Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2008:BC3454

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
30-01-2008
Datum publicatie
05-02-2008
Zaaknummer
160265 HA ZA 07-1143
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Eiseres is al winkelend ten val gekomen over een doos die in het gangpad van de winkel van gedaagde stond. Zij heeft daarbij armletsel opgelopen en vordert een verklaring voor recht dat gedaagde aansprakelijk is voor de door haar geleden schade. De rechtbank stelt vast dat op het moment van de valpartij door het personeel in de winkel niet werd gewerkt volgens de eigen instructies van gedaagde over de wijze waarop bevoorrading van de winkel dient plaats te vinden. Deze instructies zien nu juist op de veiligheid van medewerkers en klanten. De rechtbank is van oordeel dat de gevaarzetting door gedaagde onrechtmatig is geweest, getoetst aan de zogenaamde Kelderluikcriteria. De rechtbank acht gedaagde aansprakelijk voor de schade van eiseres, maar beslist tot vermindering van de vergoedingsplicht van gedaagde tot 75 % omdat naar haar oordeel 25% van de ontstane schade het gevolg is van onvoldoende oplettendheid van eiseres (eigen schuld).

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 162
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2008, 118
JA 2008/37
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK 'S-HERTOGENBOSCH

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 160265 / HA ZA 07-1143

Vonnis van 30 januari 2008

in de zaak van

[eiseres],

wonende te [woonplaats],

eiseres,

procureur mr. J.E. Lenglet,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

ACTION NON FOOD B.V.,

gevestigd te Zwaagdijk,

gedaagde,

procureur mr. H.E.G. van der Flier.

Partijen zullen hierna [eiseres] en Action genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 8 augustus 2007

- het proces-verbaal van comparitie van 6 december 2007.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. Het geschil

2.1. Action is een winkelketen waar onder meer huishoudelijke artikelen, schoonmaakmiddelen en speelgoed worden verkocht.

2.2. Vaststaat dat [eiseres] op 13 januari 2004 na 17.00 uur tijdens een bezoek aan het filiaal van Action aan de Schaepmanlaan te Oss in een van de gangpaden van de winkel ten val is gekomen, waarbij zij letsel heeft opgelopen aan haar rechterbovenarm.

2.3. [eiseres] vordert in deze procedure een verklaring voor recht dat Action aansprakelijk is voor alle schade die [eiseres] heeft geleden, lijdt en nog zal lijden als gevolg van deze valpartij, en veroordeling van Action in de kosten van deze procedure.

2.4. [eiseres] meent dat Action aansprakelijk is omdat sprake was van een gevaarzettende situatie in de winkel. Ten tijde van het ongeval werd de winkel bevoorraad en stonden in alle gangpaden overal grote en kleine dozen door elkaar, waardoor klanten om de dozen heen moesten laveren om bij de stellingen met producten te komen, aldus [eiseres]. [eiseres] stelt dat zij is gevallen over een kleine doos die dicht bij de stelling stond en die zij niet heeft gezien. Volgens [eiseres] heeft Action onrechtmatig gehandeld jegens [eiseres] door op deze wijze haar winkel te bevoorraden.

2.5. Action concludeert tot afwijzing van de vordering van [eiseres] en betwist dat sprake was van een gevaarzettende situatie. Volgens Action stond de winkel niet vol met dozen. Action wijst er op dat het personeel de instructie heeft geen dozen in de gangpaden te plaatsen en dat na 16.30 uur eigenlijk geen bevoorrading meer plaatsvindt omdat de winkel dan bijna sluit en netjes wordt gemaakt voor de volgende dag. Action kan evenwel niet uitsluiten dat in de winkel nog dozen stonden en dat [eiseres] daarover is gevallen, maar dan was sprake van een voor [eiseres] voorzienbaar gevaar, aldus Action, die de onoplettendheid van [eiseres] aanwijst als oorzaak van de valpartij. Zou aansprakelijkheid van Action worden aangenomen, dan leidt die onoplettendheid van [eiseres] tot forse eigen schuld aan de zijde van [eiseres], zo bepleit Action.

2.6. Op deze en overige stellingen van partijen zal, voor zover van belang, bij de beoordeling nader worden ingegaan.

3. De beoordeling

3.1. Aan de orde is de vraag naar de aansprakelijkheid van Action voor de schade die [eiseres] heeft geleden en nog lijdt doordat zij in de winkel van Action is gevallen.

3.2. Voor wat betreft de toedracht van de valpartij heeft [eiseres] verklaard dat zij is gevallen over een doos die in het gangpad van de winkel stond en die zij niet heeft gezien omdat hij klein was en tegen de stelling aan stond. De grotere dozen, die ook in het gangpad stonden, had zij wel gezien, aldus [eiseres]. Action betwist weliswaar dat de winkel op het moment van de valpartij vol stond met dozen en voert aan dat er na 16.30 uur eigenlijk niet meer wordt bevoorraad, maar Action betwist anderzijds niet dat op het moment dat [eiseres] ten val kwam (na 17.00 uur) nog dozen in het gangpad stonden en dat [eiseres] is gevallen over een kleinere doos die tegen de stelling aan stond. De rechtbank neemt daarom als vaststaand aan dat het ongeval heeft plaatsgevonden op de wijze als door [eiseres] beschreven.

