Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2007:BB7380

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
08-10-2007
Datum publicatie
07-11-2007
Zaaknummer
AWB 06/4520
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Wijziging geslachtsnaam; kind jonger dan twaalf jaar; berekening verzorgings- en opvoedingstermijn van vijf jaren; verzoekdatum; eiser heeft meer dan gedurende een vierde deel van de periode voorafgaande aan de vijfjarentermijn in gezinsverband met het kind samengeleefd; indien de uitzonderingen in art. 3.4.Besluit geslachtsnaamwijziging zich voordoen is de Minister niet gehouden het verzoek om geslachtsnaamswijziging in te willigen; belangenafweging.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ’s-HERTOGENBOSCH

Sector bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 06/4520

Uitspraak van de enkelvoudige kamer van 8 oktober 2007

inzake

[eiser],

te [woonplaats],

eiser,

gemachtigde mr. P.L.M.F. Roosendaal,

tegen

de Minister van Justitie,

te 's-Gravenhage,

verweerder,

gemachtigde L.A. Jachtenberg.

Op grond van artikel 8:26 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft als partij aan het geding deelgenomen [aanvrager A-B] en [aanvrager A], te [woonplaats] (aanvragers).

Procesverloop

Bij besluit van 17 januari 2006 heeft verweerder besloten om het verzoek van [aanvrager A-B] en [aanvrager A], de geslachtsnaam van de minderjarige [minderjarige] te wijzigen van: [achternaam eiser] , in: [achternaam aanvrager A], in te willigen.

Het door eiser hiertegen gemaakte bezwaar is door verweerder bij besluit van 29 september 2006 ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen laatstgenoemd besluit bij brief van 9 november 2006, bij de rechtbank ingekomen op 10 november 2006, beroep ingesteld.

De zaak is behandeld op de zitting van 16 juli 2007, waar eiser is verschenen in persoon, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder is verschenen bij gemachtigde. Aanvragers zijn verschenen in persoon.

Overwegingen

1. In deze zaak dient de vraag te worden beantwoord of verweerder terecht en op goede gronden heeft besloten om het verzoek tot geslachtsnaamwijziging van [minderjarige, achternaam eiser], geboortedatum [...] 1998, in te willigen.

Wettelijk kader

2. Ingevolge artikel 1:7, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW), kan de geslachtsnaam van een persoon op zijn verzoek, of op verzoek van zijn wettelijke vertegenwoordiger, door de Koning worden gewijzigd.

Ingevolge artikel 1:7, vijfde lid, van het BW, worden bij algemene maatregel van bestuur regelen gesteld betreffende de gronden waarop de geslachtsnaamswijziging kan worden verleend, de wijze van indiening en behandeling van verzoeken als in het eerste en het tweede lid bedoeld en betreffende het voor wijziging van de geslachtsnaam verschuldigde recht.

Ingevolge artikel 1:7, zesde lid, van het BW, deelt, indien Onze Minister van Justitie voornemens is een voordracht te doen voor een koninklijk besluit strekkende tot inwilliging van een verzoek als bedoeld in het eerste of tweede lid, hij dit voornemen schriftelijk mee aan de verzoeker en degene wiens geslachtsnaam is verzocht, alsmede, indien het verzoek op de geslachtsnaam van een minderjarige betrekking heeft, zijn ouders en degene aan wie de minderjarige de geslachtsnaam, waarvan wijziging is verzocht, rechtstreeks ontleent. De schriftelijke mededeling van het voornemen geldt als een beschikking.

3. De in het vijfde lid van artikel 1:7 bedoelde algemene maatregel van bestuur is het Besluit van 6 november 1997, houdende regels voor geslachtsnaamwijziging, gepubliceerd in Staatsblad 1997, nr. 463, laatstelijk gewijzigd bij Besluit van 25 mei 2004, Staatsblad 2004, nr. 239 (hierna: het Besluit).

