Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2007:BC1272

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
21-12-2007
Datum publicatie
07-01-2008
Zaaknummer
AWB 06/3578, AWB 06/3552 en AWB 06/3561
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verweerder heeft na heroverweging onder verlening van een binnenplanse vrijstelling de bouwvergunning voor het oprichten van een hotel aan de recreatieplas “De IJzeren Man” in Vught in stand gelaten. Naar het oordeel van de rechtbank is één van de eisers terecht niet als belanghebbende aangemerkt. Voorts heeft verweerder de bouwvergunning terecht verleend. Volgt ongegrondverklaring van het beroep.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ’s-HERTOGENBOSCH

Sector bestuursrecht

Zaaknummers: AWB 06/3578, AWB 06/3552 en AWB 06/3561

Uitspraak van de meervoudige kamer van 21 december 2007

inzake

1. Fietsersbond, afdeling ’s-Hertogenbosch/Vught,

te Vught,

eiser sub 1,

2. Stichting Vughts Landschap,

te Vught,

eiseres sub 2,

3. [eiseres],

te [woonplaats],

eiseres sub 3,

tegen

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Vught,

verweerder,

gemachtigde: D.N. Bastin.

Aan het geding heeft als partij deelgenomen [vergunninghouder], vergunninghouder, te [plaats].

Procesverloop

Bij besluit van 28 juli 2005 heeft verweerder aan vergunninghouder bouwvergunning verleend voor het oprichten van een hotel op het perceel, kadastraal bekend gemeente Vught, sectie [...], nummer [...], plaatselijk bekend [adres].

Bij afzonderlijke besluiten van 23 mei 2006 heeft verweerder het bezwaar van eiseres sub 3 niet-ontvankelijk verklaard, de bezwaren van eiser sub 1 en eiseres sub 2 gegrond verklaard en het primaire besluit herroepen. Daarbij heeft verweerder, onder verlening van een binnenplanse vrijstelling, de bouwvergunning in stand gelaten.

Tegen deze besluiten hebben eisers beroep ingesteld bij de rechtbank. De zaken zijn gevoegd behandeld ter zitting van 13 november 2007, waar namens eiser sub 1 zijn verschenen

ir. J.W. Hommes en R. de Haan, namens eiseres sub 2 drs. W.J.R.J. Punte, en eiseres sub 3 in persoon. Verweerder is verschenen bij gemachtigde. Vergunninghouder is niet verschenen.

Overwegingen

1. In deze zaak is aan de orde of verweerders besluiten van 23 mei 2006 in rechte kunnen standhouden.

Feiten

2. De aanvraag om bouwvergunning dateert van 11 maart 2005 en voorziet in het oprichten van een hotel aan de recreatieplas ”De IJzeren Man” in Vught.

3. Het onderhavige perceel is gelegen in het geldende bestemmingsplan ”De IJzeren Man” en heeft daarin de bestemming ”Horeca”. Dit bestemmingsplan is op 18 augustus 1993 gedeeltelijk goedgekeurd door gedeputeerde staten van Noord-Brabant (hierna: GS). Daarbij is goedkeuring onthouden aan de bestemming ”Horeca” voorzover die bestemming was geprojecteerd langs het water. Voorts is goedkeuring onthouden aan de aanduiding ”fietspad”. Bij Koninklijk Besluit van 11 december 1996 (hierna: het KB) is het gedeeltelijke goedkeuringsbesluit van GS nagenoeg in stand gebleven, maar werd wel alsnog goedkeuring onthouden aan het op de plankaart aangegeven bebouwingspercentage van 50%, dat door de Kroon onvoldoende werd geacht voor een rendabel exploiteerbaar hotel. Dichtere bebouwing van het resterende bouwvlak was naar het oordeel van de Kroon aanvaardbaar. De gemeenteraad heeft niet aan de verplichting voldaan om binnen een jaar na onthouding van goedkeuring een vervangend bestemmingsplan (reparatieplan) vast te stellen.

Wettelijk kader

4. Ingevolge artikel 40 van de Woningwet (Ww) - zoals dat luidde ten tijde van het bestreden besluit - is het verboden te bouwen zonder of in afwijking van een vergunning van burgemeester en wethouders (bouwvergunning).

Ingevolge artikel 44, eerste lid, van de Ww mag de reguliere bouwvergunning slechts en moet die vergunning worden geweigerd indien het bouwen waarop de aanvraag betrekking heeft in strijd is met -zakelijk weergegeven- het Bouwbesluit 2003, de gemeentelijke bouwverordening, het bestemmingsplan, de redelijke eisen van welstand, of wanneer een ingevolge de Monumentenwet 1988 of een provinciale of gemeentelijke monumentenverordening benodigde vergunning ontbreekt.

5. De weigeringsgronden van artikel 44 van de Ww hebben een limitatief imperatief karakter. Dit betekent dat de bouwvergunning moet worden geweigerd indien zich ten aanzien van het bouwplan waar de aanvraag betrekking op heeft één of meer van de in het eerste lid genoemde weigeringsgronden voordoen. Voorts betekent dit dat bouwvergunning moet worden verleend indien een weigeringsgrond ontbreekt.

6. Op grond van artikel 1, aanhef en onder 13, van de planvoorschriften wordt onder ”Horeca” verstaan: een bedrijf, dat is gericht op het verstrekken van nachtverblijf en/of van ter plaatse te nuttigen voedsel en dranken en/of het exploiteren van zaalakkommodatie.

Ingevolge artikel 8, lid 1, van de planvoorschriften zijn de tot ”Horeca” bestemde gronden bestemd voor de uitoefening van een horecabedrijf (café, restaurant, hotel), het treffen van parkeervoorzieningen voor de opvang van de eigen parkeerbehoefte, de aanleg van een wandelpad en, voor zover dit met een aanduiding op de plankaart is aangegeven, voor een fietspad.

Ingevolge artikel 8, lid 2, aanhef en onder c, van de planvoorschriften mag de nokhoogte van gebouwen niet meer dan 11 m bedragen.

Op grond van artikel 2, aanhef en onder d, van de planvoorschriften wordt bij de toepassing van deze voorschriften de hoogte/nokhoogte van gebouwen als volgt gemeten: van het hoogste punt der gebouwen tot aan de hoogte van de kruin van de weg ter plaatse vanwaar die gebouwen voornamelijk toegankelijk zijn, dan wel tot aan de gemiddelde hoogte van het aansluitende afgewerkte terrein, indien de eerstgenoemde hoogte meer dan 0.2 m boven of onder laatstgenoemde hoogte gelegen is.

Ingevolge artikel 12, aanhef en onder 1, van de planvoorschriften zijn burgemeester en wethouders bevoegd vrijstelling te verlenen van de voorschriften van het plan tot een maximum van de in het plan voorgeschreven maten voor gebouwen, mits de belangen van derden niet onevenredig worden geschaad.

Oordeel van de rechtbank

7. Verweerder heeft het bezwaar van eiseres sub 3 niet-ontvankelijk verklaard omdat zij niet kan worden aangemerkt als belanghebbende in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Ingevolge artikel 1:2 van de Awb wordt onder belanghebbende verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

8. Eiseres sub 3 stelt zich op het standpunt dat zij als inwoner van [woonplaats] en als recreant belanghebbende is bij het natuur- en recreatiegebied ”De IJzeren Man” en wijst erop dat zij (evenals de andere bewoners van Vught en Cromvoirt) binnen 10 minuten op de fiets in het gebied is. Eiseres sub 3 is van mening dat door het bouwplan haar leefomgeving en die van anderen ernstig wordt aangetast.

9. Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat eiseres sub 3 niet als belanghebbende in de hier bedoelde zin kan worden aangemerkt, nu haar belang niet rechtstreeks bij de bouwvergunning is betrokken. Eiseres woont op ongeveer 1400 meter van het geprojecteerde bouwplan en heeft daarop geen direct zicht. Gezien de afstand heeft het bouwplan geen directe invloed op haar woon- of leefomgeving. Voorts is niet gebleken dat eiseres sub 3 meer dan anderen in haar belangen wordt geraakt. Zij onderscheidt zich niet van vele andere recreanten.

10. Uit het voorgaande volgt dat verweerder het bezwaar van eiseres sub 3 terecht en op goede gronden niet-ontvankelijk heeft verklaard. Het door haar ingestelde beroep dient daarom ongegrond te worden verklaard. Gelet hierop wordt niet toegekomen aan hetgeen zij overigens heeft aangevoerd.

