Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2007:BB9726

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
06-12-2007
Datum publicatie
10-12-2007
Zaaknummer
01/839232/07
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Gevangenisstraf voor de duur van 6 jaar met aftrek van voorarrest voor poging tot moord, meermalen gepleegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

verkort vonnis

RECHTBANK 'S-HERTOGENBOSCH

Sector Strafrecht

Parketnummer dagvaarding: 01/839232/07

Parketnummer vordering: 0/820598/06

Datum uitspraak: 07 december 2007

Verkort vonnis van de rechtbank ’s-Hertogenbosch, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte]

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1982,

wonende te [woonplaats] [adres]

thans gedetineerd in het Huis van Bewaring te Roermond.

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 24 september 2007 en 23 november 2007.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 23 augustus 2007.

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

hij op of omstreeks 11 juni 2007 te Eindhoven ter uitvoering van het door

verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] van het leven te beroven, met dat opzet en na

kalm beraad en rustig overleg, met een vuurwapen meermalen, althans eenmaal

heeft geschoten op, althans in de richting van voornoemde [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 2]

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

(artikel 289 juncto 45 van het Wetboek van Strafrecht).

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

De vordering na voorwaardelijke veroordeling.

De zaak met parketnummer 01/820598/06 is aangebracht bij vordering van 17 april 2007. Deze vordering heeft betrekking op het vonnis van de politierechter te 's-Hertogenbosch d.d. 27 juli 2006. Een kopie van de vordering is aan dit vonnis gehecht.

De geldigheid van de dagvaarding.

De dagvaarding voldoet aan alle wettelijke eisen.

De bevoegdheid van de rechtbank.

Krachtens de wettelijke bepalingen is de rechtbank bevoegd van het tenlastegelegde kennis te nemen.

De ontvankelijkheid van de officier van justitie.

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen omstandigheden gebleken, die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan.

Schorsing der vervolging.

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen gronden voor schorsing der vervolging gebleken.

De bewezenverklaring.

De rechtbank acht, op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte:

op 11 juni 2007 te Eindhoven ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] van het leven te beroven, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, met een vuurwapen meermalen

heeft geschoten op, althans in de richting van voornoemde [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2],

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

De rechtbank acht poging tot moord, meermalen gepleegd, wettig en overtuigend bewezen en overweegt daaromtrent het volgende.

Aangever [slachtoffer 1] verklaart bij de politie op 11 juni 2007 (p. 27 e.v., zakelijk weergegeven):

Op 11 juni 2007 reed ik omstreeks 15.15 uur samen met [slachtoffer 2] in Eindhoven.

Op enig moment zag ik [verdachte] om de hoek komen. Hij reed toen in een Mercedes SL 500 cabriolet, met het dak open. Hij zat alleen in de auto. Ik ken [verdachte] heel goed en herkende hem meteen. Ik zag dat [verdachte] zijn auto keerde en ons achterna reed. Vervolgens kwam hij naast ons rijden. Hij keek toen erg kwaad. Hij is ons voorbij gereden. Toen hij ons inhaalde, gooide hij direct zijn auto voor die van mij. Ik zag toen dat hij een vuurwapen in zijn rechterhand had. Hij begon toen direct te schieten. Ik zag dat hij, zittend op de bestuurdersstoel, begon te schieten. Hij heeft toen volgens mij vijf tot zes keer geschoten.

Getuige [slachtoffer 2] verklaart bij de politie op 11 juni 2007 (p. 33 e.v., zakelijk weergegeven):

Op 11 juni 2007 omstreeks 15.10 uur reed ik als passagier mee in de auto, bestuurd door [slachtoffer 1] Ik zag dat ons een Mercedes SL 500 tegemoet kwam rijden en zag dat de mij bekende [verdachte] in die auto reed. Hij zat alleen in de auto. Ik zag op een gegeven moment dat deze auto waarin [verdachte] reed achter ons reed. We werden ingehaald door deze grijze Mercedes met [verdachte] aan het stuur. Vervolgens zag ik dat [verdachte] met zijn auto schuin voor ons ging rijden en ons tot stoppen dwong. Op dat moment reed [verdachte] stapvoets door, schuin voor ons. Ik zag toen dat [verdachte] een zwart pistool in zij hand had en hiermee op onze auto richtte. Ik zag en hoorde toen dat hij met zijn pistool op onze auto schoot. Ik dook omlaag en hoorde vervolgens nog vier of vijf schoten. Ik zag en hoorde dat de kogels onze auto raakten. Eén van de kogels ging door de voorruit en sloeg in in de hoofdsteun van de stoel waar ik zojuist had gezeten.

Uit genoemde feiten en omstandigheden leidt de rechtbank af dat verdachte, toen hij de auto waarin aangever [slachtoffer 1] en getuige [slachtoffer 2] zaten tegenkwam, zijn voertuig heeft gekeerd en vervolgens met geopende ramen en geopende kap de aangevers opzettelijk is voorbijgereden, de auto waarin aangever [slachtoffer 1] en getuige [slachtoffer 2] zaten klem heeft gereden en vervolgens meermalen (in elk geval vijf of zes maal) gericht op (de auto van) [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] heeft geschoten met een vuurwapen (pistool).

Naar het oordeel van de rechtbank kunnen deze gedragingen van verdachte, gelet op hun uiterlijke verschijningsvorm, niet anders worden geïnterpreteerd dan dat verdachte met opzet en na kalm beraad en rustig overleg heeft gepoogd genoemde [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] van het leven te beroven.

De rechtbank acht daarom poging tot moord, meermalen gepleegd wettig en overtuigend bewezen.

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De kwalificatie.

Het bewezenverklaarde levert op het in de uitspraak vermelde strafbare feit.

De strafbaarheid.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van het feit of van de verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen te zijnen laste bewezen is verklaard.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen:

Wetboek van Strafrecht art. 10, 14g, 14h, 14i, 14j, 24c, 27, 36f, 45, 57, 289.

DE OVERWEGINGEN DIE TOT DE BESLISSING HEBBEN GELEID

De eis van de officier van justitie.

De officier van justitie vordert terzake poging tot doodslag, tweemaal gepleegd, een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaar met aftrek van voorarrest, en voorts de gehele tenuitvoerlegging van de bij vonnis van 27 juli 2006 voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf van twee weken.

Voorts vordert hij toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] tot een bedrag van € 1000,-- terzake immateriële schade, met toepassing van de maatregel tot schadevergoeding en vordert hij de benadeelde partij voor het overige niet ontvankelijk

te verklaren in de vordering.

De op te leggen straf en maatregel.

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd heeft de rechtbank gelet op:

a. de aard van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan,

b. de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

Bij de strafoplegging zal de rechtbank in het bijzonder rekening houden met de volgende uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren gekomen omstandigheden ten bezware van verdachte:

- de ernst van het door verdachte gepleegde strafbare feit in verhouding tot andere strafbare feiten, zoals tot uitdrukking komt in het wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd;

- verdachte werd terzake van strafbare feiten soortgelijk aan het door hem gepleegde feit blijkens een hem betreffend uittreksel uit het algemeen documentatieregister reeds eerder veroordeeld;

- verdachte heeft het onderhavige strafbare feit gepleegd tijdens de proeftijd van een eerdere veroordeling;

- het zeer gewelddadig karakter van het door verdachte gepleegde strafbare feit, waarbij verdachte van betrekkelijk korte afstand meermalen doelgericht op de slachtoffers heeft geschoten en hij zich om het lot van de slachtoffers kennelijk volstrekt niet heeft bekommerd.

De rechtbank is van oordeel, dat in verband met een juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of geringere straf dan een gevangenisstraf welke vrijheidsbeneming meebrengt voor de duur als hierna te melden.

De rechtbank zal een zwaardere straf opleggen dan de door de officier van justitie gevorderde straf, nu de rechtbank tot een andere bewezenverklaring komt dan de officier van justitie en van oordeel is dat de gevorderde straf de ernst van het bewezen verklaarde onvoldoende tot uitdrukking brengt.

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2].

De rechtbank acht toewijsbaar, als rechtstreeks door het bewezen verklaarde feit toegebrachte immateriële schade, een bedrag van € 1000,--.

De rechtbank zal voor het toegewezen bedrag tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen, nu de rechtbank het wenselijk acht dat de staat schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert.

Aangezien aldus aan verdachte meer verplichtingen tot vergoeding van dezelfde schade worden opgelegd, zal de rechtbank bepalen dat verdachte van de schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde is bevrijd voor zover hij heeft voldaan aan een van de hem opgelegde verplichtingen tot schadevergoeding.

De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in haar vordering voor zover deze een bedrag van € 1000,-- te boven gaat, aangezien deze in zoverre niet van zo eenvoudige aard is dat zij zich leent voor behandeling in het strafgeding.

De benadeelde partij kan deze onderdelen van haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil. Verder wordt verdachte veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

Motivering van de beslissing na voorwaardelijke veroordeling.

De vordering voldoet aan alle wettelijke eisen. Krachtens de wettelijke bepalingen is de rechtbank bevoegd tot behandeling van deze vordering. Uit onderzoek ter terechtzitting zijn geen omstandigheden gebleken die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Bijzondere omstandigheden die aan de tenuitvoerlegging in de weg staan zijn niet aanwezig. De rechtbank zal dan ook de gevorderde tenuitvoerlegging gelasten.

DE UITSPRAAK

Verklaart het tenlastegelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Het bewezenverklaarde levert op het misdrijf:

poging tot moord, meermalen gepleegd.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

BESLISSING:

Gevangenisstraf voor de duur van 6 jaar met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het

Wetboek van Strafrecht.

Maatregel van schadevergoeding van € 1000,-- subsidiair 20 dagen hechtenis.

Legt derhalve aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 2] van een bedrag van € 1000,-- (zegge: duizend euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 20 dagen hechtenis.

De toepassing van deze vervangende hechtenis heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2]:

Wijst de vordering van de benadeelde partij toe en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 2], van een bedrag van € 1000,-- (zegge: duizend euro).

Veroordeelt verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot heden

begroot op nihil. Veroordeelt verdachte verder in de ten behoeve van de

tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

Verdachte is van zijn schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde bevrijd voor zover hij heeft voldaan aan een van de hem opgelegde verplichtingen tot vergoeding van deze schade.

Bepaalt dat de benadeelde partij in de vordering (terzake immateriële schade) voor zover deze het bedrag van € 1000,-- te boven gaat, niet ontvankelijk is.

Beslissing na voorwaardelijke veroordeling:

Last tot tenuitvoerlegging van de straf, voor zover voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de politierechter te 's-Hertogenbosch d.d. 27 juli 2006 , gewezen onder parketnummer 01/820598/06 , te weten:

gevangenisstraf voor de duur van 2 weken.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. J.A. van Biesbergen, voorzitter,

mr. E.W. van den Heuvel en mr. R.P.G.L.M. Verbunt, leden,

in tegenwoordigheid van J.F.A. Verhagen, griffier,

en is uitgesproken op 7 december 2007.