weten een Glock, type 19C, kaliber 9 mm Para, voorhanden heeft gehad;

De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover

daaraan in de Wet wapens en munitie betekenis is gegeven, geacht in dezelfde

betekenis te zijn gebezigd;

(artikel 26 Wet Wapens en Munitie)

(Gemini-04)

De geldigheid van de dagvaarding.

De dagvaarding voldoet aan alle wettelijke eisen.

De bevoegdheid van de rechtbank.

Krachtens de wettelijke bepalingen is de rechtbank bevoegd van het tenlastegelegde kennis te nemen.

De ontvankelijkheid van de officier van justitie.

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen omstandigheden gebleken, die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan.

Schorsing der vervolging.

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen gronden voor schorsing der vervolging gebleken.

Bewijsoverweging.

ten aanzien van feit 1 en feit 2

De officier van justitie heeft gevorderd verdachte vrij te spreken van het onder 1 en van het onder 2 tenlastegelegde feit. Zij is van mening dat verdachte zich in de tenlastegelegde periode wel degelijk heeft schuldig gemaakt aan handel in verdovende middelen en de voorbereiding hiervan, maar dat uit de bewijsmiddelen niet kan worden afgeleid in welk soort drugs gehandeld werd.

De rechtbank overweegt het volgende. In het onderliggende dossier bevindt zich een groot aantal telefoontapverslagen en observatieverslagen over een periode van enkele weken. Uit de tapverslagen blijkt dat verdachte en zijn medeverdachten

(medeverdachte 1 en medeverdachte) onderling in wisselende combinaties veelvuldig en met versluierd taalgebruik praten over handel in bepaalde zaken, die niet expliciet worden genoemd, maar waarvoor zij wisselende termen gebruiken. Zo wordt onder andere gesproken over spul dat moet worden betaald en gebracht, hoeveelheden en monsters. Een en ander rechtvaardigt het vermoeden dat verdachte zich bezig hield met handel in verdovende middelen. Dit vermoeden wordt verstrekt door de frequentie van de telefonische contacten. Daarnaast blijkt uit observatieverslagen dat verdachte en zijn medeverdachten elkaar geregeld troffen.

Hoewel het dossier aldus wel aanwijzingen bevat dat er sprake is van handel in verdovende middelen, kan dit naar het oordeel van de rechtbank niet met zekerheid worden vastgesteld. Voorts kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden vastgesteld of deze handel betrekking had op middelen van lijst I of van lijst II, hetgeen kwalificatie van het feit onmogelijk maakt. De rechtbank zal verdachte vrijspreken van het onder 1 en van het onder 2 tenlastegelegde feit.

ten aanzien van feit 3

De officier van justitie heeft aan verdachte tenlastegelegd dat hij geld voorhanden heeft gehad, wetende dat dat afkomstig was van enig misdrijf, hetgeen is onderbouwd als volgt. Verdachte heeft in de tenlastegelegde periode voor € 9.000,00 een auto gekocht, terwijl hij al geruime tijd slechts over een uitkering beschikte. Het kan niet anders zijn dan dat het geld waarmee verdachte de auto heeft betaald afkomstig was uit illegale praktijken.

Verdachte heeft aangevoerd dat de auto niet door hem, maar door zijn nicht is gekocht en betaald.

De rechtbank overweegt hieromtrent als volgt. Uit het dossier en de verklaringen daarin komt naar voren dat de betreffende auto op naam is gesteld van een derde. Al zou verdachte degene zijn geweest uit wiens zak de auto op 20 april 2007 middellijk of onmiddellijk is betaald, dan nog kan op basis van het feit dat verdachte al langere tijd slechts over een uitkering beschikte niet zonder meer bewezen worden geacht dat deze € 9.000,00 afkomstig moet zijn uit misdrijf. De rechtbank zal verdachte van dit feit vrijspreken.

De bewijsbeslissing.

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan verdachte onder 1, 2 en 3 is tenlastegelegd, zodat de verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.

De bewezenverklaring.

De rechtbank acht, op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de bewijsmiddelen, ten aanzien van verdachte, wettig en overtuigend bewezen dat

4.

hij op 23 april 2007 te 's-Hertogenbosch een vuurwapen van categorie II, te weten een Glock, type 19C, kaliber 9 mm Para, voorhanden heeft gehad;

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De kwalificatie.

Het bewezenverklaarde levert op het in de uitspraak vermelde strafbare feit.

De strafbaarheid.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van het feit of van de verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen te zijnen laste bewezen is verklaard.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen:

Wetboek van Strafrecht art. 10, 14a, 14b, 14c, 27, 36b en 36c,

Wet wapens en munitie art. 2, 26 en 55

DE OVERWEGINGEN DIE TOT DE BESLISSING HEBBEN GELEID

De eis van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft gevorderd verdachte vrij te spreken van het onder 1 en het onder 2 tenlastegelegde feit en gevorderd dat verdachte ter zake van het onder 3 en van het onder 4 tenlastegelegde feit zal worden veroordeeld tot 18 maanden gevangenisstraf, met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht.

Voorts heeft de officier van justitie gevorderd dat het in beslag genomen vuurwapen en de in beslag genomen holster zullen worden onttrokken aan het verkeer.

De op te leggen straf(fen) en/of maatregel(en).

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd heeft de rechtbank gelet op:

a. de aard van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan,

b. de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

Bij de strafoplegging zal de rechtbank in het bijzonder rekening houden met de volgende uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren gekomen omstandigheden ten bezware van verdachte:

- de ernst van het door verdachte gepleegde strafbare feit in verhouding tot andere strafbare feiten, zoals tot uitdrukking komt in het wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd;

- blijkens een hem betreffend uittreksel uit het algemeen documentatieregister is verdacht reeds eerder met justitie in aanraking geweest, onder meer ook wegens een soortgelijk feit als het onderhavige.

De rechtbank zal verdachte een gevangenisstraf opleggen waarvan een deel voorwaardelijk zal zijn. Met betrekking tot het voorwaardelijk op te leggen deel van deze straf zal de rechtbank bepalen dat dit niet zal worden tenuitvoergelegd mits verdachte zich gedurende een hierna vast te stellen proeftijd aan de voorwaarde houdt dat hij zich niet aan een strafbaar feit zal schuldig maken. De rechtbank wil met een en ander enerzijds de ernst van het door verdachte gepleegde strafbare feit tot uitdrukking brengen en anderzijds door invloed uit te oefenen op het gedrag van de verdachte het door verdachte opnieuw plegen van een strafbaar feit tegengaan.

Nu de rechtbank, anders dan de officier van justitie, van oordeel is dat verdachte ook van feit 3 dient te worden vrijgesproken, zal zij een lagere straf opleggen dan is gevorderd.

De raadsman heeft verzocht bij bepaling van de strafmaat rekening te houden met de verklaring van zijn cliënt dat het vuurwapen toebehoorde aan een derde en niet aan verdachte zelf.

Als deze verklaring van verdachte al op waarheid berust - verdachte zegt niet te willen verklaren van wie dit wapen dan wel is - dan nog doet dit naar het oordeel van de rechtbank niet af aan de ernst van het ten aanzien van verdachte bewezenverklaarde misdrijf. Daarbij weegt mee dat sprake is van een automatisch vuurwapen, dat nog grotere risico’s meebrengt voor de levens van anderen.

De rechtbank zal voorts bevelen dat het in beslag genomen automatische vuurwapen en de heupholster, met betrekking tot welke het feit is begaan, zullen worden onttrokken aan het verkeer.

De rechtbank zal ten aanzien van parketnummer 01/849264-07 het reeds geschorste bevel tot voorlopige hechtenis opheffen.

DE UITSPRAAK

Verklaart het tenlastegelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Het bewezenverklaarde levert op het misdrijf:

ten aanzien van feit 4:

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet Wapens en Munitie,

terwijl het feit wordt begaan met betrekking tot een wapen van categorie II

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

BESLISSING:

Ten aanzien van feit 1, feit 2 en feit 3:

Vrijspraak, achtende de rechtbank het tenlastegelegde niet wettig en overtuigend bewezen.

Ten aanzien van feit 4:

Gevangenisstraf voor de duur van 270 dagen met aftrek overeenkomstig artikel 27

Wetboek van Strafrecht, waarvan 123 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2

jaren.

Onttrekking aan het verkeer van de inbeslaggenomen goederen, te weten: een

vuurwapen (Glock) en een heupholster.

Opheffing van het tegen verdachte verleende bevel tot voorlopige hechtenis met

ingang van heden. Deze voorlopige hechtenis is op 14 november 2007 reeds

geschorst.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. drs. W.A.F. Damen, voorzitter,

mr. K. Visser en mr. M. Lammers, leden,

in tegenwoordigheid van mr. M.A. Bijl, griffier,

en is uitgesproken op 25 februari 2008.