Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2008:BC4275

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
14-02-2008
Datum publicatie
14-02-2008
Zaaknummer
01/821342-07
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Passagier in een personenauto die plotseling aan de handrem heeft getrokken terwijl de auto met aanzienlijke snelheid over de A2 reed is door de rechtbank voor poging tot doodslag meermalen gepleegd veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden waarvan 6 maanden voorwaardelijk en een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 1 jaar.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht
Wetboek van Strafrecht 287
Wetboek van Strafrecht 302
Wegenverkeerswet 1994
Wegenverkeerswet 1994 5
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2008, 97
JWR 2008/41
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis (promis)

RECHTBANK 'S-HERTOGENBOSCH

Sector Strafrecht

Parketnummer: 01/821342-07

Datum uitspraak: 14 februari 2008

Verkort vonnis van de rechtbank ’s-Hertogenbosch, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[Verdachte]

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1981,

wonende te [woonplaats], [adres]

Dit vonnis is bij verstek gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 31 januari 2008.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 3 januari 2008.

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 28 juli 2007 te Leende, gemeente Heeze-Leende,in elk

geval in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf

om opzettelijk de inzittenden van de personenauto met [kentekennr. 1] te

weten [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [Slachtoffer 3], en/of andere

weggebruikers van het leven te beroven, met dat opzet - terwijl voornoemde

auto met aanzienlijke snelheid over de autosnelweg A2 reed - aan de handrem

van die personenauto heeft getrokken, terwijl de uitvoering van dat

voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

(artikel 287/45 WvSr)

Subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of

zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 28 juli 2007 te Leende, gemeente Heeze-Leende, in elk

geval in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf

om aan de inzittenden van de personenauto met [kentekennr. 1] te weten [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of

[slachtoffer 3], en/of aan andere weggebruikers,

opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet - terwijl

voornoemde auto met aanzienlijke snelheid over de autosnelweg A2 reed - aan de

handrem van die personenauto heeft getrokken, terwijl de uitvoering van dat

voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

(artikel 302/45 WvSr)

meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht

of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 28 juli 2007 te Leende, gemeente Heeze-Leende, in elk

geval in Nederland, op de weg, de autosnelweg A2, aan de handrem van de over

die autosnelweg met een aanzienlijke snelheid rijdende personenauto met

[kentekennr. 1] heeft getrokken, door welke gedraging(en) van verdachte

gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het

verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd;

De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover

daaraan in de Wegenverkeerswet 1994 betekenis is gegeven, geacht in dezelfde

betekenis te zijn gebezigd;

(artikel 5 Wegenverkeerswet 1994)

De formele vragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het tenlastegelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in zijn vordering worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

De bewijsmiddelen en de beoordeling daarvan.

1. Vaststaande feiten:

De rechtbank stelt het navolgende vast.

Op 28 juli 2007 bevond verdachte zich omstreeks 19.30 uur als inzittende in een grijze personenauto met [kentekennr. 1] op de autosnelweg A2 te Leende, gemeente Heeze-Leende. In deze auto, die bestuurd werd door [slachtoffer 1], bevonden zich eveneens [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3]1. Op een gegeven moment kwam de auto op de linker rijstrook tot stilstand, met de voorzijde van het voertuig in tegengestelde richting van het overige verkeer. Een blauwe personenauto, die in de buurt van de bovengenoemde personenauto reed, kwam in de berm aan de rechterzijde van de weg op zijn kop tot stilstand. Geen van de inzittenden van voormelde auto’s heeft lichamelijk letsel opgelopen2.

2. Het standpunt van de verdediging:

De verdediging stelt zich op het standpunt dat, zo en al aan de handrem zou zijn getrokken, niet kan worden vastgesteld wie aan de handrem heeft getrokken. Verdachte dient derhalve te worden vrijgesproken van hetgeen hem is tenlastegelegd.

3. Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen hetgeen verdachte primair ten laste is gelegd, te weten: poging tot doodslag van de inzittenden van de grijze en de blauwe auto, alsmede van andere weggebruikers. De officier van justitie komt tot deze conclusie op basis van de verklaringen van [slachtoffer 1] en (slachtoffer 2], het proces-verbaal van technisch onderzoek, alsmede de verklaringen van de inzittenden van de andere auto’s die getuige zijn geweest van het ongeluk: [getuige 1], [getuige 2] en [getuige 3]

4. Het oordeel van de rechtbank:

De rechtbank overweegt het volgende.

