Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2008:BC4812

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
25-02-2008
Datum publicatie
25-02-2008
Zaaknummer
01/845248-07 en 01/845492-07
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Gevangenisstraf van 180 dagen waarvan 102 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar voor medeplegen van poging tot afpersing. Vrijspraak van opiumwetdelicten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

verkort vonnis

RECHTBANK 'S-HERTOGENBOSCH

Sector Strafrecht

Parketnummer: 01/845248-07 en 01/ 845492-07 (ter terechtzitting gevoegd)

Datum uitspraak: 25 februari 2008

Verkort vonnis van de rechtbank ’s-Hertogenbosch, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte]

geboren in 1969 te [geboorteplaats] ([land]),

wonende te [woonplaats], [adres]

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 18 juli 2007, 14 september 2007, 14 november 2007 en 11 februari 2008.

Op de zitting van 11 februari 2008 heeft de rechtbank de tegen verdachte, onder de hiervoor genoemde parketnummers, aanhangig gemaakte zaken gevoegd.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaardingen van respectievelijk 19 juni 2007 en 17 januari 2008.

De tenlastelegging in de zaak met parketnummer 01/845248-07 is op vordering van de officier van justitie ter terechtzitting van 14 september 2007 gewijzigd. Van deze vordering is een kopie aan dit vonnis gehecht.

Aan verdachte is, na voornoemde wijziging, tenlastegelegd dat:

parketnummer: 01/845248-07

1.

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 april 2007 tot en met 23 april 2007 te Rotterdam en/of 's-Hertogenbosch, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, een hoeveelheid van een materiaal bevattende een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I en/of lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

(artikel 2 onder B en C Opiumwet en/of artikel 3 onder B en C Opiumwet)

(Gemini-01)

2.

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 mei 2006 tot en met 23 april 2007 te 's-Hertogenbosch en/of Rotterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of buiten het grondgebied van Nederland brengen van cocaine en/of een hoeveelheid van een materiaal bevattende een (ander) middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I voor te

bereiden en/of te bevorderen, een of meer anderen heeft getracht te bewegen om dat/die feit(en) te plegen, te doen plegen, uit te lokken en/of om daarbij behulpzaam te zijn en/of om

daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen, en/of heeft getracht zich en/of een of meer anderen gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat/die feit(en) te verschaffen en/of voorwerpen en/of vervoermiddelen en/of stoffen en/of gelden en/of andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan hij wist of ernstige redenen had om te vermoeden dat deze bestemd was/waren tot het plegen van dat/die

feit(en), hebbende verdachte en/of (een of meer van) verdachtes mededader(s), toen en

daar:

- (telefonische) gesprekken gevoerd met [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 5] en/of een of meer andere (onbekend gebleven) personen aangaande de aankoop en/of verkoop en/of bestelling en/of vervoer en/of opslag en/of kwaliteit van verdovende middelen voorkomende op lijst I van de Opiumwet en/of

- een personenauto (Opel Astra met [kentekennr. 1]) voorhanden gehad die

speciaal geprepareerd was om verdovende middelen in/mee te vervoeren;

(met dit feit wordt expliciet bedoeld de handelingen welke geen betrekking

hebben op het onder feit 1 tenlastegelegde)

(artikel 10a lid 1 Opiumwet)

(Gemini-01)

3.

Hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 april 2007 tot en met 23 april 2007 te Rotterdam, in elk geval in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer 1] te dwingen tot de afgifte van een geldbedrag

van 3000 euro, in elk geval enig geldbedrag, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), hebbende verdachte en/of zijn mededader(s) gehandeld als volgt:

- verdachte heeft op 17 april 2007 (meermalen) telefonisch contact gehad met [slachtoffer 1] en [slachtoffer 1] (al dan niet in de Arabische taal) de woorden toegevoegd: "Of je hebt het geld van [medeverdachte 4] beschikbaar en het brengen of we zullen grote problemen hebben" en/of "Als je mij ziet dan ga je dood" en/of "Jij gaat mij vanavond zien, in jouw huis, nummer 57a" en/of "Je gaat mij zien. Ga je het geld brengen?" en/of "Je moet naar buiten lopen richting het

café en daar zal je een busje zien staan", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking en/of

- [medeverdachte 4] heeft op of rond 19 april 2007 telefonisch contact gehad met [slachtoffer 1] en [slachtoffer 1] (al dan niet in de Arabische taal) de woorden toegevoegd: "die gasten zijn Algerijnen en er is niet met hen te praten" en/of "Als je niet rechtlijnig doet gaan ze je vermoorden" en/of "Wil je dood?", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

(artikel 317/47/45 Wetboek van Strafrecht)

Subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of

zou kunnen leiden:

Hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 april 2007 tot en met 23 april 2007 te Rotterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, [slachtoffer 1], door geweld of enige andere feitelijkheid en/of door bedreiging met geweld of enige andere feitelijkheid gericht tegen [slachtoffer 1] wederrechtelijk heeft gedwongen iets te doen, niet te doen of te dulden, immers heeft/hebben verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(s) gehandeld als volgt:

- verdachte heeft op 17 april 2007 (meermalen) telefonisch contact gehad met [slachtoffer 1] en [slachtoffer 1] (al dan niet in de Arabische taal) de woorden toegevoegd: "Of je hebt het geld van [medeverdachte 4] beschikbaar en het brengen of we zullen grote problemen hebben" en/of "Als je mij ziet dan ga je dood" en/of "Jij gaat mij vanavond zien, in jouw huis, nummer 57a" en/of "Je gaat mij zien. Ga je het geld brengen?" en/of "Je moet naar buiten lopen richting het

café en daar zal je een busje zien staan", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking en/of

- [medeverdachte 4] heeft op of rond 19 april 2007 telefonisch contact gehad met [slachtoffer 1] en [slachtoffer 1] (al dan niet in de Arabische taal) de woorden toegevoegd: "die gasten zijn Algerijnen en er is niet met hen te praten" en/of "Als je niet rechtlijnig doet gaan ze je vermoorden" en/of "Wil je dood?", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking,

(artikel 284 Wetboek van Strafrecht)

(Gemini-02)

parketnummer: 01/845492-07

1.

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 01 januari 2006 tot en met 31 mei 2007 te Rotterdam, in elk geval in Nederland, (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland (te weten Belgie en/of Frankrijk en/of Spanje) heeft gebracht een of meer hoeveelhe(i)den van een materiaal bevattende cocaine, zijnde cocaine een middel als bedoeld in de bij de

Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

(artikel 2 Opiumwet)

De geldigheid van de dagvaardingen.

De raadsman heeft naar voren gebracht dat hij ten aanzien van parketnummer 01/845248-07 van mening is dat de tenlastelegging onder feit 2 onvoldoende duidelijk is. De handelingen en de pleegperiode betreffen deels dezelfde handelingen en periode als bedoeld in het onder parketnummer 01/845492-07 tenlastegelegde feit. De raadsman verzoekt daarom de dagvaarding ten aanzien van feit 2 nietig te verklaren.

De rechtbank overweegt hieromtrent het volgende. Onder parketnummer 01/845492-07 is aan verdachte uitvoer van cocaïne tenlastegelegd. Uit het onderliggende dossier blijkt dat verdachte dit feit zou hebben gepleegd samen met [medeverdachte 3]

Feit 2 van parketnummer 01/845248-07 heeft betrekking op strafbare feiten, eveneens de Opiumwet betreffend, welke verdachte in dezelfde periode zou hebben gepleegd samen met verdachten [medeverdachte 1], [medeverdachte 2] en [medeverdachte 5] Dit blijkt zowel uit de onderliggende dossiers als ook uit de laatste alinea van de tenlastelegging zelf, beginnend met “(telefonische) gesprekken” en eindigend met “van de Opiumwet en/of”. Naar het oordeel van de rechtbank is, zoals ter terechtzitting is gebleken, voor verdachte en zijn raadsman voldoende duidelijk geweest op welke gedragingen het onder parketnummer 01/845248-07 onder 2 tenlastegelegde feit betrekking heeft. De rechtbank verwerpt het verweer.

