Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2008:BC3088

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
30-01-2008
Datum publicatie
05-02-2008
Zaaknummer
152946 HA ZA 07-84
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Nakoming borgstellingsovereenkomst. Bankinstelling spreekt borg aan na faillissement vennootschap. Niet is gebleken dat verkoop van de verpande inventaris bij meer of andere inspanningen van de bankinstelling binnen redelijke termijn een zoveel hogere opbrengst had kunnen opleveren dat de borg niet of niet voor het volledige bedrag van haar borgstelling had hoeven te worden aangesproken.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 7
Burgerlijk Wetboek Boek 7 850
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOR 2008/114 met annotatie van A. Steneker
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK 'S-HERTOGENBOSCH

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 152946 / HA ZA 07-84

Vonnis van 30 januari 2008

in de zaak van

de naamloze vennootschap

FORTIS BANK (NEDERLAND) N.V.,

gevestigd te Rotterdam,

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

procureur mr. P.C.M. van der Ven,

advocaat mr. E.M.J.M. van Heesen te Rotterdam,

tegen

[Y],

wonende te [woonplaats],

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

procureur mr. E.H.H. Schelhaas,

advocaat mr. R.A. Baltes te Tilburg.

Partijen zullen hierna Fortis en [Y] genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 18 april 2007;

- de conclusie van antwoord in reconventie;

- het proces-verbaal van comparitie van 13 augustus 2007;

- de akte overlegging producties van [Y];

- de antwoordakte van Fortis.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. [Y] is enig aandeelhouder en bestuurder van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Verku B.V. Deze vennootschap is enig aandeelhouder en bestuurder van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Revanche B.V. (hierna te noemen: Revanche).

2.2. Fortis heeft op 15 februari 2005 een kredietverleningsovereenkomst gesloten met Revanche, waarbij Fortis aan Revanche een zogenaamde multi-purpose faciliteit beschikbaar heeft gesteld ter grootte van EUR 25.000,--, alsmede een vijfjarige geldlening ter grootte van EUR 75.000,--. In de overeenkomst is opgenomen dat Fortis, tot zekerheid voor de voldoening van de uit de overeenkomst volgende verplichtingen, van [Y] een borgtocht zal ontvangen voor een bedrag van EUR 25.000,-- alsook een verpanding van vorderingen, roerende zaken (voorraden en bedrijfsuitrusting), merkrechten en handelsnaam.

2.3. Bij afzonderlijke overeenkomst van 15 februari 2005 heeft Revanche een eerste recht van pand verleend aan Fortis op:

- de gehele huidige en toekomstige bedrijfsuitrusting en alle huidige en toekomstige bedrijfs- en handelsvoorraden van Revanche;

- alle bestaande en toekomstige vorderingen van Revanche op derden en op Fortis;

- alle merkrechten en handelsnamen die Revanche voert.

2.4. Partijen zijn op 15 februari 2005 een borgstellingsovereenkomst aangegaan waarbij [Y] zich voor een bedrag van EUR 25.000,-- borg heeft gesteld tot zekerheid voor de betaling van al hetgeen Fortis te vorderen heeft van Revanche.

2.5. Revanche is bij vonnis van deze rechtbank van 20 september 2006 failliet verklaard.

Per faillissementsdatum had Revanche een schuld bij Fortis van EUR 81.246,70. De inventaris van Revanche is door Fortis verkocht voor een bedrag van EUR 17.850,-- inclusief BTW. Bij brief van 12 oktober 2006 heeft Fortis [Y] aangesproken tot betaling van de borgsom van EUR 25.000,-- op uiterlijk 25 oktober 2006, bij gebreke waarvan [Y] per die datum in verzuim zal zijn.

2.6. Fortis heeft op 11 december 2006 conservatoir beslag doen leggen op (de onverdeelde helft van) de bij [Y] in (mede-) eigendom zijnde woning aan het adres [adres] Het proces-verbaal van beslaglegging is op 13 december 2006 aan [Y] betekend.

3.Het geschil

in conventie en in reconventie

3.1. Fortis vordert veroordeling van [Y] tot betaling van een bedrag van EUR 26.158,--, bestaande uit een bedrag van EUR 25.000,-- uit hoofde van de door partijen gesloten borgstellingsovereenkomst van 15 februari 2005 en een bedrag van EUR 1.158,-- voor de vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. Fortis vordert voorts de wettelijke rente over het totaalbedrag van EUR 26.158,-- vanaf 25 oktober 2006 althans vanaf de dag der dagvaarding tot aan de dag van de voldoening. Tenslotte vordert Fortis veroordeling van [Y] in de proceskosten, waaronder de beslagkosten.