3.3. De handelwijze van Action, waarbij zij dozen in het gangpad van haar winkel heeft laten staan, is alleen dan onrechtmatig als de mate van waarschijnlijkheid van een ongeval ten gevolge daarvan zo groot is dat Action zich naar maatstaven van zorgvuldigheid daarvan had moeten onthouden. Anders gezegd, van onrechtmatig handelen is pas sprake als Action door het laten staan van de dozen in het gangpad meer risico heeft genomen dan redelijkerwijze verantwoord is. Uit het zogenaamde Kelderluikarrest van de Hoge Raad van 5 november 1965 (NJ 1966, 136) volgt dat de vraag of gevaarzetting al dan niet onrechtmatig is, afhangt van de mate van waarschijnlijkheid waarmee niet-inachtneming van de vereiste oplettendheid en voorzichtigheid kan worden verwacht, de hoegrootheid van de kans dat daaruit ongevallen ontstaan, de ernst die de gevolgen daarvan kunnen hebben en de mate van bezwaarlijkheid van het nemen van veiligheidsmaatregelen.

3.4. De rechtbank overweegt dat een winkelier er rekening mee dient te houden dat zijn klanten niet altijd de vereiste oplettendheid en voorzichtigheid in acht nemen bij het lopen door de winkel. De aandacht van winkelend publiek is immers met name gevestigd op de schappen met winkelwaren. Wanneer een winkelier er voor kiest om de winkel tijdens de openingstijden te bevoorraden, moet die bevoorrading plaatsvinden op een wijze die geen gevaar oplevert voor de klanten, rekening houdend met die verminderde oplettendheid van de klanten.

3.5. Action voert aan dat zij haar winkelpersoneel bij aanvang van het dienstverband altijd uitdrukkelijk instructies geeft over de wijze waarop moet worden gewerkt, waarbij ook aandacht wordt besteed aan de veiligheid van medewerkers en klanten. Bevoorrading moet volgens deze instructie plaatsvinden door een volle rolcontainer met dozen in het (ruime) middenpad te plaatsen en vervolgens steeds een doos te nemen, deze uit te pakken bij het schap, de lege doos plat te maken en in een (andere) rolcontainer te leggen en vervolgens een nieuwe doos te nemen. Volgens Action draagt zij haar personeel op geen dozen op de grond te plaatsen en wordt ook in de personeelswijzer die aan nieuwe werknemers wordt uitgereikt expliciet gewezen op het opgeruimd houden van de winkel en het struikelgevaar, doordat daarin wordt aangegeven dat de medewerker moet opletten dat niemand in de winkel kan struikelen over dozen, kratten, verpakkingsmateriaal of bijvoorbeeld het snoer van de stofzuiger.

3.6. De rechtbank stelt vast dat op het moment dat [eiseres] in de winkel aanwezig was, niet werd gewerkt conform de eigen instructies van Action. [eiseres] is immers gevallen over een kleine doos die in het gangpad stond en die op dat moment niet werd uitgepakt door een winkelmedewerker. Action heeft ter zitting aangegeven dat het ondanks de instructie kan voorkomen dat een doos even blijft staan als een medewerker bijvoorbeeld tijdens het uitpakken daarvan door een klant wordt gevraagd waar een bepaald product in de winkel is te vinden en die medewerker met die klant meeloopt. Dat een dergelijke situatie zich in dit geval voordeed is echter niet door Action gesteld en blijkt ook nergens uit. De rechtbank is van oordeel dat Action risico’s heeft genomen door niet te werken volgens de eigen instructies die nu juist zien op de veiligheid van medewerkers en klanten.

3.7. De rechtbank is bovendien van oordeel dat deze gevaarzetting door Action onrechtmatig is geweest, getoetst aan de zogenaamde Kelderluikcriteria.

Zoals eerder overwogen moet een winkelier rekening houden met een verminderde oplettendheid bij het winkelend publiek. Dat [eiseres] in zodanige mate onoplettend is geweest dat Action daar in redelijkheid geen rekening mee behoefde te houden, acht de rechtbank niet aannemelijk. De rechtbank overweegt hiertoe het volgende

3.8. Action voert aan dat [eiseres] verschillende producten in handen had en achterom kijkend door het gangpad liep. Volgens Action blijkt dit uit een verklaring die mevrouw [X], destijds bedrijfsleidster bij Action, over het voorval heeft afgelegd. [eiseres] betwist dat zij spullen in haar handen had en dat zij omkeek toen zij ten val kwam. [eiseres] betwist ook dat mevrouw [X] erbij stond toen zij viel.

