Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2007:BC1445

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
14-12-2007
Datum publicatie
08-01-2008
Zaaknummer
AWB 06/4942
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Na eerdere vernietiging door de rechtbank heeft Waterschap De Dommel bij besluit op bezwaar aan de aan Staatsbosbeheer verleende ontheffing voor het dempen en/of afdammen van watergangen in het Laagveld en het hebben van vier stuwen in de Laagveldloop een voorschrift toegevoegd, waarin is vastgelegd dat bij het bepalen van de nulsituatie ten behoeve van het monitorings- en evaluatieprogramma moet worden uitgegaan van de onderhoudstoestand van de watergangen overeenkomstig artikel 5 van de Keur oppervlaktewateren van Waterschap De Dommel 2005. Verweerder is terecht uitgegaan van de Keur 2005 als toetsingskader. Gelet op de uitspraak van de rechtbank van 25 juli 2007 (LJN: BB1337) mist artikel 5 van de Keur 2005 over de onderhoudsverplichting echter verbindende kracht. Nu tussen Staatsbosbeheer en verweerder geen verschil van inzicht bestaat over de voorgeschreven onderhoudstoestand bestaat evenwel voldoende duidelijkheid over de nulsituatie. Volgt ongegrondverklaring van het beroep.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ’s-HERTOGENBOSCH

Sector bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 06/4942

Uitspraak van de meervoudige kamer van 14 december 2007

inzake

[6 eisers],

te [woonplaats],

eisers,

tegen

het dagelijks bestuur van het Waterschap De Dommel,

te Boxtel,

verweerder.

Aan het geding heeft als partij deelgenomen Staatsbosbeheer, regio Zuid, te Tilburg (hierna: Staatsbosbeheer).

Procesverloop

Bij besluit van 14 april 2004 heeft verweerder aan Staatsbosbeheer, regio Limburg – Oost-Brabant te Roermond (hierna: Staatsbosbeheer) ontheffing verleend voor het dempen en/of afdammen van watergangen ter plaatse van de Staatsbossen in de gemeente Heeze-Leende, plaatselijk bekend als het Laagveld, en het plaatsen en hebben van vier stuwen in de Laagveldloop.

Bij besluit van 13 oktober 2004 heeft verweerder het hiertegen door eisers gemaakte bezwaar deels gegrond en deels ongegrond verklaard, waarbij aan de ontheffing een monitorings- en evaluatieprogramma is gekoppeld.

Bij uitspraak van 22 december 2005 (AWB 04/3359 en 04/3405) heeft de rechtbank het hiertegen door eisers ingestelde beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en bepaald dat verweerder een nieuw besluit op bezwaar dient te nemen met inachtneming van hetgeen in die uitspraak is overwogen. Hiertegen is geen hoger beroep ingesteld.

Bij besluit van 1 november 2006, verzonden 9 november 2006, heeft verweerder het bezwaar (wederom) deels gegrond en deels ongegrond verklaard en aan de ontheffing een voorschrift toegevoegd.

Eisers hebben tegen dit besluit beroep ingesteld bij brief van 16 december 2006.

De zaak is behandeld ter zitting van 21 september 2007, waar de eisers [2 eisers] in persoon zijn verschenen. Namens verweerder zijn verschenen de gemachtigden mr. B.N. Heuer en ing. J.H. Koekkoek, en namens Staatsbosbeheer de gemachtigde mr. A.J. Durville.

Overwegingen

1. In deze zaak is aan de orde of verweerder, gelet op de uitspraak van de rechtbank van 22 december 2005, in redelijkheid heeft kunnen besluiten de gevraagde ontheffing te verlenen.

2. Staatsbosbeheer heeft op 17 oktober 2002 ontheffing van de Keur aangevraagd in verband met anti-verdrogingsmaatregelen in het Laagveld, waarbij ongeveer 45 ha naaldbos wordt omgevormd naar natte heide en vochtig loofbos. Bij besluit van 14 april 2004 heeft verweerder ontheffing verleend voor het plaatsen van een drietal stuwen en het vernieuwen van één stuw in de Laagveldloop.

3. Op grond van de uitspraak van de rechtbank van 22 december 2005 dient verweerder zich op de hoogte te stellen van de feitelijke situatie en in de ontheffing aan te geven welke feiten en omstandigheden ontheffinghouder bij het aan de ingebruikname voorafgaande monitorings- en evaluatieprogramma als nulsituatie dient te hanteren, uitgaande van de staat (van onderhoud) van de watergangen waarbij aan alle wettelijke verplichtingen is voldaan.

