Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2007:BC1039

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
24-12-2007
Datum publicatie
04-01-2008
Zaaknummer
01/825362-07
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Tbs en 9 maanden gevangenisstraf met aftrek van voorarrest voor poging tot moord (met een mes steken in de richting van de hals) en mishandeling van twee andere slachtoffers. Veroordeelde is verminderd toerekeningsvatbaar geacht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

verkort vonnis

RECHTBANK 'S-HERTOGENBOSCH

Sector Strafrecht

Parketnummer: 01/825362-07

Datum uitspraak: 24 december 2007

Verkort vonnis van de rechtbank ’s-Hertogenbosch, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte]

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1975,

wonende te [woonplaats], [adres]

thans gedetineerd te: P.I. Overijssel, P.I.V. Zwolle.

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 2 oktober 2007 en 11 december 2007.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 20 september 2007.

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

1.

zij op of omstreeks 18 juni 2007 te Eindhoven ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer 1] van het leven te beroven, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, meermalen, althans eenmaal met een mes in de richting van de hals en/of het gezicht van [slachtoffer 1] heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid ;

(Artikel 289/287 juncto 45 van het Wetboek van Strafrecht)

Subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

zij op of omstreeks 18 juni 2007 te Eindhoven ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [slachtoffer 1], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet meermalen, althans eenmaal met een mes in de richting van de hals en/of het gezicht van [slachtoffer 1] heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

(Artikel 302 juncto 45 van het Wetboek van Strafrecht)

2.

zij op of omstreeks 04 februari 2007 te Eindhoven opzettelijk mishandelend (een) perso(o)n(en) (te weten [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3]), heeft geslagen en/of gestompt en/of geschopt en/of getrapt, waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

(artikel 300 Wetboek van Strafrecht)

Voorzover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

De geldigheid van de dagvaarding.

De dagvaarding voldoet aan alle wettelijke eisen.

De bevoegdheid van de rechtbank.

Krachtens de wettelijke bepalingen is de rechtbank bevoegd van het tenlastegelegde kennis te nemen.

De ontvankelijkheid van de officier van justitie.

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen omstandigheden gebleken, die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan.

Schorsing der vervolging.

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen gronden voor schorsing der vervolging gebleken.

Bruikbaarheid verklaring verdachte.

De raadsman heeft aangevoerd dat de verklaring van verdachte zoals is opgenomen in het proces-verbaal onderhoud verdachte opgemaakt en ondertekend d.d. 19 juni 2007 door verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] niet voor het bewijs jegens verdachte kan worden gebruikt. De raadsman heeft hiertoe aangedragen dat voorafgaand aan dit onderhoud niet de cautie aan verdachte is medegedeeld en dat verbalisanten gedurende dit onderhoud mogelijkerwijs woorden in de mond van verdachte hebben gelegd, waardoor niet gezegd kan worden dat verdachte deze verklaring onbevangen en in vrijheid heeft afgelegd. Voorts is door de raadsman aangevoerd dat verdachte in de war was en hierdoor de situatie waarin zij zich bevond niet kon overzien.

De rechtbank verwerpt deze verweren.

Uit het proces-verbaal van verhoor van verdachte d.d. 19 juni 2007 te 11.28 uur blijkt dat aan verdachte is medegedeeld dat zij niet tot antwoorden verplicht was. Nu verdachte niets wenste te verklaren bij een verhoor met audio-opnamen, vond vervolgens omstreeks 11.30 uur in een andere ruimte een onderhoud met verdachte plaats. De rechtbank stelt vast dat dit onderhoud met verdachte direct is gevolgd op het kort daarvoor gestaakte verhoor en dat dit onderhoud met verdachte plaatsvond met de hierboven genoemde verbalisanten. Gelet op het voorgaande behoefde naar het oordeel van de rechtbank aan verdachte niet nogmaals de cautie te worden verleend. De verklaring van verdachte kan derhalve worden gebruikt voor het bewijs. Voor het uitsluiten van deze verklaring op grond van het feit dat verdachte mogelijk in de war was en de situatie waarin zij zich bevond niet geheel kon overzien bestaat naar het oordeel van de rechtbank geen rechtsgrond. Bovendien heeft verdachte ter terechtzitting van 11 december 2007 haar verklaring in grote lijnen bevestigd, zodat de rechtbank naar haar oordeel de verklaring van verdachte voor het bewijs kan gebruiken.

