Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2007:BB5726

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
17-10-2007
Datum publicatie
17-10-2007
Zaaknummer
153243 - HA ZA 07-138
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdeling huwelijksgoederengemeenschap. Peildatum waardering woning na vernietiging van overeenkomst tot verdeling is de waarde ten tijde van de verdeling en niet de waarde ten tijde van het aangaan van de vernietigde overeenkomst tot verdeling.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 1
Burgerlijk Wetboek Boek 1 158
Burgerlijk Wetboek Boek 3
Burgerlijk Wetboek Boek 3 182
Burgerlijk Wetboek Boek 3 196
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JPF 2008/3
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK 'S-HERTOGENBOSCH

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 153243 / HA ZA 07-138

Vonnis van 17 oktober 2007

in de zaak van

[K],

wonende te [woonplaats],

eiser in conventie,

verweerder in reconventie,

procureur mr. T.M. Subelack,

tegen

[W],

wonende te [woonplaats],

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

procureur mr. J.M.C. de Kok.

Partijen zullen hierna de man en de vrouw genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 11 april 2007

- het proces-verbaal van comparitie van 8 augustus 2007.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De beoordeling

in conventie en in reconventie

2.1. Partijen zijn in algehele gemeenschap van goederen gehuwd op 4 september 1992. Op 23 maart 2000 is de echtscheidingsbeschikking ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. Partijen vorderen ieder de verdeling van de gemeenschap vast te stellen op de door hem, respectievelijk haar aangegeven wijze. De vrouw vordert bovendien betaling van € 35.222,88, welke vordering de man heeft bestreden.

Echtelijke woning [adres].

2.2.1. De man stelt zich op het standpunt dat de woning per 13 augustus 1999, zijnde de dag waarop partijen het oorspronkelijk convenant hebben gesloten, gewaardeerd dient te worden, nu dat is overeengekomen en redelijk en billijk is. De waarde van de woning beliep op voormelde datum f. 400.000,--(€ 181.512,09). Tegen deze waarde wenst de man toedeling aan hem. De man voert aan dat hij niet de financiële middelen heeft om de woning tegen de huidige waarde over te nemen.

2.2.2. De vrouw gaat uit van de in de rechtspraak gehanteerde hoofdregel dat de waardering per datum verdeling dient plaats te vinden. Deze waarde wordt door de vrouw gesteld op € 317.000,--. Indien de man de woning niet tegen deze waarde wil overnemen, dan wil de vrouw dat wel.

Overeenkomst peildatum waardering?

2.3. Ter onderbouwing van zijn standpunt voert de man allereerst aan dat partijen 13

augustus 1999 als waarderingsmoment zijn overeengekomen. De man wijst hierbij op de overweging in het tussen partijen gewezen vonnis van deze rechtbank van 3 april 2002 onder 4.2, welke overweging inhoudt dat uit de stellingen van partijen volgt dat zij beiden uitgaan van de datum waarop het convenant is gesloten als peildatum voor de waardebepaling van de gemeenschap.

Deze onderbouwing is onvoldoende. Immers slechts voor de beoordeling van de vraag in die procedure, namelijk of de vrouw door het convenant van 13 augustus 1999 voor meer dan 25% was benadeeld, is voor de waardebepaling van de gemeenschap uitgegaan van de datum van het convenant.

2.4. Het betoog van de man, dat hij de verklaringen en gedragingen van de vrouw, te weten het verlaten van de woning en het betalen van de lasten van de woning door de man, kon opvatten als een aanbod tot toedeling van de woning aan hem, welk aanbod hij heeft aanvaard, wordt verworpen. Immers nu de vrouw al op 30 augustus 1999 de nietigheid van het convenant heeft ingeroepen en daarover vervolgens een vordering heeft ingesteld bij de rechtbank, mocht de man er niet op vertrouwen dat de vrouw een verdeling per 13 augustus 1999 heeft aangeboden.

Redelijke en billijke peildatum waardering?

2.5. De vrouw heeft op 30 augustus 1999 de nietigheid van voormeld convenant

ingeroepen. Bij vonnis van deze rechtbank van 3 april 2002 is op vordering van de vrouw voormeld convenant vernietigd omdat benadeling voor meer dan een vierde is bewezen zodat vermoed wordt dat de vrouw over de waarde van de te verdelen goederen heeft gedwaald. Het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch heeft op het appel van de man bij arrest van 1 maart 2005 het vonnis van de rechtbank bekrachtigd met wijziging en aanvulling van gronden en de man in de kosten van het hoger beroep veroordeeld.

