Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2008:BC3979

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
06-02-2008
Datum publicatie
11-02-2008
Zaaknummer
AWB 07-4128
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Beeldkwaliteitplan voor bouwproject niet op juiste wijze tot onderdeel gemaakt van welstandsnota omdat aan het besluit tot wijziging van de (bestaande) welstandsnota geen inspraak is vooraf gegaan. Als gevolg hiervan geeft het beeldkwaliteitplan geen bindend kader voor de welstandstoets, terwijl hier in de besluitvorming wel vanuit is gegaan. Volgt schorsing van de bouwvergunning.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ’s-HERTOGENBOSCH

Sector bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 07/4128

Uitspraak van de voorzieningenrechter van 6 februari 2008

inzake

Stichting Vitalis,

te Amersfoort,

verzoekster,

tegen

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Oirschot,

verweerder,

gemachtigde mr. C.P. Mesker.

Aan het geding heeft als partij deelgenomen Hurks bouw en vastgoed BV, te Eindhoven, vergunninghoudster, gemachtigde mr. C.P. Mesker.

Procesverloop

Bij besluit van 23 oktober 2007 heeft verweerder aan Hurks bouw en vastgoed BV te Eindhoven (hierna: vergunninghoudster) vrijstelling als bedoeld in artikel 19, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO) en reguliere bouwvergunning verleend voor het bouwen van 41 appartementen en een ondergrondse parkeergarage op het adres Agnes van Kleefstraat 65 en 67 ten behoeve van het project ‘Leefdael’ in Oirschot.

Tegen dit besluit heeft verzoekster bij brief van 4 december 2007 bezwaar gemaakt bij verweerder.

Bij brief van eveneens 4 december 2007 heeft verzoekster de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen als bedoeld in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Het verzoek is behandeld ter zitting van de voorzieningenrechter van 23 januari 2008, waar namens verzoekster zijn verschenen mr. J.G.M. Broeders, mr. R.J.A. van Dijk en drs. R.F. van Buren. Verweerder is verschenen bij gemachtigde. Vergunninghoudster is verschenen bij gemachtigde en R. Duin.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 8:81 van de Awb kan indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank bezwaar is gemaakt of administratief beroep ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

2. Voor het treffen van een voorlopige voorziening als hier bedoeld moet worden beoordeeld of het nadeel, dat verzoekster zal ondervinden als gevolg van de uitvoering van het bestreden besluit onevenredig is in verhouding tot de met dit besluit te dienen belangen.

Veelal zal eerst aanleiding zijn een voorziening te treffen indien, op grond van de beschikbare gegevens, moet worden geoordeeld dat er gerede twijfel bestaat of het in de hoofdzaak bestreden besluit in stand kan blijven. Voor zover toetsing aan het in artikel 8:81 van de Awb neergelegde criterium meebrengt dat een beoordeling van het geschil in de bodemprocedure wordt gegeven, heeft het oordeel van de voorzieningenrechter een voorlopig karakter en is dat niet bindend voor het geschil in de bodemprocedure.

3. De voorzieningenrechter zal beoordelen of er aanleiding bestaat verweerders besluit van

23 oktober 2007, waarbij vrijstelling als bedoeld in artikel 19, tweede lid, van de WRO en reguliere bouwvergunning is verleend voor het bouwen van 41 appartementen en een ondergrondse parkeergarage op het perceel Agnes van Kleefstraat 65 en 67 ten behoeve van het project ‘Leefdael’ in Oirschot, te schorsen totdat hierover in bezwaar is beslist.

Feiten

4. Woning Bedrijf Oirschot en vergunninghoudster zijn voornemens het plangebied ‘Leefdael’ te herontwikkelen tot een zogenaamd woonzorggebied. Het plangebied ligt aan de St. Jorisstraat en de Agnes van Kleefstraat, tegenover het verzorgingstehuis Sint Joris. De bedoeling is om in het gebied twee wooncomplexen te bouwen, die bestaan uit meerdere woonblokken. Onderhavig bouwplan betreft het noordoostelijk gelegen complex. Verzoekster is eigenaresse van 64 nabijgelegen seniorenwoningen.

5. Het verzoek om vrijstelling dateert van 25 april 2007 en de aanvraag om bouwvergunning dateert van 7 juli 2007. Oorspronkelijk is de bouwaanvraag ingediend voor 40 appartementen; lopende de procedure is het aantal vergroot naar 41. Het bouwplan heeft voor de vrijstellings-procedure vanaf 4 juli 2007 6 weken ter inzage gelegen. Gedurende deze periode zijn er zienswijzen ingediend. De zienswijze van verzoekster dateert van 3 juli 2007 en is bij brief van 28 augustus 2007 toegelicht. Op 4 september 2007 heeft verweerder besloten de vrijstelling te verlenen, met inachtneming van de naar voren gebrachte zienswijzen.

Standpunten van partijen

6. Verzoekster heeft aan haar verzoek -zakelijk weergegeven- ten grondslag gelegd dat door de gemeente Oirschot, Woning Bedrijf Oirschot, vergunninghoudster en verzoekster aanvankelijk is gesproken over de ontwikkeling van een woonzorgzone voor senioren in een parkachtige setting. Nadat verzoekster om financiële redenen ervoor had gekozen niet meer te participeren zijn er volgens verzoekster wijzigingen aangebracht in de hoogte en de positionering van de bebouwing en heeft een verdichting plaatsgevonden waardoor de parkachtige setting is verdwenen en onvoldoende rekening wordt gehouden met de plannen van verzoekster. Verzoekster stelt zich voorts op het standpunt dat bij het vaststellen van het beeldkwaliteitplan ‘Leefdael’ niet de voorgeschreven procedure is doorlopen en aldus ten onrechte als toetsingskader is gebruikt voor de beoordeling van het bouwplan. Bovendien zijn het beeldkwaliteitplan en de ruimtelijke onderbouwing niet consistent en bevatten zij tegenstrijdige motiveringen. Volgens verzoekster wordt in het bouwplan onvoldoende rekening gehouden met de nadelige ruimtelijke effecten op de aan haar in eigendom toebehorende seniorenwoningen, zoals de toegenomen bouwmassa met als gevolg onder meer, verminderd zicht, schaduwwerking en verminderde daglichttoetreding. Tot slot heeft verzoekster vraagtekens geplaatst bij verweerders standpunt dat voor het bouwplan voldoende parkeerplaatsen voorhanden zullen zijn.

7. Verweerder heeft -zakelijk weergegeven- gesteld dat, hoewel de verschillende plannen niet langer naadloos op elkaar aansluiten omdat partijen onafhankelijk van elkaar zijn doorgegaan, hij niet langer wenst te wachten tot het moment dat verzoekster haar bouwplan indient, omdat een snelle capaciteitsuitbreiding van de ouderen- en gehandicaptenzorg noodzakelijk is. Verweerder betwist dat de massaliteit van de bebouwing door realisering van het bouwplan onaanvaardbaar zal toenemen en wijst erop dat tussen de complexen nog steeds de door verzoekster gewenste verbinding met verzorgingstehuis Sint Joris is opgenomen. Volgens verweerder is sprake van een zeer beperkte vermindering van de bezonning en daglichttoetreding, is het beeldkwaliteitplan op juiste wijze vastgesteld en is geen sprake van strijdigheden met de ruimtelijke onderbouwing. Volgens verweerder voorziet het bouwplan in voldoende parkeerplaatsen.

8. Vergunninghoudster, partij als bedoeld in artikel 8:26 van de Awb, heeft zich -zakelijk weergegeven- aansloten bij de standpunten van verweerder.

Wettelijk kader

9. Ingevolge artikel 19, tweede lid, van de WRO kunnen burgemeester en wethouders vrijstelling verlenen van het bestemmingsplan in door gedeputeerde staten, in overeenstemming met de inspecteur van de ruimtelijke ordening, aangegeven categorieën van gevallen. Gedeputeerde staten kunnen daarbij tevens bepalen onder welke omstandigheden vooraf een verklaring van gedeputeerde staten dat zij tegen het verlenen van vrijstelling geen bezwaar hebben, is vereist. Het bepaalde in het eerste lid met betrekking tot een goede ruimtelijke onderbouwing is van overeenkomstige toepassing

10. Ingevolge artikel 44, eerste lid, van de Woningwet (Ww) mag de reguliere bouwvergunning slechts en moet deze worden geweigerd, indien:

a. (…);

b. (…);

c. (…);

d. het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk of de standplaats, waarop de aanvraag betrekking heeft (…) zowel op zichzelf beschouwd als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, in strijd is met redelijke eisen van welstand, beoordeeld naar de criteria, bedoeld in artikel 12a, eerste lid, onderdeel a, tenzij burgemeester en wethouders van oordeel zijn dat de bouwvergunning niettemin moet worden verleend, of

e. (…).

11. Ingevolge artikel 12, tweede lid, van de Ww kan de gemeenteraad besluiten dat, in afwijking van het eerste lid en artikel 44, eerste lid, onderdeel d, voor een daarbij aan te wijzen gebied of voor een of meer daarbij aan te wijzen categorieën van bestaande en te bouwen bouwwerken of standplaatsen geen redelijke eisen van welstand van toepassing zijn.

Ingevolge het vierde lid van dit artikel betrekt de gemeenteraad de ingezetenen van de gemeente bij de voorbereiding van besluiten als bedoeld in het tweede lid, onderdelen a en b, op de wijze voorzien in de krachtens artikel 150 van de Gemeentewet vastgestelde verordening.

12. Ingevolge artikel 12a, eerste lid, van de Ww stelt de gemeenteraad een welstandsnota vast, inhoudende beleidsregels waarin in ieder geval de criteria zijn opgenomen die burgemeester en wethouders toepassen bij hun beoordeling:

a. of het uiterlijk en de plaatsing van een bouwwerk of standplaats, waarop de aanvraag om bouwvergunning betrekking heeft (…) zowel op zichzelf beschouwd als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, in strijd zijn met redelijke eisen van welstand;

b. (…).

Ingevolge het tweede lid van dit artikel is artikel 12, vierde lid, van overeenkomstige toepassing op de vaststelling of wijziging van de welstandsnota.

Oordeel van de voorzieningenrechter

13. Niet betwist wordt dat aan de formele vereisten voor het volgen van de vrijstellings-procedure ex artikel 19, tweede lid, van de WRO is voldaan. Verweerder heeft zich derhalve terecht bevoegd geacht tot het verlenen van vrijstelling als hier bedoeld.

14. Allereerst wordt ingegaan op verzoeksters betoog dat het beeldkwaliteitplan ‘Leefdael’ niet op juiste wijze is vastgesteld omdat niet aan het vereiste van inspraak is voldaan.

Dit betoog slaagt.

Blijkens de toelichting op het raadsbesluit van 29 mei 2007 heeft de raad van verweerders gemeente met dit besluit beoogd het beeldkwaliteitplan met toepassing van artikel 12a, eerste lid, van de Ww tot onderdeel van de gemeentelijke welstandsnota te maken om te bewerkstelligen dat het beeldkwaliteitplan de status krijgt van een bindend kader voor zowel de welstandscommissie bij de toetsing van concrete bouwplannen aan de redelijke eisen van welstand als verweerder bij de welstandstoets als onderdeel van de bouwvergunnings-procedure. Het raadsbesluit moet derhalve worden aangemerkt als een besluit tot wijziging van de (bestaande) welstandsnota. Ingevolge artikel 12a, tweede lid, van de Ww is op een dergelijk besluit artikel 12, vierde lid, van de Ww van overeenkomstige toepassing. Dit betekent dat aan het raadsbesluit van 29 mei 2007 -kort gezegd- een procedure van inspraak vooraf diende te gaan. De voorzieningenrechter deelt niet de door verweerder en vergunninghoudster bepleite uitleg van artikel 12a, tweede lid, juncto artikel 12, vierde lid, van de Ww, erop neerkomende dat een wijziging van de welstandsnota alleen via een procedure van inspraak tot stand behoeft te komen, indien deze mede inhoudt een besluit als bedoeld in artikel 12, tweede lid, van de Ww. Indien daarvan sprake was, zou die wijziging immers rechtstreeks vallen onder de werking van artikel 12, vierde lid, van de Ww en moet het van overeenkomstige toepassing verklaren van dit artikel in artikel 12a, tweede lid, van de Ww als geheel zinloos worden aangemerkt. De voorzieningenrechter merkt overigens op dat de wetgever kennelijk abusievelijk heeft verzuimd de redactie van artikel 12, vierde lid, van de Ww aan te passen aan die van het op 1 april 2007 in werking getreden gewijzigde tweede lid van dit artikel. Dit doet evenwel niet af aan de uit artikel 12a, tweede lid, van de Ww blijkende wens van de wetgever om de vaststelling en wijziging van de welstandsnota door middel van inspraak tot stand te brengen. Nu -naar niet in geschil is- in casu geen inspraak heeft plaatsgevonden, moet worden vastgesteld dat het beeldkwaliteitplan geen deel is gaan uitmaken van de welstandsnota en derhalve geen bindend kader geeft voor de welstandstoets, terwijl hier door de welstandscommissie in haar advisering en door verweerder in zijn besluitvorming wel vanuit is gegaan. Uit de advisering van de welstandscommissie blijkt immers uitdrukkelijk dat deze het bouwplan slechts acceptabel acht, indien het beeldkwaliteitplan deel zal uitmaken van de welstandsnota, aangezien zij van mening is dat de welstandsnota in ongewijzigde vorm zich tegen het bouwplan verzet. Het voorgaande klemt te meer nu sprake is van een omvangrijk, beeldbepalend bouwplan dat grote gevolgen heeft voor het uiterlijk aanzien van de omgeving.

Conclusie

15. Op grond van vorenstaande overwegingen is de voorzieningenrechter van oordeel dat aan verweerders besluitvorming een ernstig gebrek kleeft. Gelet hierop kan het bezwaar een redelijke kans van slagen niet worden ontzegd en bestaat aanleiding tot het treffen van een voorlopige voorziening, in die zin dat verweerders besluit van 23 oktober 2007 wordt geschorst tot en met 6 weken na de bekendmaking van het besluit op bezwaar. In het licht hiervan behoeft hetgeen overigens door verzoekster is aangevoerd thans geen bespreking.

16. De voorzieningenrechter acht geen termen aanwezig voor het uitspreken van een proceskostenveroordeling, nu niet is gebleken dat door verzoekster gebruik is gemaakt van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

17. De voorzieningenrechter ziet wel aanleiding om met toepassing van artikel 8:82, vierde lid, van de Awb te bepalen dat door de gemeente Oirschot aan verzoekster het betaalde griffierecht ten bedrage van € 285,00 zal worden vergoed.

18. Beslist wordt als volgt.

Beslissing

De voorzieningenrechter,

- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe, in die zin dat verweerders besluit van 23 oktober 2007 wordt geschorst tot en met 6 weken na bekendmaking van het besluit op bezwaar;

- gelast de gemeente Oirschot aan verzoekster te vergoeden het door haar gestorte griffierecht ten bedrage van € 285,00.

Aldus gedaan door mr. W.C.E. Winfield als voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van A.J.H. van der Donk als griffier en uitgesproken in het openbaar op 6 februari 2008.

de voorzieningenrechter is

buiten staat te tekenen

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Afschriften verzonden: