Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2007:BC3474

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
07-12-2007
Datum publicatie
05-02-2008
Zaaknummer
04/545 R
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

schuldsanering/artikel 27 Faillissementswet/boedelschuld

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 's-HERTOGENBOSCH

sector civiel recht - enkelvoudige kamer

insolventienummer: 04/545 R

nummer verklaring: EDH0110400860

uitspraakdatum: 7 december 2007

Tussenvonnis beëindiging schuldsanering na verloop termijn

Bij vonnis van deze kamer van 23 juli 2004 is de schuldsanering uitgesproken ten aanzien van:

[B]

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

wonende te [adres], [woonplaats],

De behandeling van de beëindiging van de onderhavige schuldsanering dient in samenhang te worden gezien met de regeling van zijn echtgenote, mevrouw [K], met wie schuldenaar in algehele gemeenschap van goederen is gehuwd en welke regeling bekend staat onder nummer 04/546 R.

Procesverloop

Bij vonnis van deze rechtbank d.d. 27 juli 2004 is het saneringsplan vastgesteld, waarin de looptijd is bepaald op drie jaar te rekenen vanaf de datum waarop de schuldsanering is uitgesproken, derhalve tot aan 23 juli 2007.

De behandeling van de beëindiging van de schuldsanering heeft plaatsgevonden ter zitting van 17 september 2007, waar schuldenaren zijn verschenen, bijgestaan door mr. P. Garretsen, advocaat te Den Haag. De bewindvoerder is eveneens ter zitting verschenen. Er zijn geen schuldeisers op de zitting verschenen.

Overwegingen

Door de bewindvoerder is schriftelijk verslag uitgebracht ten aanzien van de beëindi­ging van de toepassing van de schuldsaneringsregeling. Het verslag houdt onder meer in dat naar het oordeel van de bewindvoerder de schuldenaren hun uit de schuldsanering voortvloeiende verplichtingen niet zijn nageko­men.

De rechter-commissaris heeft zich bij dit oordeel aangesloten. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft de rechter-commissaris er op gewezen dat schuldenaren een aanzienlijke nieuwe schuld hebben laten ontstaan van circa € 16.231,-- die voortvloeit uit een proceskostenveroordeling van een gerechtelijke procedure. Deze proceskostenveroordeling komt volgens de rechter-commissaris niet ten laste van de boedelrekening. De rechter-commissaris acht het ingestelde cassatieberoep niet kansrijk. Verder hebben schuldenaren een boedelachterstand laten ontstaan. Schuldenaren hebben volgens de rechter-commissaris wel aan hun informatie- en inspanningsplicht voldaan.

Namens schuldenaren is, ter zitting en bij brief van 10 september 2007, het volgende aangevoerd. De proceskostenveroordeling in hoger beroep is niet uitvoerbaar bij voorraad verklaard, zodat de executie ervan ingevolge het ingestelde beroep in cassatie is geschorst. De proceskostenveroordeling dient voorts als (voorwaardelijke) vordering ten laste van de boedel te worden gebracht, althans er is sprake van staatsaansprakelijkheid. De (voormalige) rechter-commissaris en de (toenmalige) bewindvoerder hebben immers toegelaten dat de procedure in hoger beroep is gevoerd c.q. doorgezet, terwijl zij beiden wetenschap hadden van het ingestelde rechtsgeding. Het eerste verslag van de (toenmalige) bewindvoerder, mevrouw J.J.H.M. Slaats, vermeldt onder vraagonderdeel 4.5 het volgende: Zijn er lopende procedures? Neen. In vraagonderdeel 6.6 wordt echter opgemerkt: “ zijn er debiteuren/vorderingen op derden?” “Er loopt een procedure tegen Aeroclub, een schadeclaim wegens contract breuk. De oorspronkelijke eis is afgewezen, ze gaan in hoger beroep. De eis is 1 miljoen euro.” De rechter-commissaris had - naar aanleiding van deze opmerkingen in het aanvangsverslag - uit hoofde van zijn toezichthoudende taak dienen in te grijpen. Door vervolgens niet in te grijpen, maar de procedure te laten voortduren, heeft de (voormalige) rechter-commissaris de rechtsgevolgen van die procesgang willens en wetens aanvaard. De rechter-commissaris noch de bewindvoerder heeft bezwaar gemaakt tegen de procedure in hoger beroep, althans dit is niet uit de stukken gebleken. Dit klemt te meer omdat ook tijdens de toelatingszitting schuldenaren hebben verklaard dat er een procedure bij het gerechtshof aanhangig was. Ook is de eis in hoger beroep fors verhoogd. Teneinde te achterhalen wat er precies is voorgevallen, is het van belang dat zowel de (voormalige) rechter-commissaris als de (toenmalige) bewindvoerder als getuigen worden gehoord. Tevens dient het proces-verbaal van de toelatingszitting tot de processtukken te gaan behoren. Ten slotte betwisten schuldenaren dat er sprake is van een achterstand aan de boedelrekening. De huidige bewindvoerder van schuldenaren is van mening dat er buiten de proceskostenveroordeling in hoger beroep, die ten laste van de boedel komt, geen andere redenen zijn om schuldenaren de schone lei te onthouden.

De rechtbank overweegt vooreerst dat de rechter-commissaris bij brief van 4 juni 2007 de onderhavige regelingen heeft voorgedragen voor een vroegtijdige beëindiging, terwijl de rechtbank nog geen beslissing heeft genomen op deze voordracht. Nu de (reguliere) drie jarige termijn van de schuldsanering reeds is verstreken, kan de rechtbank geen beslissing (meer) nemen op deze voordracht en zal de rechtbank overgaan tot de eindbeoordeling.

Aan de orde is aldus de vraag of schuldenaren tijdens de driejarige looptijd van de schuldsanering, zoals de rechtbank deze in het op 27 juli 2004 ambtshalve vastgestelde saneringsplan heeft bepaald, (toerekenbaar) zijn tekortgeschoten in de nakoming van hun uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen. Onder het (toerekenbaar) tekortschieten in de kernverplichtingen dient mede te worden verstaan dat schuldenaren tijdens de regeling geen bovenmatige schulden mogen laten ontstaan, althans nieuwe bovenmatige schulden aan de toekenning van schone lei in de weg kunnen staan.

De rechtbank is, gelet op de stukken en het verhandelde ter zitting, gebleken dat schuldenaar

reeds vóór de toelating tot de schuldsanering de Vereniging “ De Eindhovense Aeroclub Motorvliegen” heeft gedagvaard voor de kantonrechter te Eindhoven en hierbij - kort gezegd - in het kader van de nakoming van een huurovereenkomst de betaling heeft gevorderd van schadevergoeding. Bij vonnis van 18 december 2003 heeft de kantonrechter de vordering afgewezen. Nadat schuldenaar tegen deze beslissing van de kantonrechter hoger beroep had ingesteld, heeft het gerechtshof te `s-Hertogenbosch bij arrest van 10 april 2007 de uitspraak van de kantonrechter bekrachtigd en het gevorderde in hoger beroep eveneens afgewezen. Het gerechtshof heeft schuldenaar in de betreffende uitspraak veroordeeld in de proceskosten in hoger beroep, bestaande uit € 241,-- voor verschotten, € 75,-- voor getuigentaxe en € 13.740,-- aan salaris procureur.

De rechtbank is, deze proceskostenveroordeling in aanmerking nemende, van oordeel dat schuldenaren tijdens de schuldsanering nieuwe schulden hebben laten ontstaan. De proceskostenveroordeling dient als een nieuwe schuld te worden aangemerkt die tijdens de regeling is ontstaan aangezien de veroordeling in de proceskosten van het gerechtshof strekt ter vergoeding van kosten die de tegenpartij van schuldenaar ná het van toepassing worden van de schuldsanering heeft gemaakt. Deze proceskostenveroordeling in hoger beroep kan - ook al is de procedure bij het gerechtshof voor de toelating tot de schuldsanering aangevangen - om die reden niet worden aangemerkt als zijnde een vordering welke voortvloeit uit een reeds voor de schuldsanering bestaande rechtsbetrekking. Ook de gemachtigde van schuldenaren heeft zich overigens niet op het standpunt gesteld dat de proceskostenveroordeling als een schuld dient te worden aangemerkt die voor de schuldsanering is ontstaan, onder de werking van de schone lei valt en bovendien voor verificatie binnen de regeling in aanmerking komt.

De gemachtigde van schuldenaren heeft zich wel op het standpunt gesteld dat deze proceskostenveroordeling, gelet op de wijze waarop de (toenmalige) bewindvoerder en (voormalige) rechter-commissaris toezicht hebben uitgeoefend op de schuldsanering, niet voor rekening van schuldenaren dient te komen, maar ten laste van de boedelrekening komt. Dienaangaande overweegt de rechtbank als volgt.

Artikel 27 van de Faillissementswet, welk artikel op grond van artikel 313 van de Faillissementswet van overeenkomstige toepassing is verklaard op de schuldsaneringsregeling, regelt de rechtsgevolgen van een reeds tijdens het van toepassing worden van de regeling aanhangige rechtsvordering. Onder het begrip rechtsvordering dient mede een ten tijde van het van toepassing verklaren van de schuldsanering lopende dagvaardingsprocedure te worden verstaan. Ingevolge deze wettelijke bepaling wordt - voorzover hier van belang - het aanhangige rechtsgeding geschorst teneinde de bewindvoerder tot overneming van het geding op te roepen dan wel de gedaagde van schuldenaar in de gelegenheid te stellen om ontslag van instantie te vragen. Alvorens de bewindvoerder overgaat tot het overnemen van het geding van schuldenaar, is hiervoor de voorafgaande toestemming van de rechter-commissaris vereist. Bij gebreke daarvan kan de lopende procedure buiten bezwaar van de boedel tussen de schuldenaar en de gedaagde worden voortgezet, aldus artikel 27, tweede lid, van de Faillissementswet.

Nu de bewindvoerder het lopende geding voor het gerechtshof niet heeft overgenomen en de procedure voor het gerechtshof zonder toestemming van de rechter-commissaris is voortgezet tussen schuldenaar en de tegenpartij, komen de uit de procedure voortvloeiende kosten niet voor rekening van de boedel. De boedel is immers niet gebonden indien de bewindvoerder het geding niet overneemt. De rechtbank is van oordeel dat - wat er zij van de stelling dat de bewindvoerder en de rechter-commissaris hadden moeten ingrijpen toen zij vernamen van de lopende procedure - het primair de verantwoordelijkheid is van de schuldenaren om duidelijk te krijgen of de procedure ten laste of buiten bezwaar van de boedel voortgaat en daartoe initiatieven te nemen. Dit geldt te meer nu schuldenaar professionele rechtsbijstand had. Schuldenaren zijn van mening dat hen de proceskostenveroordeling niet kan worden verweten. Door de procedure zonder toestemming van de rechter-commissaris op eigen initiatief voort te zetten, heeft schuldenaar naar het oordeel van de rechtbank het risico genomen dat hieruit een (aanzienlijke) proceskostenveroordeling kon voortvloeien, waarvoor hij aansprakelijk kan worden gesteld. Schuldenaar heeft de (opvolgend) bewindvoerder medegedeeld dat hij er aanvankelijk van overtuigd was de procedure te winnen. Schuldenaren zijn tijdens de hoger beroepprocedure

- als hiervoor overwogen - bijgestaan door een raadsman die schuldenaar had kunnen inlichten over de mogelijke risico`s van de procedure in hoger beroep. Ook blijkt uit de gedingstukken niet dat schuldenaar of zijn raadsman tijdens de procedure voor het gerechtshof heeft aangevoerd dat de wettelijke schuldsaneringsregeling (inmiddels) op hem van toepassing was verklaard, teneinde de procedure te doen schorsen en de bewindvoerder tot overneming van het geding op te roepen. Dit kan schuldenaren worden toegerekend. Bovendien kan schuldenaren worden verweten dat zij de bewindvoerder niet hebben ingelicht over het verdere verloop van de gerechtelijke procedure in hoger beroep, althans hiervan niet is gebleken, terwijl er wel gerechtelijke handelingen tijdens de schuldsanering hebben plaatsgevonden, zoals bijvoorbeeld getuigenverhoren. Binnen de schuldsanering geldt immers een actieve informatieplicht om de bewindvoerder ook op eigen initiatief op de hoogte houden van de gegevens die van belang zijn voor de schuldsanering.

Aangezien de rechter-commissaris geen expliciete toestemming aan de schuldenaar heeft gegeven om het geding (zelfstandig) ten laste van de boedel voort te zetten, ziet de rechtbank, ook overigens geen redenen om de kosten ten laste van de boedelrekening te laten komen.

Namens schuldenaren is voorts aangevoerd dat, naast de boedelrekening, ook de staat aansprakelijk is voor het tekortschieten van de rechter-commissaris in zijn toezichthoudende taak. De rechtbank merkt hierbij het volgende op. De rechtbank vat deze stelling van de raadsman van schuldenaren op als een beroep op onrechtmatige rechtspraak. Overige gronden of redenen waarop de staat aansprakelijk gesteld kan worden voor het optreden van de rechter-commissaris, zijn gesteld noch gebleken. De onderhavige procedure waarbij vastgesteld wordt of schuldenaren na de beëindiging van de schuldsanering voor toekenning van de schone lei in aan aanmerking komen, is niet de aangewezen weg om te oordelen of te beslissen dat de staat aansprakelijk is voor het handelen van de (voormalige) rechter-commissaris. Bovendien is de rechtbank op voorhand niet gebleken dat de (voormalige) rechter-commissaris bij zijn toezichthoudende taak binnen de schuldsanering fundamentele rechtsbeginselen heeft veronachtzaamd, dat de staat op grond hiervan financieel verantwoordelijk gesteld dient te worden. Het staat schuldenaar uiteraard wel vrij om de (voormalige) rechter-commissaris, de (toenmalige) bewindvoerder of de advocaat die schuldenaar heeft bijgestaan in hoger beroep voor het gerechtshof te `s-Hertogenbosch in rechte aan te spreken via een schadevergoedingsprocedure indien hij meent dat zij onrechtmatig jegens schuldenaar hebben gehandeld.

Namens schuldenaren is voorts verzocht om de (voormalige) rechter-commissaris en de (toenmalige) bewindvoerder als getuigen te doen horen teneinde vast te stellen wat er precies is voorgevallen tijdens de regeling. De rechtbank ziet mede in het licht van hetgeen hiervoor is overwogen omtrent de aansprakelijkheid van de boedel en of de staat onvoldoende aanknopingspunten om dit verzoek tot getuigenverhoor in te willigen. De rechtbank acht zich op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting voldoende voorgelicht over de wijze waarop de (voormalige) rechter-commissaris en (toenmalige) bewindvoerder toezicht hebben uitgeoefend binnen de onderhavige schuldsanering.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank derhalve van oordeel dat schuldenaren aansprakelijk zijn voor de nieuwe schuld die uit de proceskostenveroordeling voortvloeit. De aanzienlijke hoogte van de vordering, die in totaal bedrag van € 16.231,--, beloopt, bezien met in samenhang met de schuldenaren ter beschikking staande aflosmogelijkheden, kan deze proceskostenveroordeling als een bovenmatige nieuwe schuld worden aangemerkt die voldoende ernstig is om - indien de proceskostenveroordeling onherroepelijk wordt - schuldenaren de schone lei te kunnen onthouden. Niet is gebleken dat schuldenaren een betalingsregeling hebben getroffen voor het nakoming van de proceskostenveroordeling. Ook bestaat niet de verwachting dat schuldenaren, rekening houdende met de hen ter beschikking staande aflosmogelijkheden, de proceskostenveroordeling, nadat deze eventueel opeisbaar wordt, binnen afzienbare termijn kunnen voldoen. De onderhavige schuldsaneringen kunnen niet meer aan hun doelstelling beantwoorden, te weten een schuldenvrije toekomst van schuldenaren.

