Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2007:BB5895

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
19-10-2007
Datum publicatie
19-10-2007
Zaaknummer
01/849338-06
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Achttien jaar gevangenisstraf voor moord op echtgenote en verbergen van het lijk.

De verklaring van verdachte dat zijn echtgenote om het leven is gekomen ten gevolge van een schietongeval wijst de rechtbank van de hand, nu een ongeluk onverenigbaar is met de bewijsmiddelen.

Nu verdachte volledig toerekeningsvatbaar is komt alleen een langdurige gevangenisstraf in aanmerking om de ernst van het bewezenverklaarde voldoende tot uitdrukking te brengen en te komen tot een adequate vergelding van het bewezenverklaarde en het leed dat verdachte daarmee onder meer aan zijn kinderen en ouders van het slachtoffer heeft teweegegebracht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

verkort vonnis

RECHTBANK 'S-HERTOGENBOSCH

Sector Strafrecht

Parketnummer: 01/849338-06

Datum uitspraak: 19 oktober 2007

Verkort vonnis van de rechtbank ’s-Hertogenbosch, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1953,

thans gedetineerd te: P.I. Arnhem - HvB Arnhem Zuid te Arnhem.

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 19 december 2006, 20 februari 2007, 10 april 2007, 29 mei 2007, 3 juli 2007, 10 oktober 2007.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaardingen van 7 november 2006 en 26 november 2006. De tenlastelegging is op vordering van de officier van justitie ter terechtzitting van 3 juli 2007 gewijzigd.

Aan verdachte is met begrip van die wijziging tenlastegelegd dat:

1.

hij in of omstreeks de periode van 01 juli 2006 tot en met 31 augustus 2006 te

Uden, althans in Nederland en/of in de gemeente Baelen (België), althans in

België, opzettelijk en (al dan niet met voorbedachten rade) [slachtoffer]

van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet (en al dan

niet na kalm beraad en rustig overleg) (met een luchtdrukwapen) meermalen,

althans eenmaal, op en/of in het hoofd van [slachtoffer] geschoten en/of

(met een of meer harde voorwerpen) meermalen, althans eenmaal, op het hoofd

van [slachtoffer] geslagen, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is

overleden;

(artikel 289/287 Wetboek van Strafrecht)

2.

hij in of omstreeks de periode van 01 juli 2006 tot en met 01 september 2006

te Uden en/of elders in Nederland en/of in de gemeente Baelen (Belgie) en/of

elders in België en/of in Duitsland, een lijk, te weten het stoffelijk

overschot van [slachtoffer], heeft verborgen en/of heeft weggevoerd en/of

heeft weggemaakt, met het oogmerk om het feit en/of de oorzaak van het

overlijden te verhelen, immers heeft/is verdachte:

* in of omstreeks de periode van 01 juli 2006 tot en met 31 augustus 2006:

- het lichaam van [slachtoffer] in plastic en/of in een of meer dekens

ingepakt en/of

- het lichaam van [slachtoffer] naar België vervoerd en/of

- het lichaam van [slachtoffer] in België in een (dicht begroeid) bos gelegd

en (vervolgens) aldaar achtergelaten;

* in of omstreeks de periode van 31 augustus 2006 tot en met 01 september 2006:

- het lichaam van [slachtoffer] in België uit het bos gehaald en/of

(vervolgens)

- het lichaam van [slachtoffer] in zijn, verdachtes, auto gelegd en/of

(vervolgens)

- met die auto naar Duitsland gereden;

(artikel 151 Wetboek van Strafrecht)

Voorzover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

De geldigheid van de dagvaarding.

De dagvaarding voldoet aan alle wettelijke eisen.

De bevoegdheid van de rechtbank.

Krachtens de wettelijke bepalingen is de rechtbank bevoegd van het tenlastegelegde kennis te nemen.

De ontvankelijkheid van de officier van justitie.

A. Toepasselijkheid van de Nederlandse strafwet

De rechtbank stelt vast dat verdachte in Nederland is geboren en dat hij de Nederlandse nationaliteit bezit. Artikel 5 van het Wetboek van Strafrecht (Sr) stelt dan als voorwaarde voor toepasselijkheid van de Nederlandse strafwet op feiten gepleegd buiten Nederland, dat op het feit hetwelk door de Nederlandse strafwet als misdrijf wordt beschouwd, (ook) straf is gesteld door de wet van het land waar dat feit is begaan (artikel 5, lid 1, onderdeel 2° Sr).

De in België gepleegde feiten die hier bewezen verklaard worden, worden door de Nederlandse strafwet als misdrijven beschouwd en op die feiten is door de Belgische strafwet ook straf gesteld.

Ten aanzien van de onder 2 tenlastegelegde, op Duits grondgebied gepleegde feiten, zal de rechtbank de officier van justitie niet ontvankelijk verklaren. In het Duitse Wetboek van Strafrecht is enkel straf gesteld op het wegnemen van een lijk uit de bewaring van de rechthebbende (StGB 168; Störung der Totenruhe). Naar het oordeel van de rechtbank beschermt dit Duitse artikel een zodanig ander rechtsgoed dan het Nederlandse artikel 151 Sr, dat niet is voldaan aan de eis van dubbele strafbaarheid.

B. Geen mogelijkheid volledige contra-expertise t.g.v. vernietiging van het stoffelijk overschot?

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat zij, nu met toestemming van het openbaar ministerie alle stoffelijke resten van het slachtoffer behalve de schedel zijn vernietigd, niet in de gelegenheid is geweest om in volle omvang gebruik te maken van haar recht op contra-expertise. Hierbij heeft de verdediging erop gewezen dat met de vernietiging van het stoffelijk overschot mogelijk ook ontlastend bewijsmateriaal verloren is gegaan.

De rechtbank verwerpt dit verweer en overweegt daartoe als volgt. Uit het voorlopig sectieverslag, opgesteld onder de verantwoordelijkheid van de arts-patholoog Van de Goot, van 2 september 2006, blijkt dat het lichaam van het slachtoffer op het moment van de sectie al in een zeer vergevorderd stadium van ontbinding verkeerde. Hierdoor werd het onderzoek naar de doodsoorzaak aanzienlijk bemoeilijkt. Gedurende de sectie zijn -behalve beschadigingen aan de schedel, die hierna nog uitvoerig aan de orde zullen komen- geen aanwijzingen omtrent de doodsoorzaak aangetroffen. Het stoffelijk overschot bood ook geen aanknopingspunten (meer) voor nader onderzoek. De officier van justitie heeft het stoffelijk overschot op basis van deze bevindingen vrijgegeven voor de lijkbezorging. De schedel van het slachtoffer is hiervan uitgezonderd: deze is gedurende het strafrechtelijk onderzoek beschikbaar gehouden. De schedel is onderzocht door deskundigen van het NFI en door de, op voordracht van de verdediging, door de rechtbank benoemde deskundige Jacobs. Gelet op deze omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden gezegd dat doelbewust en met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte is tekortgedaan aan diens recht om het door de officier van justitie gepresenteerde bewijsmateriaal met (bijvoorbeeld) tegenonderzoek te betwisten.

C. Onrechtmatige aanhouding in Duitsland?

De Nederlandse rechter is in beginsel niet gehouden te onderzoeken of de aanhouding van verdachte door de Duitse autoriteiten op 1 september 2006 en de aansluitend toegepaste dwangmiddelen op rechtmatige wijze hebben plaatsgevonden. Gelet op het in het rechtshulpverkeer tussen Duitsland en Nederland geldende vertrouwensbeginsel, mag hierop worden vertrouwd, tenzij er concrete aanwijzingen zijn voor het tegendeel. Noch de stukken, noch hetgeen door de verdediging naar voren is gebracht, bieden aanknopingpunten voor de stelling dat verdachte tengevolge van een (mogelijk) gebrek in de rechtmatigheid van de in Duitsland verrichte opsporingshandelingen op een zodanige wijze in zijn belangen is geschaad dat de verdragsnormen in het geding zijn. De ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie wordt hierdoor dan ook niet geraakt.

D. Onzorgvuldig onderzoek in België?

De verdediging heeft zich bij herhaling op het standpunt gesteld dat er geen adequaat technisch onderzoek is gedaan op de plaats waar verdachte het stoffelijk overschot in België had achtergelaten, ondanks een uitdrukkelijk aanbod van verdachte om die plaats aan te wijzen, en dat verdachte hierdoor zodanig en onherstelbaar in zijn belangen is geschaad, dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk verklaard dient te worden.

De rechtbank verwerpt dit verweer. Uit de stukken blijkt dat op 1 september 2006 een eerste technisch onderzoek is ingesteld naar aanleiding van de bevindingen van het observatieteam. Daarbij zijn videobeelden en foto’s gemaakt en zijn bandensporen, grondmonsters en botanisch materiaal veiliggesteld. Verder is gebruik gemaakt van een speurhond, afgericht voor het onderzoek van stoffelijke overschotten. Het op 1 september 2006 uitgevoerde technisch onderzoek heeft niet geleid tot voldoende zekerheid omtrent de exacte plaats waar het stoffelijk overschot van het slachtoffer heeft gelegen. In het proces-verbaal zijn de GPS-coördinaten vastgelegd van de plaatsen waar het observatieteam verdachte op 31 augustus 2006 het sparrenbos in en weer uit zag lopen. Op 15 oktober 2006, ruimschoots voor het verzoek dienaangaande van de verdediging, is een rechtshulpverzoek gedaan aan de Belgische autoriteiten teneinde de betreffende locaties nogmaals te kunnen onderzoeken. Na telefonische contacten tussen de officier van justitie, de raadsman en de rechter-commissaris over de aard en de praktische uitvoering van het in België te verrichten onderzoek, is verdachte op 19 december 2006 in de gelegenheid gesteld om ter plaatse aan te wijzen waar hij het stoffelijk overschot van het slachtoffer had achtergelaten. Tijdens deze schouw is uitvoerig met verdachte door het bos gelopen in de omgeving van de Chemin de la Robinette in het Belgische plaatsje Membach (Baelen), doch hij kon geen voldoende concrete aanwijzing (meer) geven over de exacte plaats waar volgens hem het stoffelijk overschot had gelegen. De stelling van de verdediging dat het opsporingsonderzoek doelbewust onzorgvuldig en/of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte is uitgevoerd, mist derhalve feitelijke grondslag.

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn voor het overige geen omstandigheden gebleken, die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan.

Schorsing der vervolging.

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen gronden voor schorsing der vervolging gebleken.

De bewezenverklaring.

De rechtbank acht, op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte

1. op 01 juli 2006 te Uden, althans in Nederland en/of in de gemeente Baelen (België), althans in België, opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet na kalm beraad en rustig overleg op en in het hoofd van [slachtoffer] geschoten (in ieder geval eenmaal met een luchtdrukwapen) en/of met een hard voorwerp op het hoofd van [slachtoffer] geslagen, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden;

2. in de periode van 01 juli 2006 tot en met 31 augustus 2006 te Uden en/of elders in Nederland en/of in de gemeente Baelen (België) en elders in België, een lijk, te weten het stoffelijk overschot van [slachtoffer], heeft verborgen en/of heeft weggevoerd en/of

heeft weggemaakt, met het oogmerk om het feit en de oorzaak van het overlijden te verhelen, immers heeft/is verdachte:

* op 01 juli 2006:

- het lichaam van [slachtoffer] in plastic en een deken ingepakt en

- het lichaam van [slachtoffer] in België in een bos gelegd en vervolgens aldaar achtergelaten;

* op 31 augustus 2006:

- het lichaam van [slachtoffer] in België uit het bos gehaald en vervolgens

- het lichaam van [slachtoffer] in zijn, verdachtes, auto gelegd en vervolgens

- met die auto naar Duitsland gereden.

De bewijsmiddelen worden slechts gebezigd met betrekking tot het feit waarop zij in het bijzonder betrekking hebben.

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

Bewijsoverwegingen.

Opzettelijke levensberoving/geen ongeluk.

De rechtbank is van oordeel dat bewezen is dat verdachte zijn echtgenote [slachtoffer] opzettelijk van het leven heeft beroofd. Het standpunt van verdachte dat sprake was van een ongeval wordt weerlegd door het bewijs. De rechtbank overweegt in dit verband als volgt.

Uit de verklaringen van verdachte ter terechtzitting van 3 juli 2007 en ten overstaan van de rechter-commissaris op 27 juni 2007 afgelegd, de verklaringen van [getuige 1] en [getuige 2] alsmede de sms-jes die het slachtoffer in de nacht van 30 juni op 1 juli 2006 heeft gestuurd en de zendmast die daarbij is benut, in onderling verband en samenhang bezien, volgt dat [slachtoffer] op 1 juli 2006 tussen 02.00 uur en 03.00 uur moet zijn thuisgekomen in Uden. Volgens genoemde verklaringen van verdachte waren hij en zijn echtgenote daarna bij elkaar en is zij die dag in het bijzijn van verdachte overleden. Verdachte heeft verklaard dat hij heeft gezien dat er geen leven meer zat in zijn echtgenote en hij heeft verklaard dat hij heeft geconcludeerd dat zij dood was. Hij heeft verklaard dat hij het lichaam van zijn vrouw zijn vrouw in België heeft achtergelaten en van daaruit terug is gegaan naar Nederland. Dat laatste vindt bevestiging in het proces-verbaal van bevindingen met betrekking tot de lokatie van de GSM van verdachte.

Omtrent de (mogelijke) doodsoorzaak zijn diverse deskundigen rapporten opgemaakt. Er zijn meerdere -merendeels ernstige- letsels/beschadigingen (aangeduid als de “gaten” 1 tot en met 5 alsmede de beschadigingen 6 en 7) aan/in de schedel van het slachtoffer geconstateerd. De rapporten van de deskundigen Van de Goot, Keereweer en Jacobs stemmen in zoverre overeen, dat daaruit volgt dat meervoudige geweldsuitoefening op het hoofd van het slachtoffer de letsels/beschadigingen hebben veroorzaakt en dat die letsels, voor zover bij leven opgelopen, de dood alleszins kunnen verklaren. Jacobs heeft hierbij uitdrukkelijk aangegeven dat het enkele letsel aan de linkerslaap en in de linkeroogkas slechts een gering dodelijk potentieel heeft. De rapporten van ondermeer de deskundige Van de Goot en Keereweer enerzijds en de deskundige Jacobs anderzijds laten ook een belangrijk verschil zien omtrent de vraag of gat 5 al dan niet als een uitschotverwonding moet worden aangemerkt, doch daarmee wordt de kern van de constateringen en/of conclusies, te weten meervoudige geweldsuitoefening op het hoofd van het slachtoffer, bestaande uit (onder meer) schotletsel, niet aangetast.

Naar het oordeel van de rechtbank is op basis van deze rapporten een natuurlijke oorzaak voor deze letsels/beschadigingen en het overlijden uitgesloten, ook diervraat wordt door het NFI en door deskundige Jacobs uitgesloten.

De verklaring van verdachte dat zijn echtgenote om het leven is gekomen, omdat er op 1 juli 2006 een schietongeval heeft plaatsgevonden, waarbij hij onopzettelijk zijn vrouw in de linkerslaap heeft geraakt met een kogeltje uit een luchtdrukwapen wijst de rechtbank van de hand, omdat dit niet te verenigen is met de navolgende feiten en/of omstandigheden, zoals die uit de bewijsmiddelen naar voren komen, een en ander in hun onderlinge samenhang bezien.

I. Volstrekt onaannemelijk is, dat [slachtoffer] op zaterdag 1 juli 2006 vrijwillig met verdachte is meegegaan naar België, waartoe het navolgende van belang is.

a) Verdachte en het slachtoffer hadden ernstige huwelijksproblemen, een echtscheiding was aanstaande en ook hun zakelijke relatie zou door het slachtoffer worden verbroken (eigen verklaringen van verdachte, verklaringen van onder meer de getuigen [getuige 3], [getuige 4], [getuige 5], [getuige 6], [getuige 7], [getuige 8] [getuige 9], [getuige 10], [getuige 1] en [getuige 2], al die verklaringen in onderling verband en samenhang bezien). Uit de verklaring van de makelaar [getuige 9] blijkt dat het slachtoffer op zoek was naar vervangende woonruimte.

b) Het slachtoffer had afgesproken met [getuige 11] dat zij vanaf 1 juli 2006 omstreeks 09.00 uur voor een week op zijn huis zou passen gedurende de tijd dat [getuige 11] op vakantie was (zie onder meer de getuigenverklaring van [getuige 11]). De getuige [getuige 1] heeft verklaard dat het slachtoffer bij haar bezoek van 30 juni op 1 juli 2006 aan hem heeft gezegd dat ze de volgende dag ergens heen zou gaan voor voorlopige woonruimte.

c) [getuige 4] heeft op 13 juli 2006 tegenover de politie verklaard dat haar moeder omstreeks 29 juni 2006 aan haar heeft verteld dat ze erg blij was met het feit dat ze op zaterdag 1 juli 2006 om 9.00 uur de sleutel van de woning van [getuige 11] zou krijgen en dat ze ernaar uitkeek om naar de woning van [getuige 11] te kunnen, omdat ze dan thuis weg was en wat meer tot rust kon komen. [getuige 4] heeft verder verklaard dat haar moeder altijd haar afspraken nakwam. Verdachte heeft ten overstaan van de politie verklaard (pagina 905 van het dossier) dat het slachtoffer normaal gesproken altijd haar afspraken nakwam.

d) Het slachtoffer heeft deze afspraak met [getuige 11] in de nacht van 30 juni op 1 juli 2006 nog bevestigd met een sms-bericht aan de [getuige 5], waarin zij mededeelde dat zij in het huis van [getuige 11] ging wonen (zie inhoud sms-bericht, pagina 1362 dossier alsmede getuigeverklaring [getuige 5]).

e) Het slachtoffer maakte volgens onder meer de verklaring van verdachte ter terechtzitting, de verklaring van haar moeder en de [getuige 5] zeer veelvuldig gebruik van haar mobiele telefoon, met name door sms-berichten te sturen.

f) Het slachtoffer heeft haar afspraak met [getuige 11] niet afgezegd (zie verklaring van [getuige 11]). [getuige 11] is blijkens zijn verklaring d.d. 14 juli 2006 op 1 juli 2006 meteen gaan bellen toen het slachtoffer niet verscheen en hij heeft haar die zaterdag 9x gebeld, doch kreeg telkens haar voicemail, welke hij een aantal keer heeft ingesproken. Hij heeft geen reactie gekregen.

g) De getuige [getuige 12] heeft verklaard dat zij met het slachtoffer had afgesproken dat ze op zaterdag 1 juli 2006 om 13.00 uur of 14.00 uur naar het Slokdarmfestival in Veghel zouden gaan en dat het slachtoffer zonder bericht niet is komen opdagen. Zij heeft het slachtoffer nog een sms gestuurd en de voice-mail ingesproken, doch daarop werd niet gereageerd.

II. De deskundige Jacobs heeft in zijn rapport de kogelbaan die het in de linkeroogkas aangetroffen projectiel heeft gevolgd beschreven. De kogelbaan van dit schot verloopt blijkens genoemd deskundigenverslag licht dalend. De verklaringen van verdachte ten overstaan van de rechter-commissaris en ter terechtzitting van 3 juli 2007 afgelegd, inhoudende dat hij vanuit een min of meer gehurkte positie het geweer schuin omhoog hield juist voorafgaand aan het schot, is daarmee niet dan wel bezwaarlijk te verenigen.

III. De deskundige Jacobs heeft in zijn rapport aangegeven dat de schotverwonding in de linkeroogkas slechts een “gering” dodelijk potentieel heeft.

IV. Uit informatie die de verdediging ter zitting van 3 juli en 10 oktober 2007 heeft overgelegd blijkt dat in het algemeen een enkel schot afkomstig van een luchtdrukwapen slechts zelden tot de dood van een mens leidt of kan leiden.

V. De verklaring van verdachte over hetgeen hij zag van en aan het slachtoffer nadat zij geraakt werd met dit schot is volgens de deskundige Jacobs niet het klinische beeld dat verwacht mag worden na het door verdachte beschreven schot, doch juist het klinische beeld na een schot met snelle fatale afloop.

VI. De toestand van de schedel, zoals omschreven in het obductieverslag en in het deskundigenrapport van Jacobse, past niet bij een enkelvoudig schot als door verdachte omschreven. Wat er zij van de precieze duiding van de diverse letsels, het is een feit dat er meerdere letsels en/of beschadigingen zijn geconstateerd. De stelling dat deze letsels door een of meer derden na de dood van het slachtoffer zouden (kunnen) zijn veroorzaakt is slechts speculatie. Indien iemand een lijk/schedel aantreft zal in het algemeen de politie worden gewaarschuwd en zal men niet die schedel gebruiken om daarop te schieten en/of te slaan. Dat deze letsels bij toeval zouden zijn toegebracht na de dood doordat in de nabijheid werd gejaagd of door diervraat, zoals de verdediging heeft aangevoerd, acht de rechtbank redelijkerwijs uitgesloten. Diervraat wordt door zowel de deskundigen van het NFI (Van de Goot en Keereweer) als door de deskundige Jacobs uitdrukkelijk uitgesloten. Meervoudig schotletsel na de dood door bijv. jagers veronderstelt allereerst dat de dood is ingetreden door het enkele schot uit het luchtdrukwapen in de slaap van het slachtoffer, hetgeen gelet op het geringe dodelijke potentieel van zowel het wapen zelf als van de daarbij toegebrachte schotverwonding hoogst onwaarschijnlijk is. Verder merkt de rechtbank in dit verband op dat de letsels zowel aan de voorzijde, achterzijde en beide zijkanten van de schedel zijn geconstateerd.

VII. De vrijwel ongeklede toestand waarin het lichaam van het slachtoffer blijkens onder meer het obductieverslag is aangetroffen past niet bij een ongeluk als omschreven door verdachte. In die situatie bestond er geen enkele noodzaak/aanleiding om het slachtoffer van haar kleren te ontdoen en de verklaring die verdachte daarvoor uiteindelijk heeft gegeven, te weten dat zij bloedspatten had op haar broek en dat hij wilde kijken wat dat was, acht de rechtbank niet redelijk en ook geheel oninvoelbaar. De rechtbank constateert verder dat verdachte zijn verklaringen omtrent de kleding telkenmale heeft veranderd. Aanvankelijk -pagina 516 dossier- heeft hij verklaard dat het iets met de liefde tussen hem en het slachtoffer had te maken dat ze alleen slipje aanhad, daarna (pagina 750) verklaart hij ”Nee, er zijn twee situaties, op het moment dat ik op [slachtoffer] daar neergelegd heb, was ze gekleed en toen ik haar gevonden heb toen heb ik geen kleren gezien…” en uiteindelijk geeft hij voornoemde verklaring.

VIII. Verdachte heeft geen melding gemaakt van een ongeval, en heeft geen hulp ingeroepen, niet alleen niet op 1 juli 2006 maar ook niet de dagen daarna, en hij heeft net gedaan alsof hij niet wist waar het slachtoffer was;

IX. Verdachte heeft volgens zijn eigen verklaring ten overstaan van de rechter-commissaris de kleren van het slachtoffer alsmede een luchtdrukwapen weggemaakt;

X. Verdachte is blijkens zijn genoemde verklaring vrijwel meteen na terugkeer uit België doende geweest met het naar de stort brengen van een aantal bedden uit de logeerkamer, waar het slachtoffer de laatste tijd voor haar overlijden regelmatig sliep, hetgeen naar het oordeel van de rechtbank geen normale reactie is bij een zojuist plaatsgevonden ongeval waarbij je echtgenote is overleden.

Conclusie:

De rechtbank concludeert dat:

a. volstrekt onaannemelijk is dat het slachtoffer vrijwillig met verdachte naar België is gegaan;

b. een ongeluk als door verdachte aangegeven niet verenigbaar is met de bewijsmiddelen;

c. de letsels/beschadigingen bij leven moeten zijn toegebracht;

d. de letsels/beschadigingen, in aanmerking genomen de aard en omvang daarvan, opzettelijk moeten zijn toegebracht;

e. verdachte samen met zijn echtgenote was voordat en op het moment dat zij overleed en aldus niemand anders in aanmerking komt voor het toebrengen van de letsels/beschadigingen aan/in de schedel van het slachtoffer;

f. de gedragingen van verdachte na de dood van zijn echtgenote -onder meer: 1) geen hulp inroepen, 2) aangifte doen van vermissing, terwijl hij weet dat zijn echtgenote dood is, 3) wegmaken van (mogelijke) sporen, 4) het nadien weghalen van het lijk- passen bij een door verdachte begaan misdrijf.

De eindconclusie kan niet anders zijn dan dat verdachte opzettelijk zijn echtgenote [slachtoffer] heeft gedood, als bewezenverklaard.

Uit de bewijsmiddelen wordt niet overtuigend duidelijk op welk moment precies en waar verdachte zijn echtgenote heeft gedood. Een aantal bloedsporen in de logeerkamer en het naar de stort brengen van de bedden uit de logeerkamer vormen onder meer aanwijzingen voor gewelduitoefening in de woning in Uden. Echter, er is geen overtuigend bewijs dat reeds in de woning dodelijk letsel is toegebracht. Dit betekent naar het oordeel van de rechtbank, in aanmerking genomen dat het slachtoffer op 1 juli 2006 na middernacht thuis is gekomen en diezelfde dag dood achtergelaten is in België, dat de levensberoving op die dag heeft plaatsgevonden in Uden en/of op de weg naar België en/of in België.

Voorbedachte rade.

Bij de beoordeling van de voorbedachte rade stelt de rechtbank voorop dat voor voorbedachte raad voldoende is dat komt vast te staan dat verdachte de tijd had zich te beraden op het te nemen of genomen besluit, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven. Naar het oordeel van de rechtbank is aan dit criterium ruimschoots voldaan, hetgeen zij grondt op het navolgende.

a. De verklaringen van [getuige 13] (pagina’s 1110 ev en 1186 ev) en [getuige 4] (988), inhoudende dat verdachte had gevraagd of zijn zoon -anders dan gebruikelijk- op vrijdag 30 juni en zaterdag 1 juli niet bij hem wilde komen slapen.

b. De aankoop door verdachte 2 dagen voor 1 juli 2006 van een luchtdrukwapen van het merk Gamo Hunter, dat volgens de deskundigenverslagen van Van de Goot en Keereweer, bezien in samenhang met het deskundigenverslag van Hermsen, in aanmerking komt als veroorzaker van “gat 4”, hierbij in aanmerking genomen de verklaring van de Bredase [verkoper] dat het om een bijzonder krachtige luchtbuks gaat.

c. De omstandigheid dat verdachte, zoals hij ten overstaan van de rechter-commissaris heeft verklaard, een paar dagen voor 1 juli 2006 ook in België is geweest en daarvoor geen verklaring heeft gegeven, bezien in combinatie met het gegeven dat onderzoek van de politie heeft uitgewezen dat in het navigatiesysteem van verdachte de plaats Herbiester -een plaats in België die niet ver afligt van de plaats waar verdachte het lichaam van zijn vrouw heeft achtergelaten/opgehaald- werd ingevoerd, en wel voordat daarin Breda werd ingevoerd.

d. Indien het om meervoudig schotletsel zou gaan, toegebracht door 1 wapen -te weten een luchtdrukwapen als door verdachte aangeschaft- dan is daarbij van belang dat het blijkens het rapport van de deskundige Hermsen gaat om een wapen dat bestemd is voor het enkelschots verschieten van kogeltjes, dat moet worden geladen door de loop naar beneden te knikken, een kogel in het achterste deel van de loop te plaatsen, het wapen te sluiten en door de loop terug te knikken, waarna middels het overhalen van de trekker een schot kan worden afgevuurd en dat deze handelingen moeten worden herhaald bij elk verder af te vuren schot.

Indien het om meervoudig schotletsel gaat waarbij meer dan 1 vuurwapen zou zijn gebruikt, hetgeen uit het rapport van Jacobse naar voren komt, dan geldt dat verdachte kennelijk twee wapens voorhanden had en die beide heeft gebruikt.

Zou er sprake zijn van alleen het luchtdrukwapen en het daarmee afvuren van 1 schot, dan geldt dat het wapen schietklaar moet zijn gemaakt als hiervoor aangegeven. Verder moet op basis van met name de deskundigenrapporten van Van de Goot en Keereweer worden geconcludeerd dat naast het gebruik van een wapen ander -meervoudig en krachtig- geweld op het hoofd van het slachtoffer is uitgeoefend.

Al genoemde varianten zijn naar het oordeel van de rechtbank niet dan wel bezwaarlijk te verenigen met een situatie dat de doding in een opwelling plaatsvond.

De kwalificatie.

Het bewezenverklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten.

De strafbaarheid.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van de feiten of van de verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen te zijnen laste bewezen is verklaard.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen:

Wetboek van Strafrecht art. 5, 10, 27, 57, 151, 289.

DE OVERWEGINGEN DIE TOT DE BESLISSING HEBBEN GELEID

De eis van de officier van justitie.

t.a.v. feit 1 en feit 2:

- gevangenisstraf voor de duur van 18 jaar met aftrek van het voorarrest;

- teruggave van de inbeslaggenomen goederen vermeld op de beslaglijst aan verdachte, met dien verstande dat dit gebeurd nadat de zaak onherroepelijk is geworden.

De op te leggen straf.

Bij de beslissing over de straffen die aan verdachte dienen te worden opgelegd heeft de rechtbank gelet op:

a. de aard van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan,

b. de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

De rechtbank is van oordeel, dat in verband met een juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of geringere straf dan een gevangenisstraf welke vrijheidsbeneming meebrengt voor de duur als hierna te melden.