Gelet op het voorgaande moet worden vastgesteld dat de vrouw vrijwel onmiddellijk na het aangaan van het convenant de nietigheid daarvan heeft ingeroepen en dat de man zich ten onrechte vanaf dat moment van inroepen van de nietigheid van het convenant door de vrouw daartegen heeft verzet. Indien de vrouw tegelijkertijd met haar vordering tot vernietiging van het convenant vaststelling van de verdeling had gevorderd, dan zou, gezien het verzet van de man tegen de door de vrouw gewenste vernietiging van het convenant, de procedure tot verdeling zeker niet eerder zijn geëindigd dan met voormeld arrest van het gerechtshof, nu ook in dat geval toch allereerst beslist had moeten worden op de gevorderde vernietiging. Overigens was er ook voor de man geen enkele belemmering om zijnerzijds subsidiair vaststelling van de verdeling te vorderen. Op grond van het voorgaande wordt geconcludeerd dat met name door het verzet van de man tegen de door de vrouw sinds 30 augustus 1999 gevorderde vernietiging van het convenant -welk verzet van de man ten onterechte is gedaan zo is gebleken uit de uitspraak van het gerechtshof van 1 maart 2005- het vooral in de risicosfeer van de man ligt dat de verdeling niet in 1999 of daaromtrent tot stand is gekomen, althans niet veel eerder dan thans tot stand is gekomen.

Nu het gehele convenant is vernietigd en gezien het voorgaande, kan de man in redelijkheid geen beroep doen op de aan dat convenant ten grondslag liggende intenties of oogmerken van partijen om te verdelen tegen de waarden uit 1999.

2.6. De man voert in dit verband aan dat hij vanaf het uiteengaan van partijen op 26 juni

1999 alle lasten verbonden aan de woning heeft voldaan. Ook deze omstandigheid leidt niet tot een andere waarderingsdatum. Immers het vermogen van de vrouw is belegd in de woning en zij heeft gedurende de procedure over het convenant, welke eindigde op 1 maart 2005 en vanwege het blijven ontbreken van overeenstemming tussen partijen over de verdeling ook daarna, geen gelegenheid gehad haar aandeel in de overwaarde anders te beleggen. Het is dus, anders dan de man betoogt, niet onredelijk dat de vrouw meedeelt in de waardestijging van de woning tot heden. Het feit dat de vrouw vanaf 13 augustus 1999 niet meer in de lasten van de woning heeft gedeeld, geeft in redelijkheid wel aanleiding tot vergoeding door de vrouw aan de man van de helft van de door de man sindsdien betaalde eigenaarslasten.

Wat die eigenaarslasten betreft heeft de man in productie 10 bij antwoord in reconventie een overzicht van jaarlijkse vaste lasten en kosten in verband met de woning in het geding gebracht. Dit overzicht is vooralsnog onvoldoende om de eigenaarslasten te kunnen vaststellen. Hiertoe dient de man tevens de netto hypotheeklasten aan te geven. Daarbij dient hij uit te gaan van een hypothecaire schuld van € 58.991,43 in hoofdsom. Bovendien dient de man de posten door bescheiden aan te tonen. Verhoogde lasten als gevolg van de verbouwing na de ontbinding van het huwelijk dienen in deze opstelling buiten beschouwing te worden gelaten. De man wordt in de gelegenheid gesteld bij akte in conventie en in reconventie aan het voorgaande te voldoen. De vrouw mag hierop bij antwoordakte reageren.

Op de helft van de door de man betaalde eigenaarslasten dient echter weer in mindering te worden gebracht een door de man aan de vrouw verschuldigde redelijke vergoeding voor het aan de vrouw toekomende deel van de overwaarde, welke vergoeding op 2% van die overwaarde per jaar zal worden gesteld.

2.7. Voorts stelt de man dat de vrouw in 2000 een woning heeft gekocht, welke aankoop zij heeft kunnen financieren op basis van het convenant van 13 augustus 1999, namelijk doordat de vrouw in het convenant is ontslagen uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypotheekschuld op de woning en doordat zij geen alimentatie aan de man hoeft te betalen. De vrouw profiteert volledig van de waardestijging van de door haar met behulp van het convenant gekochte woning.

Ook deze stelling is onvoldoende. Voorop wordt gesteld dat de waardestijging van een goed dat niet in de voormalige gemeenschap van goederen van partijen valt, uiteraard geheel aan de vrouw toekomt.

De stelling van de man, dat de vrouw in het convenant is ontslagen uit voormelde aansprakelijkheid en dat de vrouw haar alimentatieverplichting jegens de man heeft afgekocht, brengt zonder nadere toelichting, die ontbreekt, niet mee dat als gevolg daarvan de vrouw in staat is geweest haar woning te financieren. Immers voor de financiering zullen vooral ook andere factoren van belang zijn, zoals het inkomen van de vrouw en haar gerechtigdheid tot de helft van de overwaarde van de voormalige echtelijke woning..

2.8. De man heeft ter onderbouwing van zijn beroep op de redelijkheid en billijkheid ook nog naar voren gebracht dat hij een overbedelingsuitkering aan de vrouw, gebaseerd op de huidige waarde van de woning niet kan financieren zodat de woning, waarin hij met zijn huidige partner en hun twee kinderen woont, zal moeten worden verkocht. Dit argument slaagt evenmin. Immers met het aan hem toekomende deel van de opbrengst van de woning, moet de man in staat worden geacht vergelijkbare, vervangende woonruimte aan te schaffen. Bovendien moet hier worden meegewogen dat weliswaar de man en zijn gezin zal moeten verhuizen, maar dit is het gevolg van het tijdsverloop en de daarmee gepaard gaande waardestijging, hetgeen, zoals hiervoor overwogen in de risicosfeer van de man ligt.

2.9. Tenslotte heeft de man nog naar voren gebracht dat de vrouw bij de waardering van andere zaken wel uitgaat van 13 augustus 1999 als peildatum. Dit brengt echter niet mee dat dit ook voor de woning dient te gelden.

2.10. Op grond van al het voorgaande faalt het beroep van de man om ingevolge de redelijkheid en billijkheid te waarderen naar 13 augustus 1999 en dient volgens de hoofdregel gewaardeerd te worden tegen het moment van verdeling.

2.11. De vrouw stelt de huidige waarde van de woning op € 319.000,--. Hieraan legt zij slechts ten grondslag dat partijen hierover onderhandeld hebben. Van welke waarderingsmaatstaf hierbij is uitgegaan is niet duidelijk. De man heeft slechts opgemerkt dat hij over de door de vrouw gestelde waarde niets kan zeggen. Gelet op het voorgaande vindt de rechtbank vooralsnog een deskundig oordeel over de huidige onderhandse verkoopwaarde vrij van huur en gebruik nodig. Hierbij dient de deskundige de door de man gestelde, na de ontbinding van het huwelijk verrichte verbouwing buiten beschouwing te laten. Naar het voorlopig oordeel van de rechtbank kan het deskundigenbericht door één makelaar worden uitgebracht, waarbij de kosten van het voorschot, nu partijen gewezen echtgenoten zijn, gelijkelijk gedeeld worden. Vanwege het vereiste overleg over het voorgaande en de persoon van de te benoemen deskundige, wordt de zaak naar de rol verwezen voor het nemen van een akte in conventie en in reconventie door de man en een antwoordakte in conventie en in reconventie door de vrouw.

2.12. Tenslotte dienen partijen, gelet op voormelde uitgangspunten voor de verdeling van de woning, zich in voormelde akten uit te laten of zij hun wens tot toedeling handhaven.

Hooge Huijs Levensverzekeringen N.V. polisnr. [nummer].

2.13. Partijen zijn het er over eens dat deze, aan de hypotheeknemer verpande polis, voor de verdeling op € 6.429,61 dient te worden gewaardeerd. De rechten en verplichtingen uit hoofde van deze verzekering zal worden toegedeeld aan degene aan wie de woning zal worden toebedeeld, met de verplichting de helft daarvan aan de ander te vergoeden en de verzekeraar hierover te informeren.

Rozeker N.V. Polis Koopsomrekening [nummer].

2.14. Deze kan tegen een waarde van € 30.165,09 netto aan de vrouw worden toegedeeld, zo zijn partijen overeengekomen. De vrouw is dus wegens overbedeling ter zake gehouden de helft hiervan aan de man te vergoeden en de verzekeraar hierover te berichten.