De rechtbank kent aan de “verklaring” van mevrouw [X] beperkte bewijskracht toe. Het betreft een conceptverklaring die is opgetekend door een medewerker van Cordaet Personenschade B.V. (hierna: Cordaet) naar aanleiding van een telefoongesprek dat in juni 2007 – derhalve drieëneenhalf jaar ná het ongeval - werd gevoerd met mevrouw [X]. Deze verklaring is als bijlage opgenomen bij het expertiserapport dat in opdracht van de verzekeraar van Action in juni 2007 is uitgebracht door Cordaet. In de conceptverklaring staat niet met zoveel woorden dat mevrouw [X] de valpartij heeft zien gebeuren en een door mevrouw [X] zelf ondertekende versie van deze verklaring is niet in het geding gebracht.

3.9. De rechtbank is van oordeel dat ook indien vast zou komen staan dat [eiseres] spullen in haar handen had op het moment dat zij viel, dit nog niet betekent dat zij bijzonder onoplettend en onvoorzichtig is geweest. Een winkelier moet er rekening mee houden dat klanten met verkoopartikelen (of tassen) in de hand door de winkel lopen. Dat [eiseres] achterom kijkend door de winkel heeft gelopen alvorens zij viel, in die zin dat zij meerdere stappen heeft gezet zonder te kijken waar zij liep, acht de rechtbank niet aannemelijk. Uit de verklaringen van [eiseres] en de door haar overgelegde situatieschets volgt dat [eiseres] is gevallen over een kleine doos die stond op de plaats waar [eiseres] op dat moment doende was met het terugleggen van een product in de schappen.

3.10. De rechtbank overweegt dat wanneer in een winkel grote en kleine dozen in het gangpad op de grond staan, dit het gevaar oplevert dat medewerkers of klanten daarover struikelen, met mogelijk ernstige gevolgen. Dat is ook de reden dat Action zelf haar personeel instrueert geen dozen los op de grond te laten staan en Action had het ontstaan van deze gevaarlijke situatie eenvoudig kunnen voorkomen door volgens de eigen veiligheidsinstructies te werken, waarvan gesteld noch gebleken is dat zij bijzonder bezwaarlijk zijn voor Action.

3.11. Het voorgaande leidt tot de slotsom dat Action aansprakelijk is voor de door [eiseres] geleden en nog te lijden schade. De rechtbank is echter met Action van oordeel dat deze schade mede een gevolg is van de aan [eiseres] toe te rekenen omstandigheid dat zij onvoldoende oplettend is geweest bij het lopen door de winkel. [eiseres] heeft verklaard dat zij bij binnenkomst van de winkel heeft gezien dat men doende was de winkel te bevoorraden en dat overal in de gangpaden grote en kleine dozen stonden opgesteld. Zij had daarom in deze winkel, meer dan zij mogelijk in andere winkels gewend is, moeten opletten waar zij liep. Gelet hierop dient de vergoedingsplicht van Action te worden verminderd door de schade over [eiseres] en Action te verdelen in evenredigheid met de mate waarin de aan ieder toe te rekenen omstandigheden tot de schade hebben bijgedragen. De rechtbank is van oordeel dat 25% van de ontstane schade het gevolg is van de aan [eiseres] toe te rekenen omstandigheid dat zij onvoldoende oplettend is geweest. De rechtbank ziet in de omstandigheden van het geval geen reden om te oordelen dat de billijkheid een andere verdeling van de schade eist.

3.12. De vordering van [eiseres] zal daarom in zoverre worden toegewezen, dat voor recht zal worden verklaard dat Action aansprakelijk is voor 75% van de schade die [eiseres] heeft geleden, lijdt en nog zal lijden als gevolg van het haar overkomen ongeval op 13 januari 2004.

3.13. Action zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eiseres] worden begroot op:

- dagvaarding EUR 84,31

- overige explootkosten 0,00

- betaald vast recht 62,75

- in debet gesteld vast recht 188,25

- getuigenkosten 0,00

- deskundigen 0,00

- overige kosten 0,00

- salaris procureur 904,00 (2,0 punten × tarief EUR 452,00)

Totaal EUR 1.239,31

3.14. De gevorderde veroordeling in nakosten moet op grond van art. 237 lid 4 Rv worden afgewezen.

4. De beslissing

De rechtbank

4.1. verklaart voor recht dat Action aansprakelijk is voor 75% van de schade die [eiseres] heeft geleden, lijdt en nog zal lijden als gevolg van het haar overkomen ongeval op 13 januari 2004,

4.2. veroordeelt Action in de proceskosten, aan de zijde van [eiseres] tot op heden begroot op EUR 1.239,31, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf de veertiende dag na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling, te voldoen aan de griffier door overmaking op rekeningnummer 19.23.25.787 ten name van Arrondissement 536 's-Hertogenbosch onder vermelding van "proceskostenveroordeling" en het zaak- en rolnummer,

4.3. verklaart dit vonnis wat betreft de onder 4.2 genoemde beslissing uitvoerbaar bij voorraad,

4.4. wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. J. van der Weij en in het openbaar uitgesproken op 30 januari 2008.