3.2. Fortis legt naast de genoemde vaststaande feiten (voor zover door haar aangedragen) aan deze vorderingen het volgende ten grondslag.

Fortis heeft zich genoodzaakt gezien om [Y] onder haar borgstelling aan te spreken. Omdat [Y] niet aan haar verplichting uit hoofde van de borgstelling voldoet heeft Fortis beslag gelegd op (de onverdeelde helft van) de woning van [Y]. Met ingang van 25 oktober 2006 is [Y] in verzuim zodat zij per die datum wettelijke rente is verschuldigd. Subsidiair stelt Fortis dat [Y] de wettelijke rente verschuldigd is vanaf de dag der dagvaarding. Fortis begroot de gevorderde vergoeding van de buitengerechtelijke incassokosten op twee punten van het geldend liquidatietarief.

3.3. [Y] voert daartegen verweer en concludeert tot niet ontvankelijkheid althans tot afwijzing van de vorderingen van Fortis.

In reconventie vordert [Y] primair ontbinding van de tussen partijen bestaande overeenkomst van borgstelling. Subsidiair, voor zover [Y] verplicht zou zijn tot betaling van enig bedrag aan Fortis, vordert [Y] veroordeling van Fortis tot vergoeding van alle schade die [Y] heeft geleden als gevolg van het gestelde tekortschieten van Fortis, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet. Meer subsidiair vordert [Y] dat Fortis wordt bevolen het op 11 december 2006 gelegde conservatoir beslag op te heffen. Tenslotte vordert [Y] veroordeling van Fortis in de proceskosten, waaronder begrepen de kosten van (opheffing van) de beslaglegging.

3.4. [Y] legt daaraan het navolgende ten grondslag.

Fortis is naar de mening van [Y] toerekenbaar tekortgeschoten in haar verplichtingen jegens haar en heeft jegens haar onrechtmatig gehandeld, zodat de tussen partijen gesloten borgstellingsovereenkomst ontbonden moet worden, althans de door [Y] als gevolg van het handelen van Fortis geleden schade door Fortis moet worden vergoed.

Fortis is volgens [Y] tekortgeschoten in haar zorgplicht en heeft nagelaten te doen wat van een redelijk handelende bank mag worden verwacht om de inventaris van [B] te gelde te maken, met als gevolg dat nu [Y] wordt aangesproken tot betaling. Uit het aanvangsverslag van de curator blijkt, zo stelt [Y], dat Fortis de pogingen van de curator om een doorstart te realiseren heeft doorkruist. Fortis heeft niet onderbouwd waarom de verkoopopbrengst van de inventaris slechts EUR 17.850,-- (inclusief BTW) bedraagt.

Het onverkort toepassen van de uitwinning van de inventaris door Fortis zoals dat is gebeurd leidt tot onaanvaardbare gevolgen, welke naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid dienen te worden beperkt.

Omdat Fortis heeft nagelaten schadebeperkende maatregelen te treffen die in redelijkheid van haar kunnen worden gevergd, kan het handelen van Fortis worden gekwalificeerd als eigen schuld in de zin van artikel 6:101 BW.

Nu [Y] niet gehouden is tot nakoming van de borgstellingsovereenkomst alvorens bij de opheffing van het faillissement blijkt dat de schuldenaar, Revanche, in de nakoming van haar verbintenis tekort is geschoten, is zij tot op heden geen wettelijke rente verschuldigd.

Het conservatoir beslag dient naar de mening van [Y] te worden opgeheven omdat [Y], in tegenstelling tot hetgeen Fortis stelt, niet doende is om zich aan verhaal te onttrekken door de onroerende zaak te zullen of willen vervreemden of bezwaren. Daarmee is sprake van ondeugdelijkheid van het door Fortis ingeroepen recht. Voorts is het beslag onnodig. [Y] betwist dat sprake is van een overwaarde op de met beslag bezwaarde onroerende zaak, zodat bij een eventuele verkoop geen geld overblijft om Fortis te betalen. Er zijn geen andere schuldeisers of betalingsproblemen zodat Fortis geen belang heeft bij een positie in een rangorde van schuldeisers.

