Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2007:BC1368

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
12-12-2007
Datum publicatie
08-01-2008
Zaaknummer
AWB 07/2395
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

AWBZ indicatie voor huishoudelijke verzorging verleend voor geringer aantal uren dan in het verleden het geval was. In beginsel is er geen aanspraak op indicatie voor huishoudelijke verzorging, echter deze is toch verleend op basis van uitruil van zorg. De vraag of aan voorwaarden voor uitruil van zorg is voldaan gaat omvang van het geschil te buiten, zodat de rechtbank hier gelet op artikel 8:69 Awb niet aan toekomt. Nu verweerder eiseres is tegemoet gekomen door toch indicatie voor huishoudelijke verzorging te verlenen, kan niet worden gesteld dat dit had moeten gebeuren voor groter aantal uren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ’s-HERTOGENBOSCH

Sector bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 07/2395

Uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 december 2007

inzake

[eiseres],

te [woonplaats],

eiseres,

gemachtigde G.J.J.M. van Kollenburg,

tegen

Stichting Centrum Indicatiestelling Zorg,

te Driebergen-Rijsenburg,

verweerder,

gemachtigden mr. L.M.R. Kater en M.J.H. Arts.

Procesverloop.

Ten behoeve van eiseres was een indicatie, als bedoeld in de Algemene wet bijzondere ziektekosten (AWBZ) afgegeven voor huishoudelijke verzorging voor 9 uur per week. In verband met het aflopen van deze indicatie heeft eiseres op 27 december 2005 een aanvraag ingediend voor AWBZ zorg.

Verweerder heeft bij besluit van 30 december 2005 besloten om aan eiseres met ingang van vier weken na dit besluit geen indicatie, als bedoeld in de AWBZ, meer af te geven voor huishoudelijke verzorging.

Verweerder heeft het door eiseres tegen dit besluit gemaakte bezwaar bij besluit van 21 februari 2006 gegrond verklaard en besloten om voor de periode vanaf 30 december 2005 een indicatie voor huishoudelijke verzorging af te geven voor 4 - 6,9 uur per week, voor de periode vanaf 30 maart 2006 voor 2 - 3,9 uur per week en voor de periode van 30 mei 2006 tot 29 juni 2006 voor 0 - 1,9 uur per week.

Hangende het door eiseres tegen dit besluit op bezwaar van 21 februari 2006 ingestelde beroep heeft verweerder dit besluit gewijzigd bij nader besluit van 3 mei 2006, in die zin dat voor de periode van 26 april 2006 tot 26 oktober 2006 een indicatie is afgegeven voor huishoudelijke verzorging voor 4-6,9 uur per week.

Bij uitspraak van deze rechtbank van 11 mei 2007, zaaknummer AWB 06/1717, is het beroep van eiseres gegrond verklaard en zijn verweerders besluiten van 21 februari 2006 en 3 mei 2006 vernietigd. Daarbij is verweerder opgedragen om een nieuw besluit te nemen met inachtneming van de uitspraak van de rechtbank.

Verweerder heeft vervolgens op 21 juni 2007 een nieuw besluit op bezwaar gegeven, waarbij de bezwaren van eiseres deels gegrond zijn verklaard. Verweerder heeft het primaire besluit van 30 december 2005 ingetrokken en heeft de navolgende indicatie voor huishoudelijke hulp afgegeven:

- van 30 december 2005 tot en met 26 oktober 2006: 4-6,9 uur per week (HV3)

- van 27 oktober 2006 tot en met 31 december 2007 :2-3,9 uur per week (HV2).

Tegen dit besluit op bezwaar van 21 juni 2007 heeft eiseres beroep ingesteld.

De zaak is behandeld ter zitting van 11 december 2007, waar eiseres is vertegenwoordigd door haar gemachtigde, die zich heeft laten vergezellen door de echtgenoot van eiseres. Verweerder is verschenen bij gemachtigden.

Overwegingen

1. In dit geschil is de vraag aan de orde of verweerder op goede gronden heeft volstaan met een gedeeltelijke gegrondverklaring van het bezwaar van eiseres tegen het primaire besluit.

2. Blijkens het thans in beroep voorliggende besluit op bezwaar heeft verweerder ook thans volstaan met een indicatie voor huishoudelijke hulp voor een geringer aantal uren dan in het verleden voor eiseres was geïndiceerd.

Verweerder heeft de bij eiseres bestaande ziekte of aandoening, bestaande uit reuma en hartritmestoornissen, als een gegeven aangenomen, waarbij geen nadere informatie is opgevraagd bij haar behandelaar. Eiseres woont in gezinsverband samen met haar echtgenoot en haar volwassen zoon en vormt met hen een leefeenheid in de zin van artikel 1, lid b, van het Besluit Zorg Aanspraken. In het Protocol Gebruikelijke Zorg wordt vermeld dat de leefeenheid primaire verantwoordelijk blijft voor het functioneren van het huishouden. Daarbij gaat het om de normale, dagelijkse zorg die partners of ouders en inwonende kinderen geacht worden elkaar onderling te bieden omdat ze als leefeenheid een gezamenlijke huishouding voeren en op die grond een gezamenlijke verantwoordelijkheid hebben voor het functioneren van het huishouden.

