Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2007:BC0047

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
10-12-2007
Datum publicatie
13-12-2007
Zaaknummer
AWB 07/3882
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Huisbezoek met toestemming van betrokkene, echter zonder dat verweerder kan aantonen dat zij er op is gewezen dat het niet geven van toestemming geen consequenties voor de WWB-uitkering heeft. Dit laatste is echter niet vereist, nu er een redelijke grond was voor het huisbezoek. Derhalve is de eis van "informed consent" niet geschonden. Geen inbreuk op het huisrecht ex art. 8 EVRM. Geen sprake van onrechtmatig verkregen bewijs.

Verweerder heeft bij verzoekster geen in rechte te honoreren verwachtingen gewekt op grond waarvan het verweerder thans niet meer vrij zou staan om te onderzoeken of verzoekster terecht een bijstandsuitkering naar de norm voor een alleenstaande ontving en om vervolgens dienovereenkomstig te besluiten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ’s-HERTOGENBOSCH

Sector bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 07/3882

Uitspraak van de voorzieningenrechter van 10 december 2007.

inzake

[verzoekster]

te [woonplaats],

verzoekster,

gemachtigde mr. M.F.A.M. Collart,

tegen

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Geldrop-Mierlo,

verweerder,

gemachtigde mr. J.H.P.G Teuwissen.

Procesverloop

Bij besluit van 5 november 2007 heeft verweerder verzoeksters recht op uitkering ingevolge de WWB ingetrokken per 17 maart 2000. Tevens wordt de bijstandsuitkering van verzoekster per 1 oktober 2007 beëindigd (lees: ingetrokken).

Tegen dit besluit heeft verzoekster bij verweerder een bezwaarschrift ingediend.

Bij brief van 21 november 2007 heeft verzoekster tevens de voorzieningenrechter van de rechtbank verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Het verzoek is behandeld ter zitting van 6 december 2007 waar verzoekster is verschenen in persoon, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich ter zitting doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 8:81 van de Awb kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

2. Tot het treffen van een voorlopige voorziening zal in het algemeen slechts aanleiding bestaan, indien het in de bodemprocedure bestreden besluit naar voorlopig oordeel onrechtmatig is te achten en om die reden zal worden vernietigd, terwijl tevens voldoende spoedeisend belang aanwezig is.

3. Bij twijfel omtrent de rechtmatigheid van het in geding zijnde besluit zal dienen te worden bezien of na afweging van de betrokken belangen grond bestaat voor het treffen van een voorziening. Daarbij dient het belang van de indiener van het verzoek om een voorlopige voorziening te worden afgewogen tegen het door de onmiddellijke uitvoering van het besluit te dienen belang.

4. De voorzieningenrechter stelt vast dat het primaire besluit van 5 november 2007 enerzijds strekt tot intrekking van verzoeksters bijstandsuitkering met terugwerkende kracht per 17 maart 2000, en anderzijds tot beëindiging (lees: intrekking) van verzoeksters uitkering ingevolge de WWB per 1 oktober 2007. Dit besluit brengt dan ook met zich dat verzoekster vanaf 17 maart 2000 geen recht meer heeft op een bijstandsuitkering. De laatste dag waarop verzoekster feitelijk uitkering ontvangt is 30 september 2007. De voorzieningenrechter begrijpt het verzoek om een voorlopige voorziening aldus, dat verzoekster stelt dat zij thans een spoedeisend belang heeft bij een voorlopige voorziening, aangezien zij thans in financiële problemen dreigt te geraken, omdat zij vanaf de maand oktober 2007 geen uitkering meer krijgt.

5. Bij het in bezwaar voorliggende primaire besluit heeft verweerder verzoeksters bijstandsuitkering ingetrokken op grond van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a van de WWB, aangezien verzoekster naar de mening van verweerder de op grond van artikel 65, eerste lid van de Abw en artikel 17, eerste lid van de WWB op haar rustende inlichtingenplicht heeft geschonden. Uit onderzoek is gebleken dat verzoekster vanaf 17 maart 2000 een gezamenlijke huishouding heeft gevoerd met [kostganger] (hierna: [kostganger]) op het adres [adres] te [woonplaats].

