Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2007:BC2253

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
11-12-2007
Datum publicatie
21-01-2008
Zaaknummer
F 07/399
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verzoek van de curator om wegens een zwaarwegend faillissementsrechtelijk belang voortzetting van de beperkingen te bevelen, waaronder de directeur van een failliete BV thans in voorlopige hechtenis verblijft, is door de rechtbank afgewezen omdat de failissementswet noch enige andere wettelijke bepaling de rechtbank daartoe de bevoegdheid verleent.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ‘s-HERTOGENBOSCH

Sector civiel recht

Faillissementsnummer: F 07/399

Deze beschikking is gegeven op een verzoek d.d. 28 november 2007, ingediend door mr. P.R. Dekker, curator in het bij vonnis van 19 september 2007 uitgesproken faillissement van:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[BV]

statutair gevestigd te [woonplaats]

kantoorhoudende te [adres]

ingeschreven bij de Kamer van Koophandel te Amsterdam onder nummer [X],

In voornoemd faillissement is tot rechter-commissaris (RC) benoemd mr. F.H.E. Boerma, rechter in deze rechtbank.

Inleiding:

Bij beschikking van 26 september 2007 is op grond van de artikelen 87, 105 en 106 Faillissementswet de inbewaringstelling bevolen van [A], bestuurder van [BV[A] is onlangs op strafrechtelijke gronden aangehouden en in voorlopige hechtenis genomen, waarbij hem volledige beperkingen zijn opgelegd.

Het verzoek:

De curator houdt rekening met de mogelijkheid dat de strafrechtelijke beperkingen waaronder [A] is gesteld, komen te vervallen voordat de verhoren zijn afgerond die de RC heeft bevolen in voornoemd faillissement. De curator heeft de rechtbank mitsdien verzocht om bij beschikking te bepalen d[A] in volledige beperkingen moet blijven tot en met 21 december 2007, althans tot het moment dat hij door de RC is verhoord, teneinde te waarborgen d[A] geen contact kan onderhouden met al degenen die nog als getuigen moeten worden gehoord over mogelijk gepleegde fraude. De curator heeft ter toelichting op het verzoek aangevoerd dat er een zwaarwegend faillissementsrechtelijk belang is dat noopt tot instandhouding van de opgelegde beperkingen. Weliswaar rept de Faillissementswet niet met zoveel woorden over “het instellen van beperkingen”, maar de curator is van mening dat het instrument van de inbewaringstelling ex artikel 105 jo106 Fw in casu volledig aan effectiviteit zou inboeten indien de rechtbank de gevraagde beperkingen niet zou kunnen opleggen.

Beoordeling:

De rechtbank stelt voorop d[A] zich thans in voorlopige hechtenis bevindt in de PI [adres] Zolang vrijheidsbeneming op deze titel voortduurt is, ingevolge artikel 62a Wetboek van Strafvordering, slechts de rechter-commissaris die is belast met het strafrechtelijk onderzoek dan wel de Officier van Justitie bevoegd om – in het belang van dat onderzoek - een maatregel als thans gevraagd te bevelen.

Mocht de voorlopige hechtenis worden opgeheven en vrijheidsbeneming op grond van het bij beschikking van 26 september 2007 gegeven bevel inbewaringstelling worden voortgezet, dan ontbeert de rechtbank naar haar oordeel evenzeer de bevoegdheid om de verzochte beperkingen te gelasten. De rechtbank stelt voorop dat voor het opleggen van beperkende maatregelen als in het verzoek bedoeld, een wettelijke basis dient te bestaan. Vast staat dat de Faillissementswet geen basis biedt. Ook overigens is geen wettelijke grondslag voorhanden die de rechtbank de bevoegdheid verstrekt om ter behartiging van failissementsrechtelijke belangen een maatregel als verzocht op te leggen.

Ingevolge de Penitentiaire beginselenwet worden personen ten aanzien van wie de tenuitvoerlegging plaatsvindt van een vrijheidsbenemende maatregel, waaronder tevens begrepen een faillissementsgijzeling, aan geen andere beperkingen onderworpen dan die welke voor het doel van de vrijheidsbeneming of in het belang van de handhaving van de orde of de veiligheid van de inrichting noodzakelijk zijn. De bevoegdheid om beperkingen op te leggen ligt ingevolge voornoemde wet bij de directeur van de inrichting.

Dat het ontbreken van een wettelijke basis voor het bevelen van een beperkende maatregel ter waarborging van faillissementsrechtelijke belangen, afbreuk doet aan de effectiviteit van de failissementsrechtelijke gijzeling vormt geen reden voor de rechtbank om tot een andersluidend oordeel te komen.

Het vorenstaande leidt tot afwijzing van het verzoek.

Beschikking:

De rechtbank,

wijst het verzoek af.

Gedaan in raadkamer van de rechtbank voornoemd van 11 december 2007, door

mrs. B.C.W. Geurtsen-van Eeden, J.F.M. Strijbos en W. Schoorlemmer, in tegenwoordigheid van de griffier.