Getuigen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] verklaren dat verdachte onverwacht en met kracht aan de handrem van de auto heeft getrokken, als gevolg waarvan de bestuurster in eerste instantie de macht over de auto verloor en vervolgens, teneinde een volle aanrijding tegen de vangrail te voorkomen, op de snelweg draaide en tot stilstand kwam3. Hun verklaringen worden ondersteund door het proces-verbaal van het technisch onderzoek waarin wordt geconcludeerd dat de op de plaats van het ongeval aangetroffen blokkeersporen niet anders kunnen zijn ontstaan dan door het blokkeren van de achterwielen van het voertuig waarin verdachte zich bevond door middel van het aantrekken van de handrem4.

[Getuige 3] verklaart dat een vrouwelijke inzittende van de grijze auto meteen na het voorval rennend naar hem toe kwam en wees naar een kleine, donker getinte man als zijnde de man die aan de handrem heeft getrokken5.

Op grond op de hiervoor onder het kopje ‘vaststaande feiten’ besproken feiten en omstandigheden en de hiervoor besproken bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, acht de rechtbank bewezen dat verdachte aan de handrem van de auto heeft getrokken.

De verklaring van verdachte en [slachtoffer 3], inhoudende dat bestuurster [slachtoffer 1] aan een onvoorzichtige inhaalmanoeuvre is begonnen en vervolgens heeft geremd, acht de rechtbank niet aannemelijk, aangezien zij geen steun vindt in het dossier.

Getuigen [getuige 2] [getuige 4] en [getuige 3] hadden, als inzittenden van de auto’s die achter en links van de grijze auto op de A2 reden, vanaf verschillende hoeken zicht op deze grijze auto. Uit hun verklaringen blijkt dat op het moment van het ongeval, de grijze auto, die op de rechterrijstrook reed, links ingehaald werd door de blauwe personenauto. Geen van deze getuigen, die onafhankelijk van elkaar verklaren, vermelden iets over een inhaalmanoeuvre uitgevoerd door de grijze auto6.

De rechtbank acht eveneens bewezen dat de grijze personenauto met het [kentekennr. 1] met aanzienlijke snelheid reed. Getuige 2 heeft verklaard dat zij achter de grijze auto reed met een snelheid van ongeveer 140 km/h en dat zij iets harder reed. Haar medepassagier [getuige 3] noemt een snelheid van ongeveer 130 km/h. Bestuurster [slachtoffer 1] heeft verklaard dat zij tussen de 90 en 100 km/h reed7.

De rechtbank is van oordeel dat verdachte met zijn handelen willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat de inzittenden van de grijze personenauto met het [kentekennr. 1] en andere weggebruikers bij voltooiing van het misdrijf het leven zouden laten. Indien door een passagier van een auto onverwachts aan de handrem wordt getrokken, terwijl die auto met aanzienlijke snelheid over een autosnelweg rijdt bestaat de aanmerkelijke kans dat er een ongeluk plaats vindt tengevolge waarvan de inzittende van die auto en andere weggebruikers komen te overlijden.

[slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] hebben verklaard dat verdachte terwijl hij aan de handrem trok zei dat ze er dan maar allemaal aangingen of “We gaan nu allemaal dood”8. De rechtbank concludeert op basis van deze verklaringen dat verdachte zich bewust was van de risico’s van zijn handelen en dat hij de aanmerkelijke kans dat genoemde personen zouden overlijden heeft aanvaard.

De bewezenverklaring.

De rechtbank acht, op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte

op 28 juli 2007 te Leende, gemeente Heeze-Leende, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk de inzittenden van de personenauto met [kentekennr. 1] te weten [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en [Slachtoffer 3], en andere

weggebruikers van het leven te beroven, met dat opzet - terwijl voornoemde

auto met aanzienlijke snelheid over de autosnelweg A2 reed - aan de handrem

van die personenauto heeft getrokken, terwijl de uitvoering van dat

voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De kwalificatie.