De rechtbank karakteriseert het verweer van de raadsman dat er mogelijk door verbalisanten woorden in de mond van verdachte zijn gelegd niet als een nadrukkelijk onderbouwd standpunt in de zin van artikel 359, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering. De rechtbank zal om deze reden hierop niet responderen.

Bewijsoverwegingen t.a.v. feit 1 primair.

De raadsman heeft op gronden zoals zijn opgenomen in de door hem ter terechtzitting overgelegde pleitnota aangevoerd – kort gezegd – dat verdachte niet opzettelijk en niet met voorbedachten rade heeft gepoogd het slachtoffer van het leven te beroven.

De rechtbank gaat op grond van de in het dossier opgenomen verklaringen afgelegd door verbalisant, tevens aangever [slachtoffer 1], verbalisant [verbalisant 3] en getuige [getuige 1] en het onderzoek ter terechtzitting uit van de navolgende feiten en omstandigheden:

1. verdachte heeft op enig moment, kort nadat haar door [getuige 1] was medegedeeld, dat zij de spreekkamer diende te verlaten, in de keuken een aardappelschilmesje met een groen handvat gepakt en in haar broekzak gestoken;

2. verdachte is vervolgens samen met [getuige 1] wederom de spreekkamer ingelopen en verdachte wilde vervolgens de spreekkamer niet meer verlaten;

3. nadat [getuige 1] de spreekkamer had verlaten heeft verdachte de deur van de spreekkamer gesloten;

4. op het moment dat verbalisant [slachtoffer 1] genoemde deur openduwde en met één voet in de spreekkamer stond, bewoog verdachte zich snel en strak langs de linkermuur van de spreekkamer in de richting van verbalisant [slachtoffer 1] en hield op dat moment haar rechterhand dreigend omhoog en hield in die hand genoemd aardappelschilmesje vast;

5. verdachte maakt vervolgens met haar rechterhand een snelle beweging van boven naar beneden waarop het mes op ongeveer 5 cm van de hals van verbalisant [slachtoffer 1] bewoog; op datzelfde moment stapte [slachtoffer 1] terug dan wel deinsde hij met hoofd en schouder terug;

6. op het moment dat verbalisant [slachtoffer 1] achterwaarts de spreekkamer verliet, kwam verdachte nogmaals in zijn richting gelopen met het mes in haar rechterhand en boven haar hoofd;

7. verdachte heeft zowel bij de politie, bij de rechter-commissaris als ter terechtzitting meermalen verklaard dat zij haar psychiater Dijkhuizen wilde (en nog steeds wil) vermoorden en dat zij de bedoeling had de eerste persoon die de spreekkamer zou betreden met het mes te steken en dat ze om deze reden ook bewust op de binnenkomende persoon had ingestoken met het mes.

Uit het hierboven onder 4 beschrevene leidt de rechtbank af dat verdachte zich in de spreekkamer verdekt heeft opgesteld, teneinde de eerste persoon die de spreekkamer zou betreden met het mes te steken. De rechtbank leidt tevens af uit hetgeen hiervoor onder 6 is beschreven, dat verdachte opnieuw tot een aanval met het mes wilde overgaan. De rechtbank leidt voorts uit het voorgaande af dat door het enkele feit dat verbalisant [slachtoffer 1] direct achteruit is gestapt dan wel achteruit is gedeinsd, is voorkomen dat het mes in zijn hals werd gestoken. Anders dan de raadsman heeft betoogd acht de rechtbank bewezen dat verdachte met een aardappelschilmesje een gerichte steekbeweging heeft gemaakt in de richting van een vitaal lichaamsdeel, te weten de hals van het slachtoffer, hetgeen tot het overlijden van het slachtoffer had kunnen leiden.

Uit al deze feiten en omstandigheden volgt naar het oordeel van de rechtbank dat verdachte bewust en opzettelijk heeft gehandeld en dat haar daad het gevolg is van een te voren genomen besluit en dat verdachte in het tijdsverloop tussen het besluit en de uitvoering tijd had zich te beraden over het besluit, zodat de gelegenheid heeft bestaan dat zij over de betekenis en de gevolgen van haar voorgenomen daad heeft nagedacht en zich daarvan rekenschap heeft gegeven. Dit levert op kalm beraad en rustig overleg. Naar het oordeel van de rechtbank sluit het psychiatrisch ziektebeeld van verdachte mede gelet op genoemde gedragingen van verdachte een periode van kalm beraad en rustig overleg niet uit. Dit wordt naar het oordeel van de rechtbank bevestigd door de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting waarin zij heeft verklaard dat zij haar psychiater Dijkhuizen wilde vermoorden en dat zij zich had voorgenomen om de eerste persoon die de spreekkamer binnenkwam met het mes te steken. Het betoog van de raadsman dat er bij verdachte voortdurend sprake was van enorme hectiek en chaos, dat verdachte hoogst impulsief was en dat deze gegevens derhalve een periode van kalm overleg en rustig beraad uitsluiten, althans niet aannemelijk maken, vindt overigens ook geen steun in de door de beide hierna nog nader te noemen gedragsdeskundigen uitgebrachte rapporten, waaruit onder meer kan worden afgeleid, dat de realiteitstoetsing van verdachte niet geheel was gestoord.

Voorts is het naar het oordeel van de rechtbank irrelevant dat verdachte heeft verklaard dat zij dacht dat haar psychiater Dijkhuizen de spreekkamer binnenstapte, nu naar geldend recht een mogelijke verwisseling van personen niet in de weg staat aan bewezenverklaring van voordachten rade.

De bewezenverklaring.

De rechtbank acht, op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte

1.

op 18 juni 2007 te Eindhoven ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer 1] van het leven te beroven, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, met een mes in de richting van de hals van [slachtoffer 1] heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

op 4 februari 2007 te Eindhoven opzettelijk mishandelend personen, te weten [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3], heeft geslagen en/of getrapt, waardoor deze letsel hebben bekomen en/of pijn hebben ondervonden.

De bewijsmiddelen worden slechts gebezigd met betrekking tot het feit waarop zij in het bijzonder betrekking hebben.

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De kwalificatie.

Het bewezenverklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten.

De strafbaarheid.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van de feiten of van de verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen te hare laste bewezen is verklaard.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op:

Wetboek van Strafrecht art. 10, 24c, 27, 36f, 37a, 37b, 45, 57, 289, 300

DE OVERWEGINGEN DIE TOT DE BESLISSING HEBBEN GELEID

De eis van de officier van justitie.

T.a.v. feit 1 primair en feit 2:

- een gevangenisstraf voor de duur van 9 maanden met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht;

T.a.v. feit 1:

- terbeschikkingstelling met dwangverpleging;

T.a.v. de civiele vordering van [slachtoffer 1]:

- gedeeltelijke toewijzing tot een bedrag van € 500,- voor immateriële schade; niet-ontvankelijk verklaring van de benadeelde partij in het overige deel.

De op te leggen straf en maatregelen.

Bij de beslissing over de straffen die aan verdachte dienen te worden opgelegd heeft de rechtbank gelet op de aard van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

Bij de strafoplegging zal de rechtbank enerzijds in het bijzonder rekening houden met de volgende uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren gekomen omstandigheden ten bezware van verdachte:

- de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten in verhouding tot andere strafbare feiten, zoals tot uitdrukking komt in het wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd;

- het gewelddadig karakter van de door verdachte gepleegde strafbare feiten en de mate van leed dat aan de slachtoffers is aangedaan, te weten een ernstige aantasting van lichamelijke integriteit en persoonlijke levenssfeer. Dat dit niet tot fatale gevolgen heeft geleid bij met name het slachtoffer [slachtoffer 1] is niet aan verdachte te danken geweest.

Bij de strafoplegging zal de rechtbank anderzijds in het bijzonder rekening houden met de volgende uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren gekomen omstandigheid die tot matiging van de straf heeft geleid:

- uit de omtrent de geestvermogens van verdachte uitgebrachte rapporten door drs. B.Y. van Toorn, GZ-psycholoog, en dr. P.J.A. Panhuis, psychiater in samenwerking met drs. C.A.I. Orbán, psychiater in opleiding, van respectievelijk 25 oktober 2007 en 25 november 2007 blijkt, dat de door haar gepleegde strafbare feiten in sterk verminderde mate aan haar kunnen worden toegerekend.

De rechtbank is van oordeel, dat in verband met een juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of geringere straf dan een gevangenisstraf welke vrijheidsbeneming meebrengt voor de duur als hierna te melden.

De rechtbank overweegt voorts het volgende.

In het psychologisch rapport pro justitia opgemaakt en ondertekend door drs. B.Y. van Toorn, GZ-psycholoog, d.d. 25 oktober 2007 is, verkort en zakelijk weergegeven, onder meer het navolgende gesteld:

“Er is bij betrokkene sprake van zowel een ziekelijke stoornis als van een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens in de zin dat er op As-I sprake is van misbruik van middelen in combinatie met een uitgestelde diagnose differentiaal diagnostisch een dissociatieve identiteitsstoornis. Op As-II is er sprake van een zeer ernstige (zogenaamde ‘low level’) borderline persoonlijkheidsstoornis. Dit was ook zo ten tijde van het tenlastegelegde. Deze ziekelijke stoornis en gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens beïnvloedden in ernstige mate betrokkene’s gedragskeuzes en gedragingen ten tijde van het tenlastegelegde, zodanig dat dit mede daaruit verklaard kan worden. Betrokkene raakte zeer gekrenkt door de aanwijzingen van haar behandelaar om het gebouw te verlaten. Zij reageerde met heftige woede en raakte er op onduidelijke wijze van overtuigd dat haar behandelend psychiater zou komen. Alle onderdrukte gevoelens van haat en woede werden geactualiseerd hetgeen leidde tot een agressieve impulsdoorbraak en betrokkene overging tot het plegen van het tenlastegelegde. Bij het advies aangaande de mate van toerekeningsvatbaarheid is het volgende in overweging genomen: het is onduidelijk of er tijdens het plegen van het tenlastegelegde daadwerkelijk sprake is geweest van een psychotisch moment, er was in ieder geval sprake van een ernstige verstoring van de realiteitszin. Daarnaast is meegewogen dat zowel de impulsiviteit, de heftige woede als de paranoïde gedachtegang met betrekking tot de behandelend psychiater alle voortvloeien uit de ernstige stoornis van betrokkene. Een en ander tegen elkaar afwegende is het advies om betrokkene als sterk verminderd toerekeningsvatbaar te beschouwen. De instabiliteit, de paranoïde gedachtegang, het chronische gevoel tekort te komen en het eventueel onderliggende toestandsbeeld zullen in de toekomst omgetwijfeld wederom kunnen leiden tot impulsdoorbraken van heftige woede. Destabiliserende omgevingsinvloeden, zoals deraillering en middelenmisbruik hebben een ontremmend effect op betrokkene en kunnen de hierboven omschreven dynamiek nog verder versterken. Er is bij betrokkene sprake van een zeer ernstige stoornis in combinatie met het onvermogen zich te conformeren aan behandeling. Dit maakt een langdurig klinisch traject noodzakelijk waarbij behandeling zich dient te richten op stabilisatie, het verduidelijken van de diagnostiek (of er sprake is van een dissociatieve identiteitsstoornis of niet) en daarna eventuele behandeling. De combinatie van ernstig gewelddadig gedrag, ernstige stoornis, verhoogde recidivekans en verminderde mate van toerekeningsvatbaarheid in combinatie met het onvermogen zich te conformeren aan behandeling kan bijna niet anders dan leiden tot het advies om betrokkene behandeling op te leggen binnen het juridisch kader van de terbeschikkingstelling met dwangverpleging.”

