Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2007:BC0417

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
19-12-2007
Datum publicatie
19-12-2007
Zaaknummer
01/841055-07 (niw)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

vrijspraak voor het aanwezig hebben van hennepplanten althans delen daarvan nu een test van de aangetroffen plantenresten uitgevoerd door het NFI ontbreekt en derhalve niet kan worden vastgesteld dat de aangetroffen plantenresten hennepplanten betroffen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK 'S-HERTOGENBOSCH

Sector Strafrecht

Parketnummer: 01/841055-07

Datum uitspraak: 19 december 2007

Vonnis van de rechtbank ’s-Hertogenbosch, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1972,

wonende te [woonplaats] [adres]

Dit vonnis is op tegenspraak, met machtiging, gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 5 december 2007. De rechtbank heeft daarbij gelet op het arrest van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 8 november 2007.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 29 augustus 2007.

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

1.

hij op een of meer tijdstippen gelegen in of omstreeks de periode van 1 maart

2007 tot en met 14 juni 2007 te Nistelrode, gemeente Bernheze, opzettelijk

heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval

opzettelijk aanwezig heeft gehad (in (vier trailers zich bevindende in)

een pand gelegen aan [adres 1]) een hoeveelheid van (in totaal)

ongeveer 2420 hennepplanten, althans een groot aantal hennepplanten en/of

delen daarvan, in elk geval (een) hoeveelheid/hoeveelheden van meer dan 30

gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld

in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het

vijfde lid van artikel 3a van die wet;

(artikel 3 van de Opiumwet) ;

De geldigheid van de dagvaarding.

De dagvaarding voldoet aan alle wettelijke eisen.

De bevoegdheid van de rechtbank.

Krachtens de wettelijke bepalingen is de rechtbank bevoegd van het tenlastegelegde kennis te nemen.

De ontvankelijkheid van de officier van justitie.

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen omstandigheden gebleken, die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan.

Schorsing der vervolging.

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen gronden voor schorsing der vervolging gebleken.

De officier van justitie eist:

- bewezenverklaring van het tenlastegelegde feit;

- een werkstraf voor de duur van 240 uur subsidiair 120 dagen vervangende hechtenis;

- een gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar;

- verbeurdverklaring van de inbeslaggenomen goederen.

De bewijsbeslissing.

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan verdachte is tenlastegelegd, zodat de verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.

De rechtbank is van oordeel dat een test van de aangetroffen plantenresten uitgevoerd door het Nederlands Forensisch Instituut ontbreekt in het dossier en derhalve niet kan worden vastgesteld dat de aangetroffen plantenresten hennepplanten betroffen.

De rechtbank zal de teruggave gelasten van de in het dictum nader te noemen inbeslaggenomen voorwerpen aan verdachte nu naar het oordeel van de rechtbank het belang van strafvordering zich niet meer verzet tegen de teruggave van de inbeslaggenomen goederen.

DE UITSPRAAK

BESLISSING:

Vrijspraak, achtende de rechtbank het tenlastegelegde niet wettig en

overtuigend bewezen.

Teruggave inbeslaggenomen goederen, te weten: vier opleggers met

kentekennummers: [kenteken 1] [kenteken 2] [kenteken 3] en [kenteken 4] aan verdachte.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. I.M. Nusselder, voorzitter,

mr. A.F. van Hoorn en mr. C.B.M. Bruens, leden,

in tegenwoordigheid van mr. M.J. Kruitwagen, griffier,

en is uitgesproken op 19 december 2007.