De dagvaardingen voldoen aan alle wettelijke eisen.

De bevoegdheid van de rechtbank.

Krachtens de wettelijke bepalingen is de rechtbank bevoegd van het tenlastegelegde kennis te nemen.

De ontvankelijkheid van de officier van justitie.

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen omstandigheden gebleken, die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan.

Schorsing der vervolging.

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen gronden voor schorsing der vervolging gebleken.

Bewijsoverweging.

parketnummer 01/845248-07 ten aanzien van feit 1 en feit 2

De officier van justitie is van mening dat er ten aanzien van feit 1 en feit 2 van parketnummer 01/845248-07 voldoende wettig en overtuigend bewijs is om tot een veroordeling te komen. Verwezen wordt naar afgetapte telefoongesprekken en observaties, waaruit blijkt dat wordt gehandeld in verdovende middelen. Anders dan bij medeverdachten kan ten aanzien van [verdachte] wel worden vastgesteld om welke soort drugs het gaat, namelijk om cocaïne. Hierbij wijst zij op de verklaring die [medeverdachte 3] heeft afgelegd en op het feit dat er minuscule restjes cocaïne zijn aangetroffen in de auto waar verdachte in zat op het moment dat hij werd aangehouden.

De rechtbank overweegt het volgende. In het onderliggende dossier bevindt zich een groot aantal telefoontapverslagen en observatieverslagen over een periode van enkele weken. Uit de tapverslagen blijkt dat verdachte en zijn medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] onderling in wisselende combinaties veelvuldig en met versluierd taalgebruik praten over handel in bepaalde zaken, die niet expliciet worden genoemd, maar waarvoor zij wisselende termen gebruiken. Zo wordt onder andere gesproken over spul dat moet worden betaald en gebracht, hoeveelheden en monsters. Een en ander rechtvaardigt het vermoeden dat verdachte zich bezig hield met handel in verdovende middelen. Dit vermoeden wordt verstrekt door de frequentie van de telefonische contacten. Daarnaast blijkt uit observatieverslagen dat verdachte en zijn medeverdachten elkaar geregeld troffen.

Hoewel het dossier aldus wel aanwijzingen bevat dat er sprake is van handel in verdovende middelen, kan dit naar het oordeel van de rechtbank niet met zekerheid worden vastgesteld.

Voorts kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden vastgesteld of deze handel betrekking had op middelen van lijst I of van lijst II, hetgeen kwalificatie van het feit onmogelijk maakt. De verklaring van [medeverdachte 3] met betrekking tot cocaïne vindt, ondanks aanvullend onderzoek, geen steun in het dossier.

Dat verdachte is aangehouden in een auto waarin bij onderzoek minuscule restjes cocaïne worden aangetroffen roept zeker vragen op, maar naar het oordeel van de rechtbank kan hieruit nog niet met zekerheid worden afgeleid dat verdachte en/of zijn medeverdachten (in de auto) ook grotere hoeveelheden cocaïne hebben vervoerd en wanneer dit zou zijn gebeurd. De rechtbank zal verdachte vrijspreken van het onder 1 en van het onder 2 tenlastegelegde feit.

ten aanzien van parketnummer 01/845492-07

Volgens het Openbaar Ministerie is bewezen dat verdachte zich in de periode van 1 januari 2006 tot en met 23 april 2007 samen met [medeverdachte 3] heeft schuldig gemaakt aan uitvoer van cocaïne naar Spanje. Verwezen wordt daarbij naar afgetapte telefoongesprekken, observaties, de verklaring van [medeverdachte 3] en het feit dat verdachte op 23 april 2007 is aangehouden in een, volgens de officier van justitie voor drugsvervoer, geprepareerde auto.

De rechtbank overweegt het volgende. In het onderliggende dossier bevindt zich een groot aantal telefoontapverslagen en observatieverslagen over een periode van enkele weken. Uit de tapverslagen blijkt dat verdachte en zijn [medeverdachte 3] onderling veelvuldig en met versluierd taalgebruik praten over handel in bepaalde zaken, die niet expliciet worden genoemd, maar waarvoor zij wisselende termen gebruiken. Zo wordt onder andere gesproken over spul dat moet worden betaald en gebracht, hoeveelheden en monsters. Een en ander rechtvaardigt het vermoeden dat verdachte zich bezig hield met handel in verdovende middelen, maar niet met zekerheid valt vast te stellen dat wordt gesproken over handel in cocaïne. Uit de observaties blijkt dat verdachte en [medeverdachte 3] elkaar meermalen hebben getroffen, maar met welk doel dit was valt eveneens niet vast te stellen.

[medeverdachte 3] heeft verklaard dat verdachte in auto’s handelde en dat hij in dat kader wel vaker voor verdachte met een auto naar Spanje reed. Op een gegeven moment zou hij van ene [persoon 1] hebben gehoord dat er cocaïne verstopt zat in deze auto’s. Onderzoek om deze [persoon 1] te vinden en onderzoek in Spanje om de lezing van [medeverdachte 3] na te trekken, heeft niets opgeleverd. Ook is, op een klein spoor in de auto waarin verdachte werd aangehouden na, op geen enkel moment daadwerkelijk cocaïne aangetroffen bij verdachte of [medeverdachte 3]. De rechtbank acht het tenlastegelegde niet wettig en overtuigend bewezen en zal verdachte daarom vrijspreken.

ten aanzien van parketnummer 01/845248-07 feit 3

De raadsman heeft verzocht zijn cliënt ten aanzien van het onder parketnummer 01/845248-07 onder 3 tenlastegelegde feit vrij te spreken wegens het ontbreken van wettig en overtuigend bewijs. Stemherkenning van zijn cliënt heeft eerder plaatsgevonden en niet aan de hand van in de tenlastegelegde periode gevoerde en afgetapte gesprekken, zodat deze gesprekken niet mogen worden gebezigd tot bewijs. Voorts heeft de raadsman opgemerkt dat door [slachtoffer 1] geen aangifte is gedaan en deze zichzelf kennelijk niet als slachtoffer ziet.

De rechtbank overweegt het volgende. Tijdens een grootschalig onderzoek naar Opiumwetdelicten, waarin ook telefoontaps zijn uitgezet, zijn gesprekken opgevangen waarin op niet mis te verstane wijze aan een persoon duidelijk wordt gemaakt dat hij een geldbedrag van € 3.000,00 aan ene [medeverdachte 4] moet betalen. Ten aanzien van tijdens het onderzoek afgetapte gesprekken heeft steekproefsgewijs stemherkenning plaatsgevonden, waarbij ook verdachtes stem door een verbalisant is herkend. Dat de stemherkenning niet heeft plaatsgevonden aan de hand van op deze zaak betrekking hebbende gesprekken staat er niet aan in de weg dat deze taps kunnen dienen als bewijs: immers hoeft niet voor elk gesprek afzonderlijk een stemherkenning plaats te vinden.

Daarnaast verklaart ook [medeverdachte 5] dat verdachte degene is [slachtoffer 1] heeft gebeld.

De rechtbank wijst er op dat de omstandigheid dat [slachtoffer 1] geen aangifte heeft gedaan, niet aan vervolging in de weg staat. De rechtbank is voorts van oordeel dat deze omstandigheid niet hoeft te betekenen dat [slachtoffer 1] zich niet bedreigd voelde, zoals de raadsman suggereert. Uit het dossier blijkt immers dat zowel verdachte als medeverdachte (medeverdachte 4) ( [slachtoffer 1] heeft gebeld en dat zij de woorden zoals in de tenlastelegging zijn vermeld, of woorden van gelijke aard of strekking aan [slachtoffer 1] hebben toegevoegd. Voorts is de rechtbank van oordeel dat die woorden wel degelijk een bedreiging inhouden en dat dergelijk taalgebruik niet hoort bij normale incassopraktijken. Daarbij bestaat de kans dat [slachtoffer 1] zich zo bedreigd voelde dat hij geen aangifte meer durfde te doen.