11. Ten aanzien van de beroepen van eiser sub 1 en eiseres sub 2 wordt overwogen als volgt.

12. Het bouwplan dat voorziet in het oprichten van een hotel past binnen de doeleindenomschrijving van het bestemmingsplan. De door eiseres sub 2 geuite twijfel aan het beoogde gebruik van de geprojecteerde hotelsuites, gelet op de afmetingen daarvan, is onvoldoende onderbouwd om tot het oordeel te komen dat sprake zal zijn van met het bestemmingsplan strijdig gebruik. In dit verband is mede van belang dat een verzoek om permanente bewoning van deze suites toe te staan door verweerder op 18 oktober 2005 is afgewezen. De rechtbank merkt op dat eventueel strijdig gebruik aanleiding kan vormen tot handhavend optreden.

13. De rechtbank is met verweerder van oordeel dat niet mag worden getoetst aan de bepaling omtrent het bebouwingspercentage, omdat daaraan door GS goedkeuring is onthouden. Nu daardoor op grond van de planvoorschriften geen beperking van het bebouwingspercentage geldt voor het plandeel met de bestemming ”Horeca”, is een bebouwingspercentage toelaatbaar dat uitgaat boven hetgeen in het desbetreffende artikel oorspronkelijk was opgenomen. De rechtbank overweegt in dat verband dat de bebouwing op grond van het artikel waaraan goedkeuring is onthouden maximaal 50% zou hebben mogen bedragen en dat de onthouding van goedkeuring is geschied omdat in het KB is geoordeeld dat een dichtere bebouwing is toegestaan. De rechtbank volgt derhalve niet het standpunt van eiseres sub 2, dat bij ontbreken van een bebouwingspercentage in het geheel geen bebouwing mag plaatsvinden. De omstandigheid dat het bestemmingsplan in weerwil van het bepaalde in artikel 30 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO), na de partiële onthouding van goedkeuring, niet is aangepast kan hieraan niet afdoen. Overigens is van een volledige bebouwing van het bebouwingsvlak in het onderhavige geval geen sprake. Volgens de stukken - de rechtbank verwijst naar pagina 8 van het hoorverslag van de commissie van advies voor de bezwaarschriften - leidt realisering van het hotel tot een bebouwingspercentage van 60 a 70%.

14. Aan de hand van de tekeningen en de plankaart is ter zitting komen vast te staan dat het bouwplan blijft binnen de grenzen van het op de plankaart aangegeven bebouwingsvlak. De hiertegen gerichte grief van eiseres sub 2 slaagt daarom niet. Dat in de aanvraag om bouwvergunning een ander kadastraal nummer is genoemd doet hieraan niet af. Uit de overige stukken blijkt duidelijk op welke gronden het bouwplan betrekking heeft.

15. Verweerder heeft voldoende onderbouwd dat het bouwplan voldoet aan redelijke eisen van welstand. De gemeentelijke welstandscommissie heeft gereageerd op de door eiseres sub 2 ingebrachte contra-expertise van Welstandszorg Noord-Brabant, waarbij uitvoerig op de contra-expertise wordt ingegaan en deze is weersproken. Volgens de welstandscommissie is op het aspect dat geen aantasting van het huidige beeld van ”De IJzeren Man” mag plaatsvinden het meest haalbare bereikt. Deze reactie is niet meer bestreden door het overleggen van een reactie van een deskundige. Niet kan worden gezegd dat het deskundigenoordeel van de welstandscommissie onzorgvuldig is voorbereid of zodanige onvolkomenheden bevat dat verweerder dit niet aan zijn beslissing ten grondslag heeft mogen leggen. De omstandigheid dat niet is aangegeven hoe het parkeerterrein is ingedeeld en ingericht doet hier niet aan af, nu de welstandscommissie rekening heeft gehouden met de mogelijkheid van een gewijzigde inrichting en dit niet tot de conclusie heeft geleid dat het plan welstandshalve niet aanvaardbaar is.

16. Tussen partijen is niet in geschil dat onttrekking aan de openbaarheid van een gedeelte van de [straat] dient plaats te vinden en dat een alternatieve wandel- en fietsroute dient te worden aangelegd, voordat het bouwplan gerealiseerd kan worden. Dit maakt echter niet dat verweerder hieromtrent diende te beslissen alvorens een besluit te nemen inzake de aangevraagde bouwvergunning. Verweerder heeft met juistheid gesteld dat hij dient te beslissen op de ingediende aanvraag, waarbij hij gehouden is aan de toetsingscriteria genoemd in artikel 44 van de Ww. Van onzorgvuldige of onvolledige besluitvorming is niet gebleken. De hiertegen gerichte beroepsgronden kunnen niet slagen.

17. Het pleidooi van eiser sub 1, in navolging van de opmerkingen van de commissie van advies voor de bezwaarschriften, dat verweerder had moeten zorgen voor een betere integrale aanpak en het gecoördineerd ter hand nemen van alle benodigde vergunningen en vrijstellingen, waardoor waarschijnlijk de grote maatschappelijke onrust deels zou zijn voorkomen, kan aan het voorgaande niet afdoen. Het opstellen van een nieuwe integrale gebiedsvisie is niet noodzakelijk voor het verlenen van een binnenplanse vrijstelling.

18. Ook de omstandigheid dat volgens eiser sub 1 een alternatieve route achter het hotel zal leiden tot verkeersconflicten, en dat het bestemmingsplan de mogelijkheid biedt voor een wandel- en fietspad aan de voorzijde van het hotel - wat hiervan verder ook zij - maakt niet dat verweerder diende te wachten met zijn besluit inzake de bouwvergunning, nu een dergelijke verplichting geen deel uitmaakt van het wettelijke toetsingskader.

19. Uit de bouwtekeningen blijkt voorts dat de bouwhoogte van 12.10 meter blijft binnen de grens waarbij op grond van artikel 12 van de planvoorschriften een vrijstelling kan worden verleend van de maximaal toegestane bouwhoogte. De rechtbank ziet geen aanleiding tot twijfel aan verweerders toelichting ter zitting dat bij meting is uitgegaan van de kruin van de Boslaan, derhalve van de verharde weg ter plaatse. Op grond van artikel 2, aanhef en onder d, van de planvoorschriften acht de rechtbank deze wijze en plaats van meten, gelet op de situering van het bouwplan ten opzichte van de Boslaan en de omstandigheid dat het aansluitende terrein nog niet is afgewerkt, niet onjuist. Verweerder was derhalve bevoegd de binnenplanse vrijstelling te verlenen.

20. Met betrekking tot de vraag of verweerder in dit concrete geval in redelijkheid gebruik kan maken van zijn bevoegdheid binnenplanse vrijstelling te verlenen dient verweerder een afweging van alle betrokken belangen te maken. Verweerder heeft in dit kader bij zijn besluitvorming betrokken dat geen sprake is van overwegende ruimtelijke bezwaren, en dat de belangen van derden niet onevenredig worden geschaad. De rechtbank is niet gebleken van feiten of omstandigheden die tot een ander standpunt nopen. Verweerder heeft in redelijkheid binnenplanse vrijstelling kunnen verlenen, als bedoeld in artikel 12, aanhef en onder 1, van de planvoorschriften.

21. In het aanvullend beroep heeft eiseres sub 2 aangevoerd dat mogelijk strijd bestaat met de Vogel- en/of Habitatrichtlijn. Dienaangaande overweegt de rechtbank allereerst dat de enkele omstandigheid dat het bouwplan is gelegen in een natuurgebied niet met zich brengt dat dient te worden voldaan aan de voorwaarden neergelegd in de Vogel- en/of Habitatrichtlijn. Niet gebleken is dat het gebied waarin het onderhavige perceel is gelegen is aangewezen als speciale beschermingszone. Voorts is niet gebleken dat een dergelijke zone in de nabijheid is gelegen.

Voor zover eiseres sub 2 heeft beoogd te stellen dat onvoldoende is onderzocht of door het bouwplan schade ontstaat aan de ter plaatse aanwezige natuur, overweegt de rechtbank dat het bouwplan - met binnenplanse vrijstelling voor de hoogte - past binnen het geldende bestemmingsplan. Nu niet aannemelijk is gemaakt dat aan beschermde dier- en/of plantensoorten schade zou kunnen ontstaan bestond geen verplichting tot het verrichten van onderzoek.

22. Nu zich geen van de weigeringsgronden van artikel 44 van de Ww voordoet heeft verweerder, gelet op het imperatieve karakter van laatstbedoelde bepaling, de gevraagde bouwvergunning terecht verleend. De beroepen van eiser sub 1 en eiseres sub 2 dienen derhalve eveneens ongegrond te worden verklaard.

23. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten, of om te bepalen dat verweerder het door eisers betaalde griffierecht dient te vergoeden.

24. Beslist wordt als volgt.

Beslissing

De rechtbank:

verklaart de beroepen ongegrond.

Aldus gedaan door mr. M.T. van Vliet, voorzitter, en mrs. A.A.H. Schifferstein en D.J. de Lange, leden, in tegenwoordigheid van A.J.H. van der Donk als griffier en uitgesproken in het openbaar op 21 december 2007.

Partijen kunnen tegen deze uitspraak binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag.

Afschriften verzonden