Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2008:BC2463

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
11-01-2008
Datum publicatie
24-01-2008
Zaaknummer
AWB 07/2378
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Onbevoegd genomen besluit / geen besluit in de zin van de Awb / ROA / Stappenplan III / ongewenstverklaring

Verweerder heeft het onbevoegd genomen besluit voor zijn rekening genomen. De rechtbank ziet echter geen aanleiding om de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit in stand te laten. Verweerder heeft bij primair besluit van 18 februari 2003 aan eiser medegedeeld dat de ROA-voorzieningen met ingang van 15 maart 2003 zullen worden beëindigd, omdat eiser niet (voldoende) had meegewerkt aan het verkrijgen van de vereiste reisdocumenten. In bezwaar laat de commissie van advies voor de bezwaar- en beroepschriften aan verweerder weten dat er tijdens de hoorzitting feiten en omstandigheden zijn aangevoerd waaruit zou kunnen blijken dat eiser wel voldoende medewerking heeft verleend. Verweerder laat hierop aan de commissie weten dat eiser inmiddels in vreemdelingenbewaring is gesteld en dat om die reden niet meer wordt ingegaan op de door eiser tijdens de hoorzitting aangevoerde feiten en omstandigheden. Volgens de commissie blijft evenwel van belang of eiser in de periode gelegen voor 15 maart 2003 al dan niet voldoende medewerking heeft verleend. Verweerder heeft nooit meer op dit advies gereageerd en evenmin naar aanleiding daarvan een beslissing op bezwaar genomen. De ROA-voorzieningen die eiser genoot zijn feitelijk niet per 15 maart 2003 beëindigd, maar verstrekt tot 1 april 2006. Bij primair besluit van 22 maart 2006 heeft verweerder aan eiser medegedeeld dat de ROA-voorzieningen met ingang van 1 april 2006 worden beëindigd. De rechtbank is van oordeel dat dit geen besluit is in de zin van artikel 1:3 van de Awb, omdat deze beslissing geen rechtsgevolgen in het leven roept die niet al door het eerdere besluit van 18 februari 2003 teweeg waren gebracht (ABRS 18 december 2003, AB 2004, 96). Dit betekent dat verweerder het bezwaar tegen het ‘besluit’ van 22 maart 2006 ten onrechte ontvankelijk heeft geacht en de bij bezwaar tegen het besluit van 18 februari 2003 opgeworpen vraag of eiser - die kennelijk onder het Stappenplan III valt - voldoende heeft meegewerkt, nog immer niet heeft beantwoord.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ’s-HERTOGENBOSCH

Sector bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 07/2378

Uitspraak van de enkelvoudige kamer van 11 januari 2008

inzake

[Eiser],

geboren op [geboortedatum] 1971,

van Algerijnse nationaliteit,

eiser,

gemachtigde mr. J. van Veelen-de Hoop,

tegen

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Heusden,

verweerder,

gemachtigden mr. A. van Dijk en J. Govaarts.

Procesverloop

Bij besluit van 8 mei 2007 heeft verweerder onder verwijzing naar het advies van de commissie bezwaarschriften van 20 maart 2007 het bezwaar van eiser tegen verweerders besluiten van 18 februari 2003 en 22 maart 2006 om de voorzieningen ingevolge de Regeling opvang asielzoekers (ROA) te beëindigen, ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft eiser beroep ingesteld.

De zaak is behandeld op de zitting van 10 december 2007, waar eiser is verschenen bij gemachtigde. Verweerder is eveneens verschenen bij gemachtigde.

Overwegingen

1. De rechtbank, sector bestuursrecht, ziet zich allereerst gesteld voor de vraag of zij bevoegd is om van de zaak kennis te nemen. De beantwoording van deze vraag hangt af van de wettelijke grondslag van het bestreden besluit, de Regeling verstrekkingen asielzoekers (Rva) of de Regeling opvang asielzoekers (ROA). Uit de gedingstukken kan worden afgeleid dat verweerder de voorzieningen bij primair besluit van 18 februari 2003 en bij brief van 22 maart 2006 heeft beëindigd op grond van de ROA. In het bestreden besluit heeft verweerder, op basis van het advies van de commissie van advies voor de bezwaar- en beroepschriften, de grondslag van de beëindiging van de voorzieningen gewijzigd in de Rva. De rechtbank houdt het er echter voor dat het, zoals ook door de gemachtigden van verweerder ter zitting is aangegeven, het de bedoeling is geweest de voorzieningen op grond van de ROA te beëindigen. Daarmee is de rechtbank, sector bestuursrecht, en niet de vreemdelingenkamer van de rechtbank te Den Haag bevoegd om van de zaak kennis te nemen.