Het bewezenverklaarde levert op het in de uitspraak vermelde strafbare feit.

De strafbaarheid.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van het feit of van de verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen te zijnen laste bewezen is verklaard.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen:

Wetboek van Strafrecht art. 10, 14a, 14b, 14c, 45, 57, 287

Wegenverkeerswet 1994 art. 179a

De strafoplegging.

De eis van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft geëist een werkstraf voor de duur van 240 uur, subsidiair 120 dagen hechtenis en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden met een proeftijd van 2 jaar.

De op te leggen straf en maatregel.

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd heeft de rechtbank gelet op de aard van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan alsmede op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

De rechtbank constateert dat verdachte blijkens een hem betreffend uittreksel uit het algemeen documentatieregister d.d. 8 januari 2008 eerder veroordeeld is voor (medeplegen van) poging tot moord, te weten in 1996. Daarnaast is hij in 2001 en 2004 veroordeeld voor andere geweldsdelicten.

Anders dan de officier van justitie, is de rechtbank van oordeel dat, gelet op dit strafblad en de ernst van het feit, geen werkstraf, doch een gevangenisstraf passend is. Verdachte heeft door zijn handelen welbewust een zeer groot en levensbedreigend gevaar voor de slachtoffers in het leven geroepen, zonder zich om hun lot te bekommeren. Gelet op de verkeerssituatie was er voor het trekken aan de handrem geen enkele aanleiding.

De rechtbank is van oordeel, dat in verband met een juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of geringere straf dan een gevangenisstraf welke vrijheidsbeneming meebrengt voor de duur als hierna te melden.

Met betrekking tot een deel van de op te leggen gevangenisstraf zal de rechtbank bepalen dat dat deel van die straf niet zal worden tenuitvoergelegd mits verdachte zich gedurende een hierna vast te stellen proeftijd aan de voorwaarde houdt dat hij zich niet aan een strafbaar feit zal schuldig maken. De rechtbank wil met een en ander enerzijds de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten tot uitdrukking brengen en anderzijds door invloed uit te oefenen op het gedrag van de verdachte het door verdachte opnieuw plegen van een strafbaar feit tegengaan.

De rechtbank zal aan verdachte tevens een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen opleggen voor de duur als hierna te melden. De rechtbank ontleent deze bevoegdheid aan het bepaalde in artikel 179a van de Wegenverkeerswet. Verdachte heeft door het aantrekken van de handrem van een auto een bedieningsorgaan van die auto gehanteerd waardoor de voortbeweging en rijrichting van die auto werden beïnvloed en aldus heeft verdachte als bestuurder van die auto gefungeerd. De rechtbank acht oplegging van deze maatregel noodzakelijk om verdachte de onjuistheid van de bewezen verklaarde handelwijze te doen inzien. De rechtbank acht het in het belang van de verkeersveiligheid dat verdachte één jaar de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen wordt ontzegd.

De beslissing.

Verklaart het tenlastegelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Het bewezenverklaarde levert op het misdrijf:

T.a.v. primair:

poging tot doodslag, meermalen gepleegd

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot:

T.a.v. primair:

Gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden waarvan 6 maanden voorwaardelijk met

een proeftijd van 2 jaren

T.a.v. primair:

Ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen (bromfietsen daaronder

begrepen) voor de duur van 1 jaar

Dit vonnis is gewezen door:

mr. S.J.W. Hermans, voorzitter,

mr. A.M. Kooijmans-de Kort en mr. H.H.E. Boomgaart, leden,

in tegenwoordigheid van mr. A.C. Colceriu, griffier,

en is uitgesproken op 14 februari 2008.

1 Het ambtsedig eindproces-verbaal van politie Brabant Zuid-Oost, nr. PL2217/07-570795, d.d. 28 juli 2007, in de wettelijke vorm opgemaakt door [politieagent 1], agent van politie, en [brigadier 1], brigadier van politie, (blz. 40 van het eindproces-verbaal nr. PL2217/07007610), inhoudende de verklaring van verdachte

2 Het ambtsedig eindproces-verbaal van politie Brabant Zuid-Oost, nr. PL2217/07007610, d.d. 4 september 2007, in de wettelijke vorm opgemaakt door [politieagent 2] en [politieagent 1], blz. 3.