6. Verzoekster stelt zich daarentegen, kort samengevat, op het standpunt dat er geen sprake is van een gezamenlijke huishouding met [kostganger]. Nu verzoekster al bijna 20 jaar [kostganger] als kostganger in haar woning had met medeweten van verweerder, mocht zij er op vertrouwen dat haar woonsituatie niet ineens alsnog als een gezamenlijke huishouding zou worden bestempeld. Verweerder heeft gehandeld in strijd met het vertrouwensbeginsel.

Verzoekster heeft voorts, onder verwijzing naar de namens haar genoemde jurisprudentie, aangevoerd dat met het bij haar afgelegde huisbezoek door verweerder is gehandeld in strijd met artikel 8, tweede lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Er was voorafgaand aan dit huisbezoek geen aanleiding om redelijkerwijs te twijfelen aan de juistheid of de volledigheid van de door verzoekster verstrekte gegevens. Weliswaar heeft verzoekster toestemming verleend om haar woning binnen te treden, maar zij is daarbij niet gewezen op het feit dat het niet geven van deze toestemming zonder (directe) consequenties zou blijven voor het verlenen van haar uitkering, zodat er geen sprake was van “ informed consent”. Er is sprake geweest van een ongerechtvaardigde inbreuk op het huisrecht van verzoekster met als gevolg dat de daaruit verkregen informatie reeds om die reden als onrechtmatig verkregen bewijs buiten beschouwing dient te worden gelaten.

7. De voorzieningenrechter overweegt als volgt.

8. Artikel 8 van het EVRM luidt als volgt:

“1. Een ieder heeft recht op respect voor zijn privé-leven, zijn familie- en gezinsleven, zijn woning en zijn correspondentie.

2. Geen inmenging van enig openbaar gezag is toegestaan in de uitoefening van dit recht, dan voor zover bij de wet is voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk is in het belang van de nationale vrijheid, de openbare veiligheid of het economisch welzijn van het land, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen.”

9. Artikel 3, derde lid, van de WWB (voorheen artikel 3, derde lid, van de Abw) bepaalt dat van een gezamenlijke huishouding sprake is, indien twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins.

10. Onder verwijzing naar vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep (CRvB), zoals deze onder meer blijkt uit de uitspraak van 12 mei 1998, gepubliceerd in RSV 1998/224, wordt de vraag of van een gezamenlijke huishouding sprake is, beantwoord aan de hand van objectieve criteria. De aard van de tussen de betrokken personen bestaande relatie en hun subjectieve gevoelens over die relatie dienen bij de beoordeling dan ook buiten beschouwing te blijven. Ook het motief voor het duurzaam voeren van een gezamenlijke huishouding is niet van belang (zie CRvB 18 augustus 1998, RSV 1998/290).

11. Van een gezamenlijke huishouding is sprake, indien de gerechtigde zijn hoofdverblijf in heeft dezelfde woning als een ander persoon (het zgn. huisvestingscriterium) én de betrokken personen blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins (het zgn. zorgcriterium).

12. De rechtbank stelt vast dat tussen partijen niet in geding is dat verzoekster en [kostganger] sinds in ieder geval 17 maart 2000 gezamenlijk hebben voorzien in huisvesting respectievelijk hun hoofdverblijf hebben gehad in dezelfde woning, zodat als vaststaand kan worden aangenomen dat aan het huisvestingscriterium is voldaan.

13. Ten aanzien van het zorgcriterium volgt uit vaste jurisprudentie van de CRvB dat wederzijdse verzorging kan blijken uit een bepaalde mate van financiële verstrengeling die evenwel verder dient te gaan dan het uitsluitend delen van woonlasten en de hiermee samenhangende vaste lasten. Indien van een zodanige financiële verstrengeling niet of slechts in zeer geringe mate sprake is, kunnen ook andere feiten en omstandigheden voldoende zijn om aan te nemen dat de betrokkenen in elkaars verzorging voorzien

(CRvB 14 juli 1998, RSV 1998/277).

14. Een afweging van alle ten aanzien van verzoekster gebleken feiten en omstandigheden, die niet van subjectieve aard zijn, zal bepalend zijn voor het antwoord op de vraag of aan het verzorgingscriterium in een concreet geval is voldaan.

15. Verweerder heeft zijn standpunt, inhoudende dat verzoekster een gezamenlijke huishouding voert met [kostganger], gebaseerd op de onderzoeksresultaten zoals die zijn neergelegd in het rapport van Team Handhaving Sociale Zekerheid Regio Helmond van 26 november 2007. Dit onderzoek heeft allereerst bestaan uit dossieronderzoek. In dat kader is gebleken dat verzoekster vanaf 24 januari 1988 een bijstandsuitkering van verweerders gemeente ontving volgens de norm voor een alleenstaande. Verzoekster en [kostganger] waren vanaf 3 juli 1990 tot 30 oktober 1990 beiden woonachtig op het adres [oud adres] te [woonplaats]. Vanaf laatstgenoemde datum 1990 wonen zij beiden op het adres [huidig adres] te [woonplaats]. Verzoekster heeft vanaf 1995 op de heronderzoekformulieren verklaard dat [kostganger] woonachtig was als kostganger op het adres [huidig adres] te [woonplaats], waarbij hij maandelijks een bedrag van fl. 400,--, respectievelijk € 180,-- betaalde voor deze inwoning. Dit bedrag is jaren lang niet verhoogd/geïndexeerd. Er is geen kostgangerovereenkomst opgemaakt waarin de wederzijdse rechten en plichten, zoals bijvoorbeeld de woon- en leefsituatie, nauwkeurig geregeld en afgebakend zijn. Nimmer is door verzoekster aangegeven dat men een gezamenlijke huishouding voerde. In het medisch rapport van Argonaut is de volgende sociale Anamnese gemaakt: “belanghebbende is een alleenstaande. Zij heeft een kostganger in huis. Hij heeft alleen een kamer bij haar, verder niets. Voorts heeft verzoekster in een voortgangsgesprek op 1 maart 2007 verklaard dat er geen sprake was van een liefdesrelatie tussen haar en [kostganger]. [kostganger] zou zijn eigen kamer bewonen en voorzien in zijn eigen levensonderhoud door middel van betaalde arbeid.

16. Vervolgens is op 25 september 2007 om 7.30 uur door de rapporteurs een onaangekondigd huisbezoek afgelegd aan de woning van verzoekster. Verzoekster gaf aan het dat zij het bezoek niet op prijs stelde; niets te verbergen had, doch dat zij er geen moeite mee had dat haar woning werd betreden. De door verzoekster verleende toestemming werd schriftelijk vastgelegd met behulp van het formulier “Toestemming huisbezoek”. In het kader van dat huisbezoek is gebleken dat [kostganger] een rechtsbijstand- en een aansprakelijkheidsverzekering had voor gehuwden/samenwonenden. Verzoekster heeft verklaard dat zij en [kostganger] de was gezamenlijk deden. De slaapkamer aan de achterkant van de woning was van [kostganger]. In deze slaapkamer stonden een tweepersoonsbed, dat beslapen leek, alsmede een kledingkast. In deze kast bevond zich linnengoed van verzoekster en herenkleding. Verder zijn in deze slaapkamer spullen van zowel verzoekster, als van [kostganger] aangetroffen. Naast deze slaapkamer van [kostganger] bevond zich de slaapkamer van verzoekster. In deze kamer van verzoekster stond een tweepersoonsbed, dat beslapen leek.

17. Uit verificatie bij RVS verzekeringen is vervolgens gebleken dat verzoekster en [kostganger] een gezamenlijke inboedel- en aansprakelijkheidsverzekering hebben gehad, die inmiddels zijn opgenomen in een pakketverzekering met inboedel-, aansprakelijkheids- en rechtsbijstandsverzekering, met zowel verzoekster als [kostganger] als verzekeringnemer.

Tevens heeft [kostganger] in het verleden een uitvaartverzekering gehad waarbij verzoekster als begunstigde was aangewezen.

18. De voorzieningenrechter stelt vast dat verweerders standpunt, inhoudende dat er sprake is van een gezamenlijke huishouding doordat niet alleen aan het huisvestingscriterium maar ook aan het verzorgingscriterium is voldaan, in niet onbelangrijke mate steunt op de resultaten van het huisonderzoek. De voorzieningenrechter komt thans toe aan de beantwoording van de vraag of er in casu sprake is geweest van een gerechtvaardigde inbreuk op het huisrecht van verzoekster.

19. Allereerst overweegt de voorzieningenrechter in dit kader dat uit de op dit punt bestaande jurisprudentie van het Europees Hof voor de rechten van de Mens blijkt dat er eerst sprake is van inbreuk op het huisrecht wanneer wordt binnengetreden tegen de wil van degene die zich op dit recht beroept. Van een dergelijke inbreuk is geen sprake, indien is binnengetreden met daarvoor door de rechthebbende vrijwillig en op basis van “informed consent” verleende toestemming. Dit houdt in dat de toestemming van de rechthebbende moet zijn gebaseerd op volledige en juiste informatie over reden en doel van het huisbezoek. Indien voorafgaand aan het huisbezoek geen aanleiding bestond om redelijkerwijs te twijfelen aan de juistheid of de volledigheid van de door betrokkene voor het recht op bijstand verstrekte gegevens, moet duidelijk zijn gemaakt dat het niet geven van toestemming zonder (directe) consequenties zal blijven voor de verlening van de bijstand. Bestaat er daarentegen voorafgaand aan het huisbezoek wel aanleiding voor redelijke twijfel in deze zin en wordt om die reden tot het afleggen van een huisbezoek besloten dan is verweerder bij het vragen om medewerking aan dat huisbezoek niet gehouden betrokkene mee te delen dat het weigeren van de toestemming tot het binnentreden van de woning zonder (directe) gevolgen voor de uitkering zal blijven. De bewijslast ten aanzien van het “informed consent”ligt bij verweerder. De voorzieningenrechter sluit hiermee aan bij de uitspraak van de CRvB van 11 april 2007, LJN; BA2410.

20. Met betrekking tot de aanleiding voor een huisbezoek overweegt de voorzieningenrechter dat daartoe volgens vaste jurisprudentie van de CRvB een redelijke grond dient te bestaan. Van een dergelijke grond is in gevallen als deze sprake indien op basis van concrete objectieve feiten en omstandigheden redelijkerwijs kan worden getwijfeld aan de juistheid of de volledigheid van de door de betrokkene omtrent zijn woon- en leefsituatie verstrekte inlichtingen, voor zover deze gegevens onmiskenbaar van belang zijn voor het vaststellen van (de omvang van) het recht op bijstand en deze gegevens niet op een voor betrokkene minder belastende wijze kunnen worden geverifieerd.

21. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter waren er in casu voorafgaand aan het huisbezoek objectieve feiten en omstandigheden bekend op grond waarvan redelijkerwijs kon worden getwijfeld aan de juistheid of de volledigheid van de door verzoekster voor het vaststellen van het recht op bijstand verstrekte gegevens. Daarbij neemt de voorzieningenrechter in aanmerking dat verzoekster en [kostganger] reeds vele jaren een woning delen, waarbij desondanks nimmer een kostgangerovereenkomst is opgemaakt en bovendien de door [kostganger] te betalen financiële vergoeding niet steeds tussentijds is verhoogd. Onder deze omstandigheden heeft verweerder terecht besloten tot een huisbezoek in de woning van verzoekster. De voorzieningenrechter volgt verzoekster niet voor zover zij beoogt te stellen dat verweerder daartoe niet langer bevoegd was, nu deze omstandigheden reeds geruime tijd bij verweerder bekend waren zonder dat verweerder daaraan in een eerder stadium consequenties heeft verbonden. Daarbij neemt de voorzieningenrechter in aanmerking dat namens verweerder ter zitting is gesteld dat weliswaar reeds langere tijd bij verweerder bekend was dat verzoekster een kostganger in huis zou hebben, doch dat dergelijke kostgangerrelaties door verweerder eerst onlangs nader zijn bezien in het kader van het Project Hoogwaardige Handhaving. In dat kader heeft verweerder ten aanzien van verzoekster op basis van de hiervoor bedoelde objectieve feiten en omstandigheden aanleiding gezien voor nader onderzoek, onder meer in de vorm van een huisbezoek. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is niet gebleken dat er bij verzoekster in het verleden in rechte te honoreren verwachtingen zijn gewekt op grond waarvan het verweerder thans niet meer vrij zou staan om te onderzoeken of verzoekster terecht een bijstandsuitkering naar de norm voor een alleenstaande ontving en om vervolgens dienovereenkomstig te besluiten.

22. Verzoekster erkent dat zij desgevraagd toestemming heeft verleend voor het binnentreden in haar woning, doch zij bestrijdt dat er sprake is geweest van “informed consent”, omdat aan haar niet is medegedeeld dat het niet geven van toestemming zonder (directe) consequenties zou blijven voor de verlening van haar bijstandsuitkering. De voorzieningenrechter stelt vast dat zich bij de gedingstukken een door verzoekster ondertekende schriftelijke verklaring “Toestemming huisbezoek” d.d. 25 september 2007 bevindt. Aangezien deze verklaring niet geheel is ingevuld, blijkt daaruit niet dat de hiervoor bedoelde mededeling aan verzoekster is gedaan. Omdat de bewijslast dienaangaande bij verweerder ligt, moet het er voor worden gehouden dat deze mededeling niet is gedaan. Nu verweerder blijkens het vorenoverwogene in redelijkheid kon besluiten tot het afleggen van een huisbezoek op grond van twijfel aan de juistheid c.q. volledigheid van de door verzoekster verstrekte gegevens, was verweerder in het onderhavige geval echter niet gehouden om aan verzoekster mede te delen dat het weigeren van de toestemming zonder directe gevolgen voor haar uitkering zou blijven. Derhalve kan niet worden gesteld dat de eis van “informed consent” is geschonden, doordat verzoekster er niet op is gewezen dat het niet meewerken aan het huisbezoek geen consequenties voor haar bijstandsuitkering zou hebben.

23. Het vorenstaande brengt met zich dat er, anders dan verzoekster meent, geen sprake is geweest van schending van artikel 8 van het EVRM door een niet gerechtvaardigde inbreuk op haar huisrecht. Derhalve is er geen aanleiding om de tijdens het huisbezoek aan het licht gekomen gegevens als onrechtmatig verkregen bewijs buiten beschouwing te laten.

24. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft verweerder zich aan de hand van het samenstel van feiten en omstandigheden, zoals dit blijkt uit het onderzoek met inbegrip van het huisbezoek, terecht op het standpunt gesteld dat niet slechts aan het huisvestingscriterium maar ook aan het verzorgingscriterium is voldaan. In dat kader noemt de voorzieningenrechter allereerst dat is gebleken dat er door verzoekster en [kostganger] gezamenlijk verzekeringen zijn afgesloten. Bovendien had [kostganger] een – inmiddels beëindigde- uitvaartverzekering waarbij verzoekster als begunstigde was vermeld. Voorts is gebleken dat verzoekster en [kostganger] gezamenlijk de was doen. Verweerder is dan ook terecht van mening dat er tussen verzoekster en [kostganger] sprake is van een gezamenlijke huishouding.

25. Verzoekster heeft de op haar rustende inlichtingenplicht geschonden door daarvan aan verweerder geen mededeling te doen, ten gevolge waarvan verzoekster ten onrechte bijstand heeft ontvangen naar de norm voor een alleenstaande.

26. Het vorenoverwogene leidt tot de conclusie dat verweerder op goede gronden is overgegaan tot intrekking van de bijstandsuitkering van verzoekster op grond van artikel 54a, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB.

27. Aangezien het primaire besluit naar verwachting in bezwaar stand zal kunnen houden, ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding voor inwilliging van het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van de Awb. Het verzoek wordt dan ook afgewezen.

28. Evenmin is er aanleiding voor een proceskostenveroordeling of voor vergoeding van het griffierecht.

29. Beslist wordt als volgt.

Beslissing

De voorzieningenrechter,

- wijst het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening af.

Aldus gedaan door mr. E.H.B.M. Potters als rechter in tegenwoordigheid van J.H. van Wordragen-van Kampen en uitgesproken in het openbaar op 10 december 2007.