2. De rechtbank is van oordeel dat het bestreden besluit onbevoegd is genomen. Daartoe wordt het volgende overwogen.

3. Bij brief van 15 augustus 2007 heeft de gemachtigde van eiser verweerder verzocht om bescheiden toe te sturen waaruit blijkt dat ing. M.J.J. Smits door verweerder was gemandateerd om in naam van verweerder een besluit te nemen in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

4. Bij brief van 28 augustus 2007 heeft verweerder eiser laten weten dat het besluit door het college van burgemeester en wethouders zelf ondertekend had moeten worden en hem een nieuw besluit van gelijke datum doen toekomen dat wel door het college is ondertekend. Volgens verweerder is hierdoor van mandatering geen sprake meer, zodat toezending van het mandateringsbesluit overbodig is.

5. De rechtbank leidt uit de brief van verweerder af dat verweerder daarmee heeft beoogd om het besluit van 8 mei 2007, zoals ter zitting door de gemachtigden van verweerder is bevestigd, voor zijn rekening te nemen. Verweerder heeft daarmee erkend dat dat besluit onbevoegd is genomen.

6. In aanmerking nemende dat een dergelijke wijze van bekrachtiging van het besluit achteraf een bevoegdheidsgebrek als het onderhavige niet ongedaan maakt, zoals ook is geoordeeld door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) in haar uitspraak van 28 april 2004 (LJN: AO9262, gepubliceerd in JV 2004, 257), bestaat aanleiding dat besluit te vernietigen. Het beroep is om die reden gegrond.

7. De rechtbank ziet zich, in aanmerking nemende dat verweerder het onbevoegd genomen besluit voor zijn rekening heeft genomen, gesteld voor de vraag of er aanleiding bestaat om de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit in stand te laten. De rechtbank beantwoordt deze vraag ontkennend en overweegt in dat verband als volgt.

8. Bij besluit van 18 februari 2003 heeft verweerder aan eiser medegedeeld dat de ROA-voorzieningen met ingang van 15 maart 2003 zullen worden beëindigd op grond van het bepaalde in artikel 15, derde lid, onder c, van de ROA, omdat eiser door de Vreemdelingendienst was aangezegd Nederland te verlaten en door de Vreemdelingendienst was vastgesteld dat eiser niet (voldoende) had meegewerkt aan het verkrijgen van de vereiste reisdocumenten voor terugkeer naar diens land van herkomst.

9. Eiser heeft bij brief van 14 maart 2003 bezwaar gemaakt tegen dit besluit en aangevoerd dat de Vreemdelingendienst ten onrechte en te voorbarig heeft geconcludeerd dat hij niet meewerkte. In dit bezwaar heeft verweerder aanleiding gezien eiser te doen horen.

10. Na de hoorzitting van 8 juli 2003 heeft de commissie van advies voor de bezwaar- en beroepschriften het advies aanvankelijk aangehouden, omdat tijdens de hoorzitting feiten en omstandigheden zijn aangevoerd waaruit zou kunnen blijken dat eiser wel voldoende medewerking heeft verleend aan het verkrijgen van een (vervangend) reis- of identiteitsbewijs. De commissie heeft op 23 november 2004 advies uitgebracht na ontvangst van verweerders reactie op deze feiten en omstandigheden. Blijkens dat advies heeft verweerder de commissie laten weten dat de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) eiser op een bepaald moment in bewaring heeft genomen en dat er voor hem geen rechtsmiddelen meer openstaan om te bewerkstelligen dat hij in Nederland mag verblijven. Vervolgens heeft verweerder de commissie medegedeeld dat eiser uit bewaring is ontslagen, waarna hij met ingang van 13 augustus 2004 wederom in vreemdelingenbewaring is gesteld. Verweerder heeft daarbij, blijkens het advies, aangegeven om die reden niet meer in te gaan op de tijdens de hoorzitting door eiser aangevoerde feiten en omstandigheden.

11. Naar aanleiding van de reactie van verweerder is de commissie in haar advies tot de slotsom gekomen dat verweerder kennelijk aan het feit dat eiser in bewaring is genomen de conclusie verbond dat eiser onvoldoende medewerking had verleend aan het verkrijgen van de benodigde reisdocumenten. In de visie van de commissie is dit standpunt van verweerder niet correct. Volgens haar is van belang of eiser in de periode gelegen voor 15 maart 2003 al dan niet voldoende medewerking heeft verleend. Naar de mening van de commissie vormden de van de zijde van eiser aangevoerde feiten en omstandigheden aanleiding tot twijfel omtrent de juistheid van de mededelingen van de IND en dienden zij nader te worden onderzocht.

12. Verweerder heeft, zo stelt de rechtbank vast, nimmer meer op dit advies gereageerd. Evenmin heeft verweerder naar aanleiding daarvan een beslissing op bezwaar genomen. De ROA-voorzieningen die eiser genoot, zijn feitelijk niet per 15 maart 2003 beëindigd, maar zijn aan eiser verstrekt tot 1 april 2006.

13. Bij besluit van 22 maart 2006 heeft verweerder eiser, op basis van een bericht van de Vreemdelingendienst waarin is vermeld dat eiser volledig is uitgeprocedeerd en ongewenst is verklaard, medegedeeld dat diens ROA-voorzieningen op grond van artikel 15, derde lid, sub b en c, van de ROA met ingang van 1 april 2006 worden beëindigd, omdat eiser het bewonen van de door de gemeente Heusden beschikbaar gestelde woning heeft beëindigd en eiser een asielzoeker is voor wie een last tot uitzetting is gegeven en die, ingevolge een daartoe strekkende mededeling van de plaatselijke politie, Nederland moet verlaten.

14. Verweerder heeft eiser laten weten dat het door hem gemaakte bezwaar van 14 maart 2003, gericht tegen het besluit van 18 februari 2003, ingevolge het bepaalde in artikel 6:19, eerste lid, van de Awb wordt geacht mede te zijn gericht tegen het besluit van 22 maart 2006.

15. Op 20 maart 2007 heeft er een hoorzitting plaatsgevonden bij de commissie van advies voor de bezwaar- en beroepschriften. Op diezelfde dag heeft de commissie advies uitgebracht. De commissie heeft zich, blijkens het advies, bij de beoordeling van het bezwaar beperkt tot het besluit van 22 maart 2006. Volgens de commissie heeft eiser geen recht meer op voorzieningen van welke aard dan ook, nu hij ongewenst is verklaard en hij de uitspraak van zijn beroep tegen die ongewenstverklaring niet in Nederland mag afwachten. De vraag of eiser al dan niet heeft voldaan aan zijn inspanningsverplichtingen om aan een reisdocumenten te komen, is naar de mening van de commissie niet langer relevant. De commissie concludeert dat verweerder terecht is overgegaan tot beëindiging van de ROA-voorzieningen, maar meent dat verweerder zijn besluit had moeten baseren op artikel 5, juncto artikel 7, van de Rva.

16. Bij besluit van 8 mei 2007 heeft verweerder het bezwaar van eiser, onder verwijzing naar het advies van de commissie, ongegrond verklaard.

17. De rechtbank is van oordeel dat het besluit van 22 maart 2006 geen besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb is, omdat deze beslissing geen rechtsgevolgen in het leven roept die niet al door het eerdere besluit, te weten het besluit van 18 februari 2003, teweeg zijn gebracht. De rechtbank verwijst voor jurisprudentie over deze materie naar de uitspraak van de Afdeling van 18 december 2003 (LJN: AO1384, gepubliceerd in AB 2004, 96). Dit betekent dat verweerder het bezwaar tegen het ‘besluit’ van 22 maart 2006 ten onrechte ontvankelijk heeft geacht is en de bij bezwaar tegen het besluit van 18 februari 2003 opgeworpen vraag of eiser - die kennelijk onder het Stappenplan III valt - voldoende heeft meegewerkt, nog immer niet heeft beantwoord. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand te laten. Verweerder zal worden opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van hetgeen hiervoor is overwogen.

18. De rechtbank acht termen aanwezig om verweerder te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten zijn met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht en de daarbij behorende bijlage begroot op in totaal € 644,00 voor kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

• 1 punt voor het indienen van een (aanvullend) beroepschrift;

• 1 punt voor het verschijnen ter zitting;

• waarde per punt € 322,00;

• wegingsfactor 1.

19. Tevens zal de rechtbank bepalen dat verweerder aan eiser het door hem gestorte griffierecht dient te vergoeden.

20. Beslist wordt als volgt.

Beslissing

De rechtbank,

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

- veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten, vastgesteld op € 644,00;

- wijst de gemeente Heusden aan als de rechtspersoon die het bedrag van de proceskosten dient te vergoeden;

- bepaalt dat het bedrag van de proceskosten moet worden voldaan aan de griffier;

- gelast verweerder eiser het door hem gestorte griffierecht ten bedrage van € 143,00 te vergoeden.

Aldus gedaan door mr. D.J. de Lange, rechter, in tegenwoordigheid van mr. A.A.M.J. Smulders, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 11 januari 2008.