Meer in het bijzonder geldt het navolgende.

De rechtbank is van oordeel dat aan verdachte een langdurige gevangenisstraf dient te worden opgelegd. Verdachte heeft met fors geweld en met voorbedachten rade aan zijn echtgenote het leven ontnomen, hetgeen reeds op zichzelf een bijzonder ernstig feit is. Voor dat feit is geen enkele verzachtende omstandigheid uit het dossier gebleken en verdachte heeft ook niets verklaard waaruit kan blijken welke reden of redenen daaraan ten grondslag heeft/hebben gelegen en hoe hij tot dat feit is kunnen komen. Verder heeft verdachte zijn dode vrouw op respectloze wijze behandeld door haar in een bos in ontklede toestand achter te laten. Verdachte heeft door zijn handelen verder onherstelbaar leed toegebracht aan de nabestaanden, waaronder met name zijn te noemen de kinderen van verdachte en het slachtoffer alsmede de ouders van het slachtoffer. Door het lichaam van zijn vrouw lange tijd verborgen te houden en aangifte te doen van vermissing van zijn vrouw heeft verdachte ten onrechte onder meer genoemde personen in de waan gelaten dat zijn vrouw mogelijk nog in leven was. Hij heeft gelogen tegen zijn eigen kinderen en daardoor het leed dat hen is toegebracht alleen maar vergroot en het vertrouwen dat zij als kinderen in hun vader mochten stellen ernstig beschaamd.

Nu verdachte volledig toerekeningsvatbaar is, komt gelet op het vorenoverwogene alleen een langdurige gevangenisstraf in aanmerking om de ernst van het bewezenverklaarde voldoende tot uitdrukking te brengen en te komen tot een adequate vergelding van het bewezenverklaarde en het leed dat verdachte daarmee tegelijkertijd aan onder meer genoemde kinderen en ouders heeft teweeggebracht, alsmede tot -voor zover dat mogelijk is- herstel van de schok die deze feiten in de rechtsorde teweeg hebben gebracht.

De rechtbank is met de officier van justitie van oordeel dat onder al genoemde omstandigheden een gevangenisstraf voor de duur van 18 jaar geboden en passend is.

Het beslag

De rechtbank zal de teruggave gelasten van de in het dictum nader te noemen inbeslaggenomen voorwerpen aan verdachte nu naar het oordeel van de rechtbank het belang van strafvordering zich niet meer verzet tegen de teruggave van de inbeslaggenomen goederen.

DE UITSPRAAK

T.a.v. feit 2:

Verklaart het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk voorzover de tenlastelegging ziet op in Duitsland gepleegde feiten.

T.a.v. feit 1 en 2:

Verklaart het tenlastegelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Het bewezenverklaarde levert op de misdrijven:

T.a.v. feit 1:

moord

T.a.v. feit 2:

Een lijk verbergen, wegvoeren of wegmaken, met het oogmerk om het feit of de oorzaak van het overlijden te verhelen, meermalen gepleegd.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

BESLISSING:

T.a.v. feit 1, feit 2:

Gevangenisstraf voor de duur van 18 jaar met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht.

T.a.v. feit 1, feit 2:

Teruggave van de inbeslaggenomen goederen, te weten:

1. staalborstel uit tuinhuis: AKKER. H01.14.DDA371

2. boormachine uit tuinhuis: AKKER.HO1.14.DDA372

3. sponsen e.d.: AKKER.HO1.2.DDA366

4. paar handschoenen: AKKER.HO.1.2.DDA367

5. deken uit Suzuki:AKKER. VTG2. PN-01

6. deken uit Suzuki: AKKER.VTG2. PN-02

7. jas aangetroffen door NFI invtgg2: AKKER.VTG.NFI-02

8. fleecetrui [verdachte]: AKKER.2.1.DDA967

9. T-shirt [verdachte]:AKKER.2.4.2.DDA968

10. spijkerbroek [verdachte]: AKKER.2.4.3.DDA969

11. onderbroek [verdachte]: Akker.2.4.4.DDA970

12. paar schoenen: AKKER.2.4.5.DDA971,

aan de [verdachte].

Dit vonnis is gewezen door:

mr. J.A. Bik, voorzitter,

mr. I.L.P. Crombeen en mr. G.J. Holtkamp, leden,

in tegenwoordigheid van mr. A.C. Colceriu, griffier,

en is uitgesproken op 19 oktober 2007.