4. In het thans bestreden besluit van 1 november 2006 heeft verweerder een voorschrift aan de ontheffing toegevoegd, luidende als volgt:

1) De ontheffinghouder is verplicht om, alvorens tot uitvoering van de in de aanhef van deze ontheffing bedoelde werkzaamheden over te gaan een overzicht van de gemeten grondwaterstanden vanaf februari 2003 in de op bijgevoegd kaartfragment aangeduide peilbuizen aan het dagelijks bestuur te doen toekomen. Deze gegevens dienen te worden vastgesteld bij een onderhoudstoestand van de watergangen overeenkomstig artikel 5 van de Keur oppervlaktewateren Waterschap de Dommel 2005.

2) Tijdens en na uitvoering van de in deze ontheffing bedoelde werkzaamheden is de ontheffinghouder verplicht om eenmaal per twee weken de grondwaterstanden in de in het eerste lid bedoelde peilbuizen op te nemen.

3) De ontheffinghouder dient jaarlijks voor 1 juni met behulp van het programma Menyanthes of een daarmee vergelijkbare methode de in het tweede lid bedoelde gegevens te evalueren. Deze evaluatie dient zodanig van opzet te zijn, dat daaruit kan worden afgeleid welke factor(en) van invloed is/zijn geweest op eventuele grondwaterpeilschommelingen zoals gemeten in de peilbuizen.

4) De ontheffinghouder dient de in het tweede lid bedoelde gegevens, alsmede de in het derde lid bedoelde evaluatie schriftelijk vast te leggen en deze jaarlijks vóór

1 augustus aan het dagelijks bestuur te doen toekomen.

5. Op grond van artikel 5, eerste lid, van de Keur oppervlaktewateren Waterschap De Dommel 2005 (Keur 2005), waarvan de rechtbank in de uitspraak van 25 juli 2007 (www.rechtspraak.nl: LJN: BB1337) heeft geoordeeld dat dit verbindende kracht mist, zijn de onderhoudsplichtigen van oppervlaktewateren verplicht er voor te zorgen dat deze voortdurend in een – voor het voldoen aan de doelstellingen behorende bij de waterhuishoudkundige functie van die wateren – geschikte toestand verkeren.

6. In artikel 20 van de Keur 2005 is bepaald dat ten aanzien van het nemen van besluiten die zijn aangevraagd voor de datum van inwerkingtreding van deze keur, de Keur oppervlaktewateren De Dommel 1998, zoals gewijzigd per 11 juni 2001, (Keur 1998) van toepassing blijft.

7. Op grond van artikel 21, eerste lid, van de Keur 2005 wordt een vergunning of ontheffing, verleend voor inwerkingtreding van deze Keur, waarbij een ingevolge deze keur ontheffingplichtig c.q. vergunningplichtig werk of gedragingen door het bevoegd gezag is toegestaan, geacht ingevolge deze keur te zijn verleend.

In het tweede lid van voormeld artikel is bepaald dat voor al hetgeen ten tijde van voor de inwerkingtreding van deze keur rechtmatig tot stand is gebracht, geacht wordt met vergunning of ontheffing ingevolge deze Keur te zijn verleend.

8. De rechtbank gaat voorbij aan de gronden van eisers, voor zover deze inhouden dat aan de objectiviteit en de gedragingen van verweerder moet worden getwijfeld. Zoals aangegeven in de uitspraak van 22 december 2005 deelt de rechtbank deze twijfel niet. Hetgeen eisers thans hebben aangevoerd leidt niet tot een ander oordeel.

9. Verweerder is terecht uitgegaan van de Keur 2005 als toetsingskader voor wat betreft de vraag of een watergang voldoet aan de wettelijke eisen, nu deze keur in werking is getreden op 17 september 2005, derhalve voor de nu voorliggende beslissing op bezwaar. Het in artikel 20 van de Keur 2005 geformuleerde overgangsrecht ziet naar het oordeel van de rechtbank enkel op het nemen van het besluit tot ontheffing en niet op de inhoud van het besluit. De rechtbank ziet steun voor dit oordeel in de systematiek van artikel 9:1 van de Algemene wet bestuursrecht, zoals dat artikel luidde bij inwerkingtreding van die wet en de daarbij behorende wetsgeschiedenis. (mr. E.J. Daalder e.a.: De parlementaire geschiedenis van de Algemene wet bestuursrecht Eerste Tranche. Samsom H.D. Tjeenk Willink 1993, blz 368 ev). De stelling van eisers, dat de watergangen niet voldoen aan de eisen neergelegd in de Keur 1998 kan daarom niet slagen.

10. Verweerder heeft thans aan de ontheffing een voorschrift toegevoegd waarin is vastgelegd dat bij het bepalen van de nulsituatie ten behoeve van het monitorings- en evaluatieprogramma moet worden uitgegaan van een onderhoudstoestand van de watergangen overeenkomstig artikel 5 van de Keur 2005. Hiermee is voldaan aan de hieraan in dit verband te stellen eisen.

11. De rechtbank miskent hiermee niet dat in de uitspraak van 25 juli 2007 is geoordeeld dat artikel 5, eerste lid, van de Keur 2005 verbindende kracht mist. De rechtbank verstaat dat de ten behoeve van de nulmeting in het toegevoegde voorschrift neergelegde woorden “overeenkomstig artikel 5” in dit kader de betekenis toekomt dat dient te worden uitgegaan van de onderhoudstoestand zoals die in artikel 5 is neergelegd. Uit de stukken blijkt dat tussen verweerder en Staatsbosbeheer volledig duidelijk is welke toestand daarmee wordt bedoeld. In de zaak die geleid heeft tot de uitspraak van 25 juli 2007 ging het – geheel anders dan thans aan de orde – er om dat voor de aangelanden onvoldoende duidelijkheid bestond omtrent de omvang van hun onderhoudsverplichtingen, hetgeen temeer klemde nu het uitvoeren van het onderhoud financiële gevolgen met zich kan brengen voor de onderhoudsplichtigen en die verplichting rechtens afdwingbaar is. Om die reden werd artikel 5, eerste lid, in strijd geacht met het rechtszekerheidsbeginsel voorzover het niet-leggerwateren betreft.

Nu tussen Staatsbosbeheer en verweerder geen verschil van inzicht bestaat over de voorgeschreven onderhoudstoestand bestaat voldoende duidelijkheid over de nulsituatie.

12. Voor zover eisers zich op het standpunt stellen dat de gekozen referentiepunten geen relevante, althans geen volledige informatie geven omdat geen referentiepunt is gekozen buiten het gebied waarop de ontheffing betrekking heeft, heeft verweerder – nog daargelaten of in dit kader kan worden geëist dat peilingen worden verricht buiten het gebied waarop de ontheffing betrekking heeft – voldoende aannemelijk gemaakt dat dit in dit geval om meerdere redenen niet zinvol is. Deze stelling wordt derhalve niet gevolgd.

13. Verweerder heeft naar aanleiding van de uitspraak van 22 december 2005 nader onderzoek verricht naar de relevante feiten en omstandigheden. De door Staatsbosbeheer uitgevoerde berekeningen zijn door verweerder hydrologisch getoetst en aannemelijk bevonden.

14. Volgens de hiervan gemaakte, als een deskundigenbericht geldende, rapportage van 14 juli 2006 voldoen de watergangen aan de daaraan gelet op hun functie te stellen wettelijke eisen, en is de daarin beschreven onderhoudstoestand van de betreffende watergangen goed om die situatie als nulsituatie te bestempelen. Inzake deze onderzoeksrapportage is niet gebleken van onzorgvuldigheid of van zodanige onvolledigheid of onjuistheid dat verweerder zijn standpunt niet hierop mag doen steunen. Hieruit volgt dat niet kan worden staande gehouden dat verweerder is uitgegaan van een onjuiste nulmeting. Hetgeen eisers hiertegen hebben aangevoerd leidt niet tot een andere oordeel.

15. Met betrekking tot eisers’ grief dat de ontheffing geen vernatting van de buiten het gebied gelegen gronden tot gevolg mag hebben wordt overwogen dat uit de rapportage is gebleken dat eisers’ gronden zijn gelegen op een dekzandrug, en dat aannemelijk is gemaakt dat de watergangen waarop de ontheffing betrekking heeft geen invloed hebben op de grondwaterstand aldaar, met uitzondering van de watergang TR15, welke volgens de geldende norm wordt onderhouden.

16. Nu in de voorwaarden voorts is voorzien in een jaarlijkse evaluatie van de peilbuisgegevens, is met het monitorings- en evaluatieprogramma voldoende zekerheid ingebouwd om verweerder in het bijzonder in onvoorziene situaties de mogelijkheid te verschaffen de ontheffinghouder op te dragen de stuwpeilen aan te passen.

17. Het voorgaande leidt tot het oordeel dat verweerder in redelijkheid de ontheffing heeft kunnen verlenen. Het bestreden besluit kan in stand blijven. Het beroep dient ongegrond te worden verklaard.

18. Er is geen aanleiding te komen tot een veroordeling in de proceskosten, of om te bepalen dat verweerder het door eisers betaalde griffierecht dient te vergoeden.

19. Beslist wordt als volgt.

Beslissing

De rechtbank:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gedaan door mr. W.P.C.G. Derksen, voorzitter, en mrs. H.F.M.W. van Rijswick en M.T. van Vliet, leden, in tegenwoordigheid van A.J.H. van der Donk als griffier en uitgesproken in het openbaar op 14 december 2007.

Partijen kunnen tegen deze uitspraak binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag.

Afschriften verzonden