De echtgenoot van eiseres kan geen zwaar huishoudelijk werk uitvoeren ten gevolge van de bij hem bestaande medische beperkingen, die blijvend zijn.

De inwonende volwassen zoon van eiseres wordt door verweerder echter aangemerkt als een normaal belastbaar persoon. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de omstandigheid dat de inwonende zoon een eigen bedrijf heeft geen grond is voor toekenning van enige vorm van huishoudelijke zorg.

Verweerder concludeert dat er alleen aanspraak op de functie van huishoudelijke verzorging bestaat op basis van uitruil van zorg conform paragraaf 3.5 van het Protocol voor Huishoudelijke Verzorging.

3. Eiseres is van mening dat verweerder hiermee onvoldoende rekening heeft gehouden met de uitspraak van de rechtbank. De lichamelijke klachten van eiseres en haar echtgenoot duren onverminderd voort en laten een stijgende lijn zien, huishoudelijke verzorging is een noodzaak, aldus eiseres. Volgens eiseres is haar volwassen inwonende zoon, die als zelfstandig ondernemer werkzaam is, niet in staat een bijdrage te leveren in de huishoudelijke taken. Aangezien de lichamelijke situatie van eiseres en haar echtgenoot niet verbetert maar juist verslechtert, is er meer dan voldoende reden om de huishoudelijke hulp te handhaven op 9 uur per week, conform de voorheen geldende indicatie.

4. De rechtbank overweegt als volgt.

5. Het thans in beroep voorliggende besluit op bezwaar van 21 juni 2007 strekt ter uitvoering van de uitspraak van de rechtbank van 11 mei 2007, zaaknummer 06/1717. In die uitspraak is overwogen dat de daar voorliggende besluiten een draagkrachtige motivering missen, omdat de beëindiging van de indicatie voor huishoudelijke verzorging met ingang van 26 oktober 2006 niet valt te rijmen met de door verweerder geconstateerde behoefte aan huishoudelijke verzorging tot in elk geval het einde van het jaar 2007. Naar de rechtbank vaststelt, voorziet het nieuwe besluit op bezwaar in een indicatie voor huishoudelijke hulp gedurende het gehele jaar 2007. In zoverre heeft verweerder dan ook op juiste wijze uivoering gegeven aan de uitspraak van de rechtbank.

6. De rechtbank komt thans toe aan de beantwoording van de vraag of verweerder, in afwijking van de voorheen geldende indicatie voor 9 uur huishoudelijke hulp per week, thans kon volstaan met een geringer aantal uren en overweegt dienaangaande het navolgende.

7. Ingevolge artikel 9a, eerste lid, van de AWBZ voorzien burgemeester en wethouders erin dat in hun gemeente ten behoeve van de inwoners een onafhankelijk bestuursorgaan werkzaam is, dat kosteloos besluit of een inwoner is aangewezen op een van de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen vormen van zorg.

8. Artikel 9b, eerste lid, van de AWBZ bepaalt dat aanspraak op zorg, aangewezen ingevolge artikel 9a, eerste lid, van de AWBZ, slechts bestaat, indien er gedurende de periode waarvoor het bevoegde indicatieorgaan op een door de verzekerde ingediende aanvraag heeft besloten dat deze naar aard, inhoud en omvang op die zorg is aangewezen.

9. Ingevolge artikel 2 van het Zorgindicatiebesluit wordt als vorm van zorg als bedoeld in artikel 9a, eerste lid, van de AWBZ onder meer aangewezen de zorg, bedoeld in de artikelen 3 van het Besluit zorgaanspraken AWBZ( hierna: het Besluit).

10. Artikel 3 van het Besluit bepaalt:

Huishoudelijke verzorging omvat het ondersteunen bij of het overnemen van activiteiten op het gebied van het verzorgen van het huishouden in verband met een somatische, psychogeriatrische of psychiatrische aandoening of beperking, een verstandelijke, lichamelijke of zintuiglijke handicap of een psychosociaal probleem die of dat leidt of dreigt te leiden tot het disfunctioneren van de verzorging van het huishouden van de verzekerde dan wel van de leefeenheid waartoe de verzekerde behoort, te verlenen door een instelling.

11. Bij de beoordeling van aanvragen als thans aan de orde hanteert verweerder het hiervoor reeds vermelde Protocol Gebruikelijke Zorg. De rechtbank begrijpt het in dit Protocol neergelegde beleid aldus dat ervan wordt uitgegaan dat de leefeenheid van de zorgaanvrager zelf verantwoordelijk is voor het verrichten van de huishoudelijke taken. Indien de zorgaanvrager bij het verrichten van die taken geheel of gedeeltelijk uitvalt, wordt van gezonde volwassen huisgenoten verwacht dat zij die taken overnemen; ook wanneer die huisgenoten voltijds werken of studeren. De indicatiesteller dient daarbij te onderzoeken of er in individuele situaties moet worden afgeweken van de algemene regels. Daarvan kan bijvoorbeeld sprake zijn in het geval van dreigende overbelasting van degene van wie wordt verwacht dat hij de huishoudelijke taken overneemt.

12. De rechtbank acht dit beleid niet kennelijk onredelijk en evenmin in strijd met de wettelijke voorschriften. Daarmee sluit de rechtbank aan bij de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 22 mei 2007, LJN: BA6428.

13. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder in het onderhavige geval op juiste wijze toepassing gegeven aan dit beleid. Noch gesteld noch gebleken is dat de zoon van eiseres niet een gezonde volwassen persoon is. In die situatie heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank kunnen volstaan met het telefonisch contact dat blijkens de brief van verweerder van 23 oktober 2006 op 17 en 19 oktober 2006 heeft plaatsgevonden met eiseres en haar echtgenoot en blijkens het besluit op bezwaar ook op 23 mei 2006 met de zoon van eiseres. Voor een nader onderzoek naar mogelijke beperkingen van de zoon bestond geen aanleiding. De rechtbank is dan ook met verweerder van oordeel dat van de inwonende volwassen zoon van eiseres verwacht mag worden dat hij de huishoudelijke verzorging op zich neemt. Indien de zoon van eiseres meent dat dit van hem gelet op zijn drukke werkzaamheden niet kan worden verwacht, staat het hem uiteraard vrij om desgewenst tegen betaling huishoudelijke hulp in te schakelen.

14. Onder deze omstandigheden komt de rechtbank tot het oordeel dat eiseres niet in aanmerking komt voor de aangevraagde indicatie voor huishoudelijke verzorging.

15. Desondanks heeft verweerder toch een indicatie voor huishoudelijke verzorging afgegeven, dit op basis van de zogeheten uitruil. Blijkens onderdeel 3.5 van het Protocol Gebruikelijke Zorg kan een indicatie voor huishoudelijke verzorging worden gesteld op basis van uitruil, indien een huisgenoot mantelzorg levert en wil blijven leveren, voor het aandeel dat van hem/haar wordt verwacht op het terrein van de gebruikelijke zorg. Gebleken is dat de echtgenoot van eiseres gedurende 2 uur en 20 minuten per week de persoonlijke verzorging van eiseres op zich neemt, welke uren op basis van verweerders beleid kunnen worden uitgeruild tegen huishoudelijke verzorging. Verweerder heeft hierin aanleiding gezien om toch een indicatie voor huishoudelijke verzorging af te geven, waarbij bovendien sprake is van een geleidelijke afbouw van het aantal uren. Van 30 december 2005 tot en met 26 oktober 2006 wordt nog een indicatie voor huishoudelijke zorg gegeven voor 4-6,9 uur per week, terwijl eerst van 27 oktober 2006 tot en met 31 december 2007 het aantal uren wordt verlaagd naar 2-3,9 per week.

16. Namens verweerder is het beleid terzake van de uitruil van zorg ter zitting op de navolgende wijze toegelicht. Eiseres kan in beginsel aanspraak maken op een indicatie ten behoeve van persoonlijke verzorging, echter in de praktijk neemt haar echtgenoot deze taken op zich. Gelet hierop wordt door verweerder geen indicatie voor persoonlijke verzorging verleend, maar wordt in plaats daarvan een indicatie voor huishoudelijke verzorging afgegeven. De vraag of verweerder zich op goede gronden op het standpunt heeft gesteld dat er in casu is voldaan aan de voorwaarden voor uitruil van zorg gaat de omvang van het geschil te buiten, zodat de rechtbank gelet op artikel 8:69 van de Algemene wet bestuursrecht niet toekomt aan de beantwoording daarvan.

17. Nu verweerder eiseres, die in beginsel in het geheel geen aanspraak kan maken op huishoudelijke verzorging, op de hiervoor vermelde wijze is tegemoet gekomen, kan naar het oordeel van de rechtbank in ieder geval niet worden gesteld dat verweerder een indicatie voor huishoudelijke verzorging had moeten verlenen voor een groter aantal uren per week.

18. Het beroep wordt dan ook ongegrond verklaard.

19. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling en evenmin voor vergoeding van het griffierecht.

20. Beslist wordt als volgt.

Beslissing

De rechtbank,

- verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gedaan door mr. E.H.B.M. Potters als rechter in tegenwoordigheid van mr. P.D.H. Selhorst als griffier en uitgesproken in het openbaar op 12 december 2007.