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan.

De bewijsbeslissing.

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan verdachte onder parketnummer 01/845248-07 onder 1 en onder 2 en onder parketnummer 01/845492-07 is tenlastegelegd, zodat de verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.

De bewezenverklaring.

De rechtbank acht, op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de bewijsmiddelen, ten aanzien van verdachte, wettig en overtuigend bewezen dat

3. (primair)

hij in de periode van 1 april 2007 tot en met 23 april 2007 te Rotterdam, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk om een ander wederrechtelijk te bevoordelen, door bedreiging met geweld,

[slachtoffer 1] te dwingen tot de afgifte van een geldbedrag van 3000 euro, toebehorende aan [slachtoffer 1], hebbende verdachte en/of zijn mededaders gehandeld als volgt:

- verdachte heeft op 17 april 2007 meermalen telefonisch contact gehad met [slachtoffer 1] en [slachtoffer 1] (al dan niet in de Arabische taal) de woorden toegevoegd: "Of je hebt het geld van [medeverdachte 4] beschikbaar en het brengen of we zullen grote problemen hebben" en "Als je mij ziet dan ga je dood" en "Jij gaat mij vanavond zien, in jouw huis, nummer 57a" en "Je gaat mij zien. Ga je het geld brengen?" en "Je moet naar buiten lopen richting het café en daar zal je een busje zien staan", en

- [medeverdachte 4] heeft op 19 april 2007 contact gehad met [slachtoffer 1] en [slachtoffer 1] (al dan niet in de Arabische taal) de woorden toegevoegd: "die gasten zijn Algerijnen en er is niet met hen te praten" en "Als je niet rechtlijnig doet gaan ze je vermoorden" en "Wil je dood?", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De kwalificatie.

Het bewezenverklaarde levert op het in de uitspraak vermelde strafbare feit.

De strafbaarheid.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van het feit of van de verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen te zijnen laste bewezen is verklaard.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen:

Wetboek van Strafrecht art. 10, 14a, 14b, 14c, 27, 36b, 36c, 45, 47 en 317

DE OVERWEGINGEN DIE TOT DE BESLISSING HEBBEN GELEID

De eis van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het onder parketnummer 01/845248-07 onder 1, onder 2 en onder 3 primair tenlastegelegde feit en ter zake van het onder parketnummer 01/845492-07 tenlastegelegde feit zal worden veroordeeld tot 4 jaar en 6 maanden gevangenisstraf, met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht.

Voorts heeft de officier van justitie ten aanzien van de in beslag genomen goederen gevorderd dat de nummers 1 tot en met 3 van de beslaglijst, te weten papieren en briefjes, zullen worden terug gegeven aan verdachte, dat nummer 4, te weten een geldbedrag van € 3.000,00, verbeurd zal worden verklaard en dat nummer 5, te weten een personenauto, zal worden onttrokken aan het verkeer.

De op te leggen straf(fen) en/of maatregel(en).

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd heeft de rechtbank gelet op:

a. de aard van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan,

b. de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

Bij de strafoplegging zal de rechtbank enerzijds ten bezware van verdachte in het bijzonder rekening houden met de ernst van het door verdachte gepleegde strafbare feit - te weten medeplegen van poging tot afpersing, een ernstige aantasting van de persoonlijke levenssfeer - in verhouding tot andere strafbare feiten, zoals tot uitdrukking komt in het wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

Anderzijds zal de rechtbank in het bijzonder rekening houden met de omstandigheid dat verdachte niet eerder met justitie in aanraking is geweest.