3 Het ambtsedig eindproces-verbaal van politie Brabant Zuid-Oost, nr. PL2217/07-570795, d.d. 28 juli 2007, in de wettelijke vorm opgemaakt door [brigadier 2], brigadier van politie, en [brigadier 3], brigadier van politie, (blz. 23 van het eindproces-verbaal nr. PL2217/07007610), inhoudende de verklaring van [slachtoffer 1] en het ambtsedig eindproces-verbaal van politie Brabant Zuid-Oost, nr. PL2217/07-570795, d.d. 28 juli 2007, in de wettelijke vorm opgemaakt door [brigadier 2], brigadier van politie, en [brigadier 3], brigadier van politie, (blz. 30 van het eindproces-verbaal nr. PL2217/07007610), inhoudende de verklaring van [slachtoffer 2].

4 Het ambtsedig eindproces-verbaal van politie Brabant Zuid-Oost, nr. PL2219/07-570795, d.d. 30 juli 2007, in de wettelijke vorm opgemaakt door [Hoofdagent], hoofdagent van politie en [brigadier 4] brigadier van politie, blz. 55 van het eindproces-verbaal nr. PL2217/07007610), inhoudende het forensich technisch onderzoek.

5 het ambtsedig eindproces-verbaal van politie Brabant Zuid-Oost, nr. PL2202/07-570795, d.d. 30 juli 2007, in de wettelijke vorm opgemaakt door [politieagent 1], agent van politie, (blz. 38 van het eindproces-verbaal nr. PL2217/07007610), inhoudende de verklaring van [getuige 3]

6 Het ambtsedig eindproces-verbaal van politie Brabant Zuid-Oost, nr. PL2202/07-570795, d.d. 30 juli 2007, in de wettelijke vorm opgemaakt door [politieagent 2], hoofdagent van politie, (blz. 25 van het eindproces-verbaal nr. PL2217/07007610), inhoudende de verklaring van [getuige 2] het ambtsedig eindproces-verbaal van politie Brabant Zuid-Oost, nr. PL2202/07-570795, d.d. 30 juli 2007, in de wettelijke vorm opgemaakt door [politieagent 1], agent van politie, (blz. 32-33 van het eindproces-verbaal nr. PL2217/07007610), inhoudende de verklaring van [getuige 4] het ambtsedig eindproces-verbaal van politie Brabant Zuid-Oost, nr. PL2202/07-570795, d.d. 30 juli 2007, in de wettelijke vorm opgemaakt door [politieagent 1], agent van politie, (blz. 38 van het eindproces-verbaal nr. PL2217/07007610), inhoudende de verklaring van [getuige 3]

7 Het ambtsedig eindproces-verbaal van politie Brabant Zuid-Oost, nr. PL2202/07-570795, d.d. 30 juli 2007, in de wettelijke vorm opgemaakt door [politieagent 2], hoofdagent van politie, (blz. 25 van het eindproces-verbaal nr. PL2217/07007610), inhoudende de verklaring van [getuige 2] en het ambtsedig eindproces-verbaal van politie Brabant Zuid-Oost, nr. PL2217/07-570795, d.d. 28 juli 2007, in de wettelijke vorm opgemaakt door [brigadier 2], brigadier van politie, en [brigadier 3], brigadier van politie, (blz. 23 van het eindproces-verbaal nr. PL2217/07007610), inhoudende de verklaring van [slachtoffer 1]

8 Het ambtsedig eindproces-verbaal van politie Brabant Zuid-Oost, nr. PL2217/07-570795, d.d. 28 juli 2007, in de wettelijke vorm opgemaakt door [brigadier 2], brigadier van politie, en [brigadier 3], brigadier van politie, (blz. 23 van het eindproces-verbaal nr. PL2217/07007610), inhoudende de verklaring van [slachtoffer 1] en het ambtsedig eindproces-verbaal van politie Brabant Zuid-Oost, nr. PL2217/07-570795, d.d. 28 juli 2007, in de wettelijke vorm opgemaakt door [brigadier 2], brigadier van politie, en [brigadier 3], brigadier van politie, (blz. 30 van het eindproces-verbaal nr. PL2217/07007610), inhoudende de verklaring van [slachtoffer 2].