De rechtbank is gebleken dat schuldenaar bij dagvaarding van 10 juli 2007 beroep in cassatie heeft ingesteld bij de Hoge Raad. Het voornoemde arrest van het gerechtshof te `s-Hertogenbosch waarbij schuldenaar in de proceskosten is veroordeeld, is in afwachting van de beslissing van de Hoge Raad nog niet onherroepelijk en kan vernietigd worden door de Hoge Raad indien hij het ingestelde cassatieberoep gegrond acht. Een eventuele gegrond verklaring in cassatie kan met zich meebrengen dat ook de proceskostenveroordeling van het gerechtshof te `s-Hertogenbosch herzien zal worden. Bovendien kan in afwachting van de beslissing van de Hoge Raad de uit het arrest voortvloeiende proceskostenveroordeling (nog) niet ten uitvoer worden gelegd omdat het gerechtshof de proceskostenveroordeling niet uitvoerbaar bij voorraad heeft verklaard.

Op grond van het vorenstaande acht de rechtbank het van belang om alvorens een beslissing te nemen over de toekenning van de schone lei het arrest van de Hoge Raad af te wachten en de behandeling om die reden in afwachting van de beslissing in cassatie en het verdere verloop van de procedure na de beslissing van de Hoge Raad aan te houden. De rechtbank zal, ook voor de overige verplichtingen, haar ingevolge artikel 345 van de Faillissementswet te nemen beslissing aanhouden tot de beslissing van de Hoge Raad bekend is. Alsdan zal de rechtbank beslissen of schuldenaren aan hun overige uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen hebben voldaan. Indien het arrest van het gerechtshof te `s-Hertogenbosch onherroepelijk wordt en de proceskostenveroordeling ten uitvoer gelegd kan worden, zal de rechtbank gelet op hetgeen hiervoor is overwogen de schuldsaneringen beëindigen zonder de toekenning van de schone lei. Schuldenaren dienen er bovendien rekening mee te houden dat als het cassatieberoep wordt verworpen en schuldenaar door de Hoge Raad in het ongelijk wordt gesteld de omvang van de proceskostenveroordeling kan toenemen indien de rechter-commissaris geen toestemming verleent om de cassatieprocedure op kosten van de boedelrekening voort te zetten. De rechter-commissaris zal over de vraag of de eventuele kosten die uit de cassatieprocedure voortvloeien ten laste van de boedel komen, nog een beslissing dienen te nemen.

Mitsdien wordt beslist als volgt.

Beslissing

De rechtbank:

- houdt iedere beslissing aan tot dat de Hoge Raad arrest heeft gewezen in het door schuldenaar ingestelde cassatieberoep tegen de uitspraak d.d. 10 april 2007 van het gerechtshof te `s-Hertogenbosch.

Gewezen door mr. B.C.W. Geurtsen-van Eeden, lid van de eerste enkelvoudige kamer, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 7 december 2007 in tegenwoordigheid van mr. G. Tajjiou, grif­fier.[1]

Tegen deze uitspraak kan degene, aan wie de Faillissementswet dat recht toekent, uitsluitend via een procureur binnen acht dagen na de dag van deze uitspraak hoger beroep instellen bij een verzoekschrift, in te dienen ter griffie van het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch. Ingevolge jurisprudentie van de Hoge Raad (Hoge Raad, 12 juli 2002, NJ 2002, 532) kan ook tegen een tussenvonnis van de rechtbank op grond van artikel 354, eerste lid, van de Faillissementswet hoger beroep worden ingesteld.