In het psychiatrisch rapport pro justitia opgemaakt door dr. P.J.A. van Panhuis, justitieel forensisch psychiater, en drs. C.A.I. Orbán, psychiater i.o., d.d. 25 november 2007 is, verkort en zakelijk weergegeven, onder meer het navolgende gesteld:

“Betrokkene heeft een borderline persoonlijkheidsstoornis. Tevens is er mogelijk sprake van een dissociatieve identiteitsstoornis, een ontregelde diabetes en een niet adequaat behandelde epileptiforme stoornis. Betrokkene leed ten tijde van het tenlastegelegde eveneens aan bovengenoemde stoornissen. Het is niet geheel duidelijk of betrokkene ten tijde van het delict in dissociatieve toestand verkeerde, daar ze zich hier tegenstrijdig over uitlaat. Betrokkene ontkent een epileptisch insult te hebben doorgemaakt ten tijde of voorafgaand aan het plegen van het delict. De ziekelijke stoornis en gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens beïnvloedden betrokkene’s gedragskeuzen en gedragingen ten tijde van het tenlastegelegde, zodanig dat dit hieruit kan worden verklaard. Ten tijde van het delict was betrokkene de controle over haar impulsen – wat tevens een kenmerk van deze persoonlijkheidsstoornis is – kwijt, was ze in een zeer emotionele toestand terechtgekomen, waarbij ze echter moedwillig de agent gepoogd heeft neer te steken. Ze was niet psychotisch, dat wil zeggen, haar realiteitstoetsing was niet geheel gestoord: zoals ze verklaard heeft aan de rechter en de politie wist ze wat ze van plan was te doen en zag ze daadwerkelijk, dat het een agent was die ze neer ging steken en niet haar behandelend psychiater. Gezien haar verminderde vermogen in het kader van de ernstige persoonlijkheidsstoornis om haar impulsen te beheersen, adviseren we betrokkene als sterk verminderd toerekeningsvatbaar te beschouwen. De impulsiviteit van betrokkene, de lacunaire gewetensfunctie, de forse stemmingswisselingen, maar vooral ook het stenisch karakter van haar wens om haar behandelend psychiater te doden zijn factoren die ertoe bijdragen dat het recidive-risico als hoog beschouwd moet worden. Deze wordt bevestigd door een hoge score op de HKT-30, een veelvuldig gebruikt instrument om de recidive-kans op het plegen van een delict in te schatten. Tevens kunnen de niet adequaat behandelde epilepsie en diabetes een aggraverende invloed op haar gedragsproblemen hebben. Betrokkene is gezien het gebleken matige resultaat van de langdurige psychiatrische behandeling en haar inconsistente motivatie voor behandeling niet gebaat bij een niet-opgelegde therapie. Een opname binnen een forensisch psychiatrische kliniek op basis van artikel 37 van het Wetboek van Strafrecht, waar onder andere aandacht geschonken kan worden aan haar impulsbeheersing, behoort niet tot de mogelijkheden aangezien betrokkene niet als ontoerekeningsvatbaar voor het haar tenlastegelegde kan worden beschouwd. Een TBS met voorwaarden lijkt gezien betrokkene’s verhoogde impulsiviteit en gebrek aan consistente bereidwilligheid niet haalbaar te zijn. Een behandeling in het kader van een TBS-maatregel [de rechtbank begrijpt: een TBS-maatregel met dwangverpleging] lijkt meer geïndiceerd om de recidive-kans tot aanvaardbare proporties te reduceren: er is een goede kans dat betrokkene met geboden langdurige structuur zal stabiliseren.”

Voorts heeft de rechtbank acht geslagen op de inhoud van de reclasseringsrapportage opgemaakt door rapporteur A. Prins d.d. 18 oktober 2007.

De rechtbank neemt van de rapportages van voornoemde gedragsdeskundigen de conclusies, adviezen en gronden waarop zij berusten over en maakt deze tot de hare.

De rechtbank overweegt dat het hierna onder feit 1 primair te kwalificeren feit een misdrijf betreft waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaar of meer is gesteld terwijl de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen het opleggen van de maatregel van terbeschikkingstelling eist en het een misdrijf betreft dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen.

De raadsman heeft betoogd dat in het onderhavige geval het bepaalde in artikel 37a, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht aan het opleggen van de maatregel van terbeschikkingstelling in de weg staat, nu de rechter bij het opleggen van de maatregel de ernst van het begane feit en de veelvuldigheid van voorafgegane veroordelingen wegens misdrijf in aanmerking dient te nemen.

Artikel 37a, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht luidt als volgt:

“Bij het geven van een last als bedoeld in het eerste lid neemt de rechter de inhoud van de overige adviezen en rapporten die over de persoonlijkheid van de verdachte zijn uitgebracht, alsmede de ernst van het begane feit of de veelvuldigheid van voorafgegane veroordelingen wegens misdrijf in aanmerking.”

Het verweer van de raadsman berust naar het oordeel van de rechtbank op denaturering van de hierboven genoemde bepaling nu daarin ‘of’ in plaats van ‘en’ staat. Het bepaalde in artikel 37a, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht staat naar het oordeel van de rechtbank aan het opleggen van de maatregel van terbeschikkingstelling aan verdachte niet in de weg. De rechtbank werpt derhalve het verweer.

De rechtbank ziet geen aanleiding om een advies in het vonnis op te nemen inhoudende dat de TBS-behandeling al eerder aanvangt dan na tenuitvoerlegging van een derde deel van de gevangenisstraf nu op de datum van het uitspreken van het vonnis reeds meer dan een derde van de op te leggen gevangenisstraf is ondergaan in het kader van voorlopige hechtenis.

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1].

De rechtbank acht toewijsbaar, als rechtstreeks door het bewezen verklaarde feit toegebrachte schade, een bedrag van € 500,-, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum van het vonnis, voor immateriële schade.

De rechtbank zal voor het toegewezen bedrag tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen, nu de rechtbank het wenselijk acht dat de Staat schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert.

De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de post materiële schade (telefoonkosten), aangezien deze niet voldoende is onderbouwd en daarmee niet van zo eenvoudige aard is, dat zij zich leent voor behandeling in het strafgeding. De benadeelde partij kan dit onderdeel van haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil. Verder wordt verdachte veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

Aangezien aldus aan verdachte meer verplichtingen tot vergoeding van dezelfde schade worden opgelegd, zal de rechtbank bepalen dat verdachte van de schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde is bevrijd voor zover zij heeft voldaan aan een van de haar opgelegde verplichtingen tot schadevergoeding.

DE UITSPRAAK

Verklaart het tenlastegelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt haar daarvan vrij.

Het bewezenverklaarde levert op de misdrijven:

T.a.v. feit 1 primair:

poging tot moord

T.a.v. feit 2:

mishandeling, meermalen gepleegd

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

BESLISSING:

T.a.v. feit 1 primair, feit 2:

Gevangenisstraf voor de duur van 9 maanden met aftrek overeenkomstig artikel 27

Wetboek van Strafrecht.

T.a.v. feit 1 primair:

Terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging.

Maatregel van schadevergoeding van EUR 500,00 subsidiair 10 dagen hechtenis.

Legt derhalve aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 1] van een bedrag van EUR 500,- (zegge: vijfhonderd euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum van het vonnis tot de dag der algehele voldoening, voor immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 10 dagen hechtenis. De toepassing van deze vervangende hechtenis heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij:

Wijst de vordering van de benadeelde partij toe en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 1], van een bedrag van EUR 500,- (zegge: vijfhonderd euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum van het vonnis tot de dag der algehele voldoening, voor immateriële schade.

Veroordeelt verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot heden begroot op nihil.

Veroordeelt verdachte verder in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

Bepaalt dat de benadeelde partij in de vordering ter zake de materiële schade (telefoonkosten) niet ontvankelijk is en dat zij dat deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Verdachte is van haar schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde bevrijd voorzover zij heeft voldaan aan een van de haar opgelegde verplichtingen tot vergoeding van deze schade.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. J.M.P. Willemse, voorzitter,

mr. C.H. Dunnewijk en mr. P.H.P.H.M.C. van Kempen, leden,

in tegenwoordigheid van mr. I.J.M. Weemers, griffier,

en is uitgesproken op 24 december 2007,

zijnde mr. P.H.P.H.M.C. van Kempen buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen.

5

Parketnummer: 01/825362-07

[verdachte]