Roparco spaar- en dividendrekening nr. [nummer]

2.15. Deze rekening dient door de vrouw te worden gecontinueerd, zo is niet langer in

debat. Tussen partijen staat vast dat, gezien de door het hof bepaalde waarde, het gelijkelijk te verdelen saldo € 33.307,47 bedraagt. Tussen partijen staat vast dat iedere partij reeds de helft hiervan heeft ontvangen, zodat geen aanleiding tot vergoeding of verrekening bestaat.

Aandelen ABN AMRO rekeningnr. [nummer].

2.16. Het standpunt van de man, dat deze aandelen gewaardeerd dienen te worden per 13 augustus 1999 wordt verworpen. Immers zoals hiervoor is overwogen is er geen overeenkomst tussen partijen die hiertoe noopt. Evenmin is het door de man gestelde beheer en beschikking over deze rekening door de vrouw reden om op grond van redelijkheid en billijkheid te waarderen per 13 augustus 1999.

Uit een overgelegd rekeningafschrift blijkt dat de aandelen zijn geconverteerd en verkocht voor een totaal bedrag van € 2.661,05. Deze opbrengst is op de rekening ten name van de vrouw ontvangen, zodat dit bedrag aan haar wordt toegedeeld onder de gehoudenheid de helft daarvan aan de man te vergoeden.

Hyundai Excell [nummer].

2.17. Nu uitsluitend de vrouw vanaf het uiteengaan van partijen in 1999 de auto heeft gebruikt en de waarde van de auto sindsdien is verminderd, terwijl het gebruik van de auto niet aan de man wordt vergoed is er op grond van de redelijkheid en billijkheid reden om af te wijken van de waardebepaling ten tijde van de verdeling. Het gerechtshof heeft in zijn arrest van 1 maart 2005 de waarde in 1999 tussen partijen vastgesteld op € 10.436,94, zodat daarvan wordt uitgegaan. De vrouw dient de helft hiervan aan de man te vergoeden.

Erfenis vader man.

2.18. Tussen partijen is niet in discussie dat deze erfenis aan de man moet worden toegedeeld. De door de man opgegeven waarde van € 20.167,35 wordt overgenomen. Immers in het tussen partijen gewezen arrest van het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch van

1 maart 2005 is in 12.14. overwogen dat partijen niet van mening verschillen over het aandeel van de man in de nalatenschap ad f. 44.442,90. Gelet hierop wordt de stelling van de vrouw, dat zij nooit bewijsstukken van de erfenis heeft ontvangen, als een onvoldoende betwisting van de door de man gestelde waarde beschouwd. De man is gehouden de helft van voormelde waarde te vergoeden aan de vrouw.

Spaarbeleg [nummer].

2.19. Dit wordt aan de man toegedeeld, zo is niet in geschil. De waarde hiervan wordt bepaald op € 3.947,89, zodat de vrouw recht heeft op vergoeding van de helft daarvan. Ter zitting heeft de vrouw weliswaar verklaard dat zij geen bewijsstukken hiervan heeft gezien, maar nu in 12.14 van het arrest van het gerechtshof van 1 maart 2005 een waarde is vastgesteld van f. 8.700,--, is voormelde betwisting van de vrouw onvoldoende.

Spaarloon [X]

2.20. Dit door de vrouw bij haar werkgeefster gespaarde loon ten bedrage van € 3.276,22 wordt, zo is niet in debat, aan de vrouw toebedeeld. De vrouw is dus gehouden de helft daarvan te vergoeden aan de man.

Bankrekening Luxemburg.

2.21. Partijen zijn het met elkaar eens over toedeling hiervan aan de vrouw. Bij gebreke van andere bewijsstukken wordt de door het hof bepaalde waarde van f. 33.300,-- gevolgd. Dit komt overeen met € 15.110,88. De vrouw dient de helft hiervan aan de man te vergoeden.

Postbankrekening [nummer].

2.22. Het saldo hiervan wordt, gezien het arrest van het hof, bepaald op € 3.176,44. Deze wordt aan de vrouw toegedeeld, zodat zij de helft van voormeld bedrag aan de man moet vergoeden.

Lening Bouwfonds Hypotheken B.V. [nummer]

2.23. Deze lening zal gedragen moeten worden door degene aan wie het huis wordt toebedeeld. De hoofdsom bedraagt € 58.991,43, zoals het hof heeft bepaald, nu onweersproken