3.5. Fortis reageert daarop als volgt.

Fortis stelt jegens [Y] niet tekort te zijn geschoten in de op haar rustende verplichtingen en niet onrechtmatig te hebben gehandeld jegens [Y].

Met het faillissement van Revanche is de kredietfaciliteit van Fortis beëindigd op grond van de algemene voorwaarden van Fortis. De curator heeft daarin berust. De curator wijst er in zijn brief van 24 januari 2007 op dat er, gezien de toestand van de boedel in het faillissement van Revanche, met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid geen uitkeringen aan de concurrente crediteuren zullen plaatsvinden. Naar de mening van Fortis dient niet te worden gewacht met het aanspreken van de borg tot het gehele faillissement is afgewikkeld.

Uit het aanvangsverslag van de curator blijkt niet dat Fortis de pogingen van de curator om een doorstart te maken heeft doorkruist. Fortis heeft haar vordering op Revanche twee weken na het faillissement van Revanche bij de curator ingediend zodat aan Fortis niet kan worden verweten dat zij daarmee te lang heeft gewacht.

Alvorens [Y] aan te spreken tot betaling uit hoofde van de tussen Fortis en [Y] gesloten borgstellingsovereenkomst heeft Fortis de overige door Revanche aan Fortis verleende zekerheden (verpande vorderingen, inventaris en merkrechten en handelsnaam) uitgewonnen. Fortis is bij de uitwinning correct en zorgvuldig te werk gegaan, temeer daar ook zij belang heeft bij een zo hoog mogelijke opbrengst. Dat de opbrengst onvoldoende is om de vordering van Fortis te dekken, kan niet aan Fortis worden verweten. Uitwinning van de aan Fortis verpande vorderingen van Revanche is niet mogelijk gebleken omdat Revanche geen pandlijsten met debiteuren had aangeleverd en reeds uit het aanvangsverslag van de curator bleek dat er geen vorderingen waren. De merknaam en handelsnaam van Revanche zijn, als merk- en handelsnaam van een failliete en onbekende vennootschap, niet verkoopbaar gebleken. De aan Fortis verpande bedrijfsinventaris heeft uiteindelijk een bedrag van EUR 17.850,-- inclusief BTW opgebracht. De curator en de rechter-commissaris hebben ingestemd met de verkoop tegen die prijs. Zelfs al zou een hogere opbrengst zijn gegenereerd dan nog zou Fortis, gelet op de hoogte van de schuld van Revanche aan Fortis van EUR 81.246,70, [Y] hebben aangesproken op de borgtocht.

De beslaglegging rust op goede gronden. Fortis heeft gegronde vrees voor verduistering, omdat [Y] als gevolg van het faillissement geen inkomsten meer heeft en behoudens haar deel van de onroerende zaak niet beschikt over vermogen. Dat er niet

voldoende overwaarde in de onroerende zaak aanwezig zou zijn is niet relevant.

4. De beoordeling

in conventie en in reconventie

4.1. [Y] is als borg niet gehouden tot betaling voordat Revanche als hoofdschuldenaar in de nakoming van haar verbintenis jegens Fortis tekort is geschoten.

Nu bij vonnis van deze rechtbank van 20 september 2006 het faillissement van Revanche is uitgesproken en vaststaat dat Revanche in ieder geval vanaf die datum haar verplichtingen ten opzichte van Fortis niet nakomt kan [Y] als borg door Fortis worden aangesproken op betaling van de borgsom.

4.2. [Y] heeft verwezen naar jurisprudentie waaruit naar haar mening blijkt dat Fortis de op haar van toepassing zijnde zorgvuldigheidsnormen heeft geschonden. De door [Y] genoemde uitspraken van het Gerechtshof Arnhem van 18 februari 2003 (JOR 2003, 267), van de Rechtbank Arnhem van 30 juni 2004 (JOR 2004, 283) en van de Rechtbank Leeuwarden van 15 november 2006 (JOR 2007,25) zien op de opzegging van een kredietovereenkomst, hetgeen hier tussen partijen niet aan de orde is. Het arrest van het Gerechtshof Leeuwarden van 30 juni 2004 (LJN AP5415) ziet naar het oordeel van de rechtbank op een wezenlijk andere situatie dan de hier voorliggende situatie. De uitspraak betreft immers een onderhandse verkoop van een bedrijf door een curator en een (eerste) hypotheekhouder, welke onderhandse verkoop niet overeenkomstig de daartoe geldende wettelijke bepalingen is geschied.

4.3. Naast de borgstelling heeft Fortis bij het aangaan van de overeenkomst met Revanche andere zekerheden bedongen in de vorm van verpanding aan Fortis van de zaken, vorderingen en handels- en merknamen van Revanche. In beginsel is Fortis als schuldeiser volledig vrij om te kiezen welke zekerheid zij het eerst te gelde maakt. Wel kan het zo zijn dat, nu er sprake is van een verpanding, Fortis onzorgvuldig zou kunnen hebben gehandeld indien zij [Y] zou hebben aangesproken zonder een poging te hebben gedaan die andere zekerheden uit te winnen, een en ander afhankelijk van de concrete omstandigheden.

Van een dergelijke onzorgvuldigheid is naar het oordeel van de rechtbank niet gebleken.

Uit het aanvangsverslag van de curator valt, anders dan [Y] betoogt, niet af te leiden dat Fortis de pogingen van de curator om een doorstart te maken heeft doorkruist.

De vordering van Fortis op Revanche bedraagt EUR 81.247,--. Als onbetwist is vast komen te staan dat Fortis de aan haar - naast de inventaris - verpande overige zekerheden van Revanche niet te gelde kon maken. Fortis heeft de inventaris van Revanche op 13 oktober 2006 door een beëdigd taxateur laten taxeren, welke taxateur de waarde van de inventaris heeft bepaald op een bedrag van EUR 33.255,--. Uiteindelijk is de inventaris van Revanche door Fortis aan een derde verkocht voor een bedrag van EUR 17.850,-- inclusief BTW. Ook indien de inventaris van Revanche voor de door de taxateur bepaalde waarde zou zijn verkocht, had dit, gezien de hoogte van de vordering van Fortis op Revanche van EUR 81.246,70, niet geleid tot het niet of voor een lager bedrag aanspreken van [Y] uit hoofde van de borgstellingsovereenkomst.

Ter zitting van 13 augustus 2007 heeft de rechtbank [Y] in de gelegenheid gesteld om haar stelling dat verkoop van de inventaris bij meer of andere inspanningen van Fortis een zoveel hogere opbrengst had kunnen opleveren dat [Y] niet of niet voor het volledige bedrag van de borg had hoeven worden aangesproken, tegenover de gemotiveerde betwisting door Fortis nader te onderbouwen. Daartoe heeft [Y] onder meer taxatierapporten overgelegd van Troostwijk Taxaties van 12 januari 2005, waarin de liquidatiewaarde van de inventaris van Revanche op dat moment is getaxeerd op een bedrag van EUR 69.000,-- en de vervangingswaarde van de inventaris van Revanche op dat moment is getaxeerd op een bedrag van EUR 175.000,--.

In de akte overlegging producties van 23 oktober 2007 stelt [Y] dat de overgelegde taxatierapporten haar stellingen onderbouwen dat de door Troostwijk getaxeerde liquidatiewaarde ruim het dubbele is van de in opdracht van Fortis getaxeerde liquidatiewaarde zodat bij realisering van de eerstgenoemde waarde [Y] slechts voor een bedrag van circa veertienduizend euro zou zijn aangesproken en dat bij realisering van een onderhandse verkoop in het geheel geen vordering op Revanche had hoeven resteren zodat [Y] niet als borg aangesproken zou zijn.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft [Y] met slechts de overlegging van de taxatierapporten van Troostwijk Taxaties uit 2005 haar stellingen tegenover de gemotiveerde betwisting door Fortis onvoldoende nader onderbouwd. Ook Fortis heeft de inventaris van Revanche door een beëdigd taxateur laten taxeren, waarbij de executiewaarde van de inventaris per 13 oktober 2006 werd getaxeerd op een bedrag van EUR 33.255,--. Ten opzichte van de eerdere taxatie moet daarbij worden aangetekend dat er na de eerdere taxatie bijna twee jaren waren verstreken en Revanche inmiddels in staat van faillissement verkeerde. Bij de uiteindelijke verkoop is niet de taxatieprijs per 12 januari 2005 en evenmin de in opdracht van Fortis bepaalde taxatieprijs per 13 oktober 2006 verkregen, maar slechts een bedrag van EUR 17.850,-- inclusief BTW. Voor de beantwoording van de vraag of [Y] als borg wordt aangesproken is bepalend wat de uiteindelijke verkoopopbrengst is en of daarmee de vordering van Fortis op Revanche kan worden voldaan. Dat er destijds een potentiële koper was die méér had willen betalen, is door [Y] aanvankelijk wel gesteld, maar – hoewel zij daartoe na de betwisting door Fortis nog de gelegenheid heeft gekregen – volstrekt onvoldoende onderbouwd.

[Y] stelt dat zij in de brief van de curator van 14 september 2007 leest dat er geen verkoopvoorwaarden zijn en dat er geen koopovereenkomst is. Naar de mening van [Y] blijkt uit vorengenoemde brief niet van serieuze inspanningen om de inventaris te verkopen voor een hoge opbrengst. Fortis voert daartegen verweer. De rechtbank is van oordeel dat uit de brief van de curator van 14 september 2007 niets blijkt dat een nadere onderbouwing kan vormen van de stellingen van [Y]. Dat de curator niet beschikt over een kopie van de koopovereenkomst houdt niet in dat er geen verkoopvoorwaarden of koopovereenkomst zouden zijn. Uit de brief blijkt niet dat Fortis zich bij de verkoop van de inventaris onvoldoende actief heeft opgesteld.

[Y] stelt dat de ontruimingskosten ten laste van de boedel hadden moeten worden gebracht. Doordat de ontruimingskosten voor rekening van de koper zijn gekomen heeft de inventaris naar de mening van [Y] een lagere verkoopprijs opgebracht dan wanneer deze kosten voor rekening van de boedel zouden zijn gekomen. Hierdoor zou [Y] volgens haar stelling niet althans voor een lager bedrag aangesproken zijn op haar borgstelling. [Y] heeft tegenover de betwisting door Fortis onvoldoende gesteld om de conclusie te rechtvaardigen dat verkoop van de inventaris van Revanche een zodanige opbrengst had opgeleverd dat [Y] niet althans voor een lager bedrag als borg zou zijn aangesproken, indien de ontruimingskosten niet ten laste van de koper zouden zijn gebracht. Reeds daarom faalt dit verweer.

4.4. Op grond van het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat [Y] niet heeft aangetoond dat verkoop van de verpande inventaris bij meer of andere inspanningen van Fortis binnen een redelijke termijn een zoveel hogere opbrengst had kunnen opleveren dat [Y] niet of niet voor het volledige bedrag van EUR 25.000,-- als borg had hoeven te worden aangesproken. Daarmee is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake van een toerekenbare tekortkoming of onrechtmatig handelen van Fortis jegens [Y].

4.5. [Y] stelt dat de uitwinning van de inventaris door Fortis zoals dat is gebeurd leidt tot onaanvaardbare gevolgen, welke gevolgen naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid dienen te worden beperkt. De rechtbank begrijpt daaruit dat [Y] bedoelt te stellen dat het door Fortis aanspreken van haar op haar verplichtingen uit hoofde van haar overeenkomst met Fortis leidt tot voor [Y] onaanvaardbare gevolgen die op grond van redelijkheid en billijkheid moeten worden beperkt. Omdat [Y] niet nader onderbouwt wat de gevolgen zijn, waarom deze onaanvaardbaar zijn en op grond waarvan deze dienen te worden beperkt gaat de rechtbank aan haar stelling dienaangaande voorbij.

4.6. De rechtbank verwerpt het beroep van [Y] op artikel 6:101 BW, nu Fortis geen schadevergoeding maar nakoming van een borgstellingsovereenkomst vordert, zodat deze bepaling niet van toepassing is.

4.7. Op grond van het vorenstaande wordt de vordering in conventie tot veroordeling van [Y] tot betaling van de borgsom van EUR 25.000,-- toegewezen.

4.8. Op grond van artikel 7:856 BW is [Y] wettelijke rente verschuldigd over de periode waarin zij zelf in verzuim is. De vordering van Fortis op [Y] is opeisbaar, Fortis heeft [Y] bij brief van 12 oktober 2006 met ingang van 25 oktober 2006 in gebreke gesteld en [Y] heeft niet betaald. De vordering van Fortis tot veroordeling van [Y] tot betaling van de wettelijke rente over de hoofdsom van EUR 25.000,-- vanaf 25 oktober 2006 wordt toegewezen als na te melden.

4.9. De vordering Van Fortis tot vergoeding van buitengerechtelijke kosten zal worden toegewezen, nu de gevorderde vergoeding op grond van de aanbevelingen in het rapport Voorwerk II (november 2000) is beperkt tot twee punten van het geldend liquidatietarief en [Y] tegen de gevorderde vergoeding geen verweer heeft gevoerd. De gevorderde wettelijke rente over de buitengerechtelijke incassokosten is pas verschuldigd vanaf het moment dat de buitengerechtelijke incassokosten door Fortis zijn betaald. Nu Fortis daarover niets heeft gesteld, wordt de wettelijke rente over de buitengerechtelijke incassokosten toegewezen vanaf de datum van dagvaarding.

4.10. Op grond van hetgeen is overwogen in de punten 4.1. tot en met 4.4. worden de primaire en subsidiaire vorderingen in reconventie afgewezen.

4.11. Fortis vordert in conventie dat [Y] wordt veroordeeld tot betaling van de beslagkosten. [Y] voert daartegen verweer en vordert (meer subsidiair) in reconventie dat Fortis wordt bevolen het beslag op te heffen, met veroordeling van Fortis in de kosten van (opheffing van) het beslag. De rechtbank is van oordeel dat niet is gebleken van de nietigheid van het beslag of van de ondeugdelijkheid van de vordering van Fortis. Evenmin is gebleken van het onnodige van het beslag. Fortis heeft onweersproken gesteld dat (haar deel van) de beslagen onroerende zaak het enige verhaalsobject van [Y] is. [Y] heeft haar stelling dat de beslaglegging onnodig is omdat de woning geen overwaarde heeft op geen enkele wijze nader onderbouwd. Niet is gesteld of gebleken dat [Y] door het beslag onevenredig zwaar in haar belangen wordt getroffen. De rechtbank ziet geen aanleiding voor (een bevel tot) opheffing van het beslag. Op grond van het vorenstaande worden de vorderingen in reconventie tot het geven van een bevel tot opheffing van het beslag en tot veroordeling van Fortis in de kosten van (opheffing van) het beslag afgewezen en wordt de vordering in conventie tot veroordeling van [Y] tot betaling van de beslagkosten toegewezen. De beslagkosten worden begroot op EUR 267,63 voor verschotten en EUR 579,00 voor salaris procureur (1 rekest x EUR 579,00).

4.12. [Y] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de overige proceskosten worden veroordeeld, zowel in conventie als in reconventie.

De overige proceskosten in conventie aan de zijde van Fortis worden begroot op:

- dagvaarding EUR 84,87

- vast recht 575,00

- salaris procureur 1.447,50 (2,5 punten × tarief EUR 579,00)

Totaal EUR 2.107,37

De proceskosten in reconventie aan de zijde van Fortis worden begroot op:

- salaris procureur 226,00 (1,0 punt × factor 0,5 × tarief EUR 452,00)

Totaal EUR 226,00

5. De beslissing

De rechtbank

in conventie

5.1. veroordeelt [Y] om aan Fortis Bank (Nederland) N.V. te betalen een bedrag van EUR 25.000,00 (vijfentwintig duizend euro), vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over het nog niet betaalde deel van het bedrag van EUR 25.000,00 vanaf 25 oktober 2006 tot de dag van volledige betaling,

5.2. veroordeelt [Y] in de buitengerechtelijke incassokosten, begroot op een bedrag van EUR 1.158,00, nog te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het nog niet betaalde deel van het bedrag van EUR 1.158,00 vanaf de dag van dagvaarding tot de dag van volledige betaling,

5.3. veroordeelt [Y] in de beslagkosten, tot op heden begroot op EUR 846,63,

5.4. veroordeelt [Y] in de overige proceskosten, aan de zijde van Fortis tot op heden begroot op EUR 2.107,37,

5.5. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.6. wijst het meer of anders gevorderde af,

in reconventie

5.7. wijst de vorderingen af,

5.8. veroordeelt [Y] in de proceskosten, aan de zijde van Fortis tot op heden begroot op EUR 226,00,

5.9. verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.F.M. Pols en in het openbaar uitgesproken op 30 januari 2008.