De rechtbank zal verdachte een gevangenisstraf opleggen waarvan een deel voorwaardelijk zal zijn. Met betrekking tot het voorwaardelijk op te leggen deel van deze straf zal de rechtbank bepalen dat dit niet zal worden tenuitvoergelegd mits verdachte zich gedurende een hierna vast te stellen proeftijd aan de voorwaarde houdt dat hij zich niet aan een strafbaar feit zal schuldig maken. De rechtbank wil met een en ander enerzijds de ernst van het door verdachte gepleegde strafbare feit tot uitdrukking brengen en anderzijds door invloed uit te oefenen op het gedrag van de verdachte het door verdachte opnieuw plegen van een strafbaar feit tegengaan.

Nu de rechtbank, anders dan de officier van justitie, van oordeel is dat het onder parketnummer 01/845248-07 onder 1 en onder 2 en het onder parketnummer 01/845492-07 tenlastegelegde feit niet wettig en overtuigend kan worden bewezen, zal zij een lagere straf opleggen dan is geëist.

De rechtbank is van oordeel dat de in het dictum nader te noemen in beslag genomen personenauto vatbaar is voor onttrekking aan het verkeer. In deze personenauto is onder de console een (geheime) bergruimte aangetroffen die was afgeplakt met tape. Na onderzoek door het NFI aan deze tape bleken hierop sporen van cocaïne te zitten. Het ongecontroleerde bezit van een dergelijke - geprepareerde - personenauto is naar het oordeel van de rechtbank in strijd met de wet. De rechtbank zal bevelen dat deze personenauto zal worden onttrokken aan het verkeer.

Ten aanzien van de in het dictum nader te noemen in beslag genomen briefjes en papieren zal de rechtbank bepalen dat deze aan verdachte zullen worden terug gegeven.

Voorts zal de rechtbank ten aanzien van het in het dictum nader te noemen in beslag genomen geldbedrag van € 3.000,00 bevelen dat dit zal worden bewaard ten behoeve van de rechthebbende. Verdachte heeft zelf verklaard dat dit geldbedrag niet van hem is.

De rechtbank zal ten aanzien van parketnummer 01/845248-07 en van parketnummer 01/845492-07 het reeds geschorste bevel tot voorlopige hechtenis opheffen.

DE UITSPRAAK

Verklaart het tenlastegelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Het bewezenverklaarde levert op het misdrijf:

ten aanzien van parketnummer 01/845248-07, feit 3 (primair):

medeplegen van poging tot afpersing

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

BESLISSING:

Ten aanzien van parketnummer 01/845248-07 feit 1 en feit 2 en parketnummer 01/845492-07:

Vrijspraak, achtende de rechtbank het tenlastegelegde niet wettig en overtuigend bewezen.

Ten aanzien van parketnummer 01/845248-07, feit 3 (primair):

Gevangenisstraf voor de duur van 180 dagen met aftrek overeenkomstig artikel 27

Wetboek van Strafrecht, waarvan 102 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2

jaren.

Teruggave aan veroordeelde van de in beslag genomen goederen, te weten: papieren en briefjes (nummers 1 tot en met 3 op de beslaglijst).

Bewaring ten behoeve van de rechthebbende van het in beslag genomen goed, te weten een geldbedrag van € 3.000,00 (nummer 4 op de beslaglijst).

Onttrekking aan het verkeer van het in beslag genomen goed, te weten: een personenauto,

Opel Astra, met [kentekennr. 1] (nummer 5 op de beslaglijst).

Opheffing van het onder parketnummer 01/845248-07 tegen verdachte verleende bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van heden. Deze voorlopige hechtenis is op 18 juli 2007 reeds geschorst.

Opheffing van het onder parketnummer 01/845492-07 tegen verdachte verleende bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van heden. Deze voorlopige hechtenis is op 25 oktober 2007 reeds geschorst.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. drs. W.A.F. Damen, voorzitter,

mr. K. Visser en mr. M. Lammers, leden,

in tegenwoordigheid van mr. M.A. Bijl, griffier,

en is uitgesproken op 25 februari 2008.