4. Ingevolge artikel 3, eerste lid, aanhef en onder b, van het Besluit, wordt op eensluidend verzoek van de wettelijke vertegenwoordiger en van degene wiens geslachtsnaam ten behoeve van de minderjarige wordt verzocht, of, indien de naam van een overleden ouder wordt verzocht, op verzoek van de wettelijke vertegenwoordiger, de geslachtsnaam van een minderjarige van twaalf jaren of ouder gewijzigd in de geslachtsnaam van de levensgezel van de ouder, indien deze persoon anders dan als ouder de minderjarige tezamen met de ouder gedurende een aaneengesloten periode van ten minste drie jaren onmiddellijk voorafgaande aan het verzoek heeft verzorgd en opgevoed;

Ingevolge artikel 3, tweede lid, van het Besluit, is het eerste lid van overeenkomstige toepassing ten aanzien van het verzoek tot wijziging van de geslachtsnaam van een minderjarige die de leeftijd van twaalf jaren nog niet heeft bereikt, met dien verstande dat de termijn van verzorging en opvoeding dan ten minste vijf jaren bedraagt.

Ingevolge artikel 3, vierde lid, aanhef en onder d, van het Besluit (voor zover van belang), wordt het verzoek afgewezen, indien een ouder weigert in te stemmen met de verzochte geslachtsnaamswijziging van de minderjarige jonger dan twaalf jaren, tenzij verzoekers aantonen dat de ouder aan wie de minderjarige de geslachtsnaam, waarvan wijziging wordt verzocht, ontleent, en het kind niet meer dan gedurende een vierde deel van de periode voorafgaande aan de termijn van verzorging en opvoeding, bedoeld in het tweede lid, in gezinsverband hebben samengeleefd.

Standpunten van partijen.

5. Eiser heeft aangevoerd dat de termijn van vijf jaar, zoals omschreven in artikel 3, van het Besluit niet juist is berekend. Verweerder heeft deze termijn berekend door uit te gaan van de datum van het besluit op bezwaar.

6. Verweerder stelt zich op het standpunt dat tijdens de bezwaarfase een heroverweging heeft plaatsgevonden welke ex nunc dient te geschieden en aldus dient te worden aangesloten bij de datum van het besluit op bezwaar. Voorts heeft verweerder ter zitting gewezen op de Nota van Toelichting bij het Besluit van 25 mei 2004 tot wijziging van het Besluit geslachtsnaamswijziging (Staatsblad 2004, nr. 239), en gesteld dat hij het beleid voert om in zaken als de onderhavige uit te gaan van de datum van het besluit op bezwaar.

Oordeel van de rechtbank

7. Verweerder heeft eiser niet gehoord in de bezwaarfase, omdat volgens verweerder sprake was van een kennelijk ongegrond bezwaar. De rechtbank is van oordeel dat verweerder eiser ten onrechte niet heeft gehoord. Verweerder dient, ook indien volgens hem is voldaan aan de voorwaarden van artikel 3 van het Besluit, alle belangen – met name de belangen van het kind – bij de beoordeling te betrekken. De rechtbank verwijst naar de uitspraak van de Afdeling van 9 augustus 2006, (LJN: AY5895, gepubliceerd op www.rechtspraak.nl). In de onderhavige zaak is op geen enkele wijze gebleken dat verweerder deze belangen bij zijn besluitvorming heeft betrokken.

8. De rechtbank is van oordeel dat verweerder voor het berekenen van de periode van verzorging van vijf jaar ten onrechte aansluiting heeft gezocht bij de datum van het besluit op bezwaar. Uit de wettekst blijkt duidelijk dat dient te worden uitgegaan van de datum van het verzoek. Een gevolg van het hanteren van de datum van het besluit op bezwaar is dat verweerder op deze wijze de uitkomst in een dergelijke zaak kan beïnvloeden. Niet valt in te zien waarom bij het nemen van het primaire besluit wel de wettekst in acht wordt genomen en bij het nemen van het besluit op bezwaar niet. In dit kader wijst de rechtbank op de uitspraak van de Afdeling van de Raad van State van 9 augustus 2006, (LJN: AY5895, gepubliceerd op www.rechtspraak.nl). De verwijzing door verweerder naar de Nota van Toelichting bij het Besluit van 25 mei 2004 tot wijziging van het Besluit geslachtsnaamswijziging (Staatsblad 2004, nr. 239) kan hieraan niet afdoen, nu de tekst van deze Nota op iets anders ziet dan hier aan de orde is, namelijk op het uitgangspunt dat een volledige heroverweging in bezwaar met zich meebrengt dat in beginsel getoetst moet worden aan de wettelijke voorschriften zoals die gelden ten tijde van het nemen van het besluit op bezwaar.

9. Niet in geschil is dat eiser en zijn dochter [minderjarige] vanaf haar geboorte op [...] juli 1998 tot 22 april 1999 in gezinsverband hebben samengeleefd. Op 10 oktober 2005 is door [aanvrager A-B] en [aanvrager A] een verzoek tot geslachtsnaamwijziging ingediend voor [minderjarige].

10. Uit het voorgaande volgt dat nu het verzoek van aanvragers is gedaan op 10 oktober 2005, de in artikel 3, vierde lid, aanhef en onder d, van het Besluit genoemde termijn van verzorging en opvoeding van vijf jaar is aangevangen op 10 oktober 2000. [minderjarige] is geboren op [...] 1998 en eiser heeft tot 22 april 1999 in gezinsverband met haar samengeleefd. Deze periode beslaat meer dan een vierde deel van de periode voorafgaand aan 10 oktober 2000. Derhalve is niet voldaan aan de in artikel 3 van het Besluit genoemde voorwaarden en dient het beroep van eiser reeds om deze reden gegrond te worden verklaard. Het bestreden besluit van 29 september 2006 kan niet in stand blijven en zal worden vernietigd.

11. Nu niet is voldaan aan de voorwaarden van artikel 3, vierde lid, aanhef en onder d, van het Besluit, en de daaruit volgende weigering dwingendrechtelijk is geformuleerd, wijst de rechtbank om proces-economische redenen met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb zelf voorziend in de zaak, het verzoek om geslachtsnaamwijziging af.

12. De rechtbank acht termen aanwezig verweerder te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten zijn met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht en de daarbij behorende bijlage begroot op in totaal € 644,00 voor kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand:

• 1 punt voor het indienen van een (aanvullend) beroepschrift;

• 1 punt voor het verschijnen ter zitting;

• waarde per punt € 322,00

• wegingsfactor 1.

13. Aangezien ten behoeve van eiser een toevoeging is verleend krachtens de Wet op de rechtsbijstand, dient ingevolge artikel 8:75, tweede lid, van de Awb, de betaling van dit bedrag te geschieden aan de griffier van de rechtbank.

14. Tevens zal de rechtbank bepalen dat de Staat der Nederlanden aan eiser het door hem gestorte griffierecht ten bedrage van € 141,00 dient te vergoeden.

Beslissing

De rechtbank,

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit van 29 september 2006;

- bepaalt dat haar uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

- bepaalt dat de Staat der Nederlanden aan eiser het door hem gestorte griffierecht dient te vergoeden ten bedrage van € 141,00;

- veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten vastgesteld op € 644,00;

- wijst de Staat der Nederlanden aan als de rechtspersoon die de proceskosten dient te vergoeden;

- bepaalt dat het bedrag van de proceskosten moet worden voldaan aan de griffier.

Aldus gedaan door mr. M.T. van Vliet als rechter in tegenwoordigheid van mr. M. Brouwers als griffier en uitgesproken in het openbaar op 8 oktober 2007.

?

Partijen kunnen tegen deze uitspraak binnen zes weken na de datum van verzending

van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van

de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag.

Afschriften verzonden: