Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2007:BC0319

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
03-12-2007
Datum publicatie
17-12-2007
Zaaknummer
AWB 06/3196
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Het NWO komt bij het toekennen van subsidies beleidsvrijheid toe, zodat de rechter het bestreden besluit slechts terughoudend kan toetsen. In het onderhavige geval heeft het NWO in redelijkheid de Vici-subsidieaanvraag van eiser afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ’s-HERTOGENBOSCH

Sector bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 06/3196

Uitspraak van de meervoudige kamer van 3 december 2007

inzake

prof. mr. [eiser],

te [woonplaats],

eiser,

gemachtigde mr. J.M.A.M. Gerards,

tegen

het algemeen bestuur van de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO),

te 's-Gravenhage,

verweerder,

gemachtigde mr. L.J.M. van der Valk.

Procesverloop

Bij besluit van 16 december 2005 heeft verweerder eisers subsidieaanvraag op basis van het Vernieuwingsimplusprogramma, ten behoeve van zijn voorstel 'Towards a general part of criminal law for the European Union', afgewezen.

Het hiertegen door eiser gemaakte bezwaar heeft verweerder bij besluit van 11 april 2006 ongegrond verklaard.

Het door eiser tegen laatstgenoemd besluit ingestelde beroep is behandeld ter zitting van 5 november 2007, waar eiser zich heeft doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerder is verschenen bij gemachtigde.

Overwegingen

1. Aan de orde is de vraag of verweerders besluit van 11 april 2006, waarbij het bezwaar van eiser tegen de afwijzing van zijn subsidieaanvraag ongegrond is verklaard, kan worden gehandhaafd.

2. Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Wet op de Nederlandse organisatie voor wetenschappelijk onderzoek (hierna: de Wet op de NWO) is er een organisatie, genaamd Nederlandse organisatie voor wetenschappelijk onderzoek.

3. Ingevolge artikel 3, eerste lid, van die wet heeft de organisatie tot taak het bevorderen van de kwaliteit van wetenschappelijk onderzoek alsmede het initiëren en stimuleren van nieuwe ontwikkelingen in het wetenschappelijk onderzoek.

Ingevolge het tweede lid van dat artikel voert de organisatie haar taak uit in het bijzonder door het toewijzen van middelen.

4. Ingevolge artikel 4 van de Wet op de NWO behoort aan het algemeen bestuur de bevoegdheid tot regeling en bestuur van de organisatie, voor zover die niet bij of krachtens deze wet aan de gebiedsbesturen is opgedragen.

5. Ingevolge artikel 9, eerste lid, van de Wet op de NWO wordt bij reglement vastgesteld voor welke wetenschapsgebieden er gebiedsbesturen zijn.

Ingevolge het tweede lid van dat artikel is een gebiedsbestuur, met inachtneming van door het algemeen bestuur te geven richtlijnen, het instellingsplan, bedoeld in artikel 18, eerste lid, en de door de minister goedgekeurde begroting, belast met het toewijzen van middelen ten behoeve van onderzoeksprojecten en onderzoekprogramma's.

6. Ingevolge artikel 15 van de Wet op de NWO worden het bestuur en de inrichting van de organisatie alsmede de bestuurlijke betrekkingen van de organisatie tot de onderzoekorganisaties voor zover daaraan krachtens deze wet middelen worden toegewezen, nader bij reglement geregeld.

7. Ingevolge artikel 16, eerste lid, van de Wet op de NWO wordt het reglement vastgesteld door het algemeen bestuur.

8. Het reglement, bedoeld in de voormelde artikelen 9, eerste lid, 15 en 16, eerste lid, van de Wet op de NWO, is het gewijzigd 'Reglement NWO 2002' (hierna: het reglement).

9. Ingevolge artikel 2.1, vijfde lid, van het reglement geeft het Algemeen Bestuur, gehoord de betrokken gebiedsbesturen, algemene richtlijnen voor de wijze van beoordeling van subsidieaanvragen.

10. Ingevolge artikel 2.4 van de Regeling subsidieverlening NWO zoals gewijzigd in januari 2004 (hierna: de Regeling), voor zover hier van belang, worden bij een oproep tot het doen van subsidieaanvragen de criteria die een rol spelen bij beoordeling en besluitvorming kenbaar gemaakt.

11. Ingevolge artikel 2.6 van de Regeling worden subsidieaanvragen beoordeeld door tenminste twee onafhankelijke deskundigen die elk een beoordelingsrapport over de inhoudelijke kwaliteit van de subsidieaanvraag opstellen. De aanvrager wordt in de gelegenheid gesteld om op deze rapporten te reageren. Aan de hand van de ingebrachte beoordelingsrapporten en de reactie hierop van de aanvrager brengt een beoordelingsadviesorgaan, gelet op de inhoudelijke kwaliteit van de subsidieaanvraag, advies uit ten aanzien van de prioriteit van de subsidieaanvraag ten opzichte van andere aanvragen.

12. Ingevolge artikel 2.7 van de Regeling vindt de besluitvorming over de subsidieaanvraag plaats in een besluitvormend orgaan aan de hand van het advies van het beoordelingsadviesorgaan en gelet op het beschikbare budget of vastgestelde subsidieplafond en eventuele, tevoren bekendgemaakte beleidsmatige overwegingen.

13. Eiser wenst in aanmerking te komen voor een Vici-subsidie. Blijkens de brochure 'Vernieuwingsimpuls, Subsidieronde 2005, Veni-Vidi-Vici' (hierna: de brochure) is de Vici-subsidie bedoeld voor excellente onderzoekers die hebben aangetoond met succes een eigen vernieuwende onderzoekslijn tot ontwikkeling te kunnen brengen en als coach voor jonge onderzoekers te kunnen fungeren. Voorts dienen zij te behoren tot de beste 10% van hun onderzoekspopulatie. Kandidaten die een Vici-voorstel willen indienen kunnen dit vanaf 8 jaar tot maximaal 15 jaar na hun promotie doen. Ook recent benoemde hoogleraren kunnen een voorstel indienen.

14. In paragraaf 4.3 van de brochure zijn de criteria vermeld op grond waarvan de kandidaten en de voorgestelde vooraanmeldingen/aanvragen met betrekking tot de Vici-subsidie zullen worden beoordeeld.

Nadat de meest kansrijke kandidaten in een vooraanmeldingsprocedure zijn geselecteerd, doorlopen deze een met name op artikel 2.6 van de Regeling gebaseerde vervolgprocedure bestaande uit twee fasen: een schriftelijke fase waarin de aanvraag door onafhankelijke externe derden (de zogeheten 'referenten') wordt beoordeeld en de aanvrager de gelegenheid krijgt om op het referentenoordeel te reageren en een mondelinge fase waarin de aanvrager een presentatie geeft en aan hem vragen worden gesteld, het zogenaamde interview. Aan de hand van de aldus verzamelde informatie bepaalt de Vici-commissie een eindoordeel. Het eindoordeel houdt in dat ten aanzien van elke aanvrager een eindscore wordt toegekend. Indien die eindscore op een scorebereik van 1 – 10, met 1 als hoogst mogelijke score, beneden de 3.5 ligt, is de aanvraag in principe subsidiabel. De eindscores leiden tot een voorlopige prioriteringslijst, op basis waarvan, na discussie in de commissie, de definitieve prioriteringslijst wordt vastgesteld. Het Gebiedsbestuur Maatschappij- en Gedragswetenschappen (MaGW), waar het onderzoeksvoorstel van eiser onder valt, zendt de lijst vervolgens naar het Algemeen Bestuur, dat de prioriteringslijsten van de onderscheiden wetenschapsgebieden ineen schuift en als eindverantwoordelijke een besluit over toe- of afwijzing neemt.

15. Het onderzoeksvoorstel van eiser kreeg, met een eindscore van 3.0, een gedeelde 6e/7e plaats op de prioriteringslijst. De commissie kwam tot dit oordeel in verband met bij haar bestaande twijfel over de te hanteren methodologie, met name omtrent de wijze van informatieverzameling, en de uitvoerbaarheid/haalbaarheid van het voorstel. Het met eiser op 8 november 2005 plaatsgevonden interview heeft bij de commissie die twijfel niet weg kunnen nemen. In het primaire besluit van 16 december 2005 heeft verweerder dit uiteindelijk als volgt verwoord: "De vraagstelling is origineel en relevant. Er is echter door het complexe en veelomvattende karakter van het onderzoek enig twijfel of de verwachte resultaten zullen worden behaald. Met name taalproblemen en culturele/institutionele verschillen kunnen de haalbaarheid negatief beïnvloeden, zoals ook opgemerkt door enkele referenten."

16. Eiser heeft zich - kort en zakelijk weergegeven - op het standpunt gesteld dat sprake is van benadeling van zijn voorstel in de Vici-procedure omdat zijn rechtswetenschappelijk onderzoek niet op de juiste wetenschappelijke waarde is geschat, het onderzoek niet conform objectieve maatstaven is beoordeeld en de selectiecommissie, in afwijking van de referentenoordelen, op basis van subjectieve inzichten en derhalve niet-kenbare criteria heeft getoetst. Gevolg hiervan is dat het bestreden besluit een motivering ontbeert, dan wel is gebaseerd op een gebrekkige motivering. De opvattingen van de selectiecommissie lijken immers te zijn ingegeven door onbegrip en onkunde met de stand van zaken in de methodologie van het rechtswetenschappelijk onderzoek op het gebied waarop het onderzoek van eiser betrekking heeft.

17. De rechtbank stelt voorop dat verweerder bij het toekennen van subsidies beleidsvrijheid toekomt, zodat de rechter het besluit van 11 april 2006 slechts terughoudend kan toetsen. Slechts indien geoordeeld moet worden dat verweerder niet in redelijkheid tot voormeld besluit heeft kunnen komen dan wel dat het besluit is genomen in strijd met enig ander rechtsbeginsel, is plaats voor vernietiging van het besluit.

18. Ter zitting is namens eiser betoogd dat de grote discrepantie tussen de beoordeling van de referenten en de beoordeling van de Vici-commissie het meest in het oog springende punt is. Door de referenten is eisers voorstel beoordeeld met de kwalificaties "Excellent, Excellent, Excellent en Good", terwijl de Vici-commissie het onderzoeksvoorstel van eiser uiteindelijk heeft beoordeeld met een 3,0. Het eindoordeel 3,0 van eiser staat, aldus eiser, in geen enkele verhouding tot het eindoordeel 1,7 van de hoogste genomineerde kandidaat die de referentenoordelen "Very Good, Excellent, Very Good, Excellent, Excellent, Very Good" heeft gekregen.

19. Deze grief van eiser slaagt niet. Het staat de selectiecommissie vrij gemotiveerd af te wijken van het oordeel van de referenten. De Vici-commissie krijgt immers alle ingediende voorstellen onder ogen en dient zich op basis daarvan, alsook van de adviezen van de referenten over al die voorstellen en van de gehouden interviews met alle kandidaten, een eigen oordeel te vormen ten aanzien van de kwaliteit daarvan en de daaruit voortvloeiende in het advies neer te leggen prioriteit van de verschillende subsidieaanvragen ten opzichte van elkaar. Referenten brengen slechts ten aanzien van één voorstel advies uit en zijn niet op de hoogte van de overige ingediende voorstellen. De rechtbank verwijst in dit verband naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 15 maart 2006, zie www. rechtspraak.nl, LJN: AV5088.

20. Voorts volgt de rechtbank eiser niet in zijn betoog dat de Vici-commissie het onderzoeksvoorstel van eiser op basis van subjectieve inzichten en derhalve niet-kenbare criteria heeft afgewezen. De door de Vici-commissie in eisers geval genoemde afwijzingsgronden, te weten de haalbaarheid van het voorstel en de overtuigingskracht van de onderzoeker, zijn immers als criteria vermeld in de brochure.

21. Verder heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat zijn rechtswetenschappelijk onderzoek niet op de juiste wetenschappelijke waarde is geschat. De rechtbank acht in dit kader van belang op te merken dat in de Vici-commissie niet slechts één jurist zitting had, zoals eiser heeft gesteld, maar een drietal juristen en dat het Gebiedsbestuur MaGW het advies van de Vici-commissie integraal heeft overgenomen. Van een systematische achterstelling van de rechtwetenschap in het algemeen is de rechtbank niet gebleken.

22. Ook hetgeen eiser overigens heeft aangevoerd leidt niet tot het oordeel dat de gevolgde procedure onredelijk zou zijn en/of de afwijzing van de subsidieaanvraag van eiser in strijd is met enig rechtsbeginsel. Het beroep dient derhalve ongegrond te worden verklaard.

23. Voor een proceskostenveroordeling acht de rechtbank geen termen aanwezig.

24. Beslist wordt als volgt.

Beslissing

De rechtbank,

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gedaan door mr. E.M. de Stigter als voorzitter en mr. A.A.H. Schifferstein en mr. A.H.N. Kruijer als leden en uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van mr. drs. J.J.M. Goosen als griffier op 3 december 2007.

Partijen kunnen tegen deze uitspraak binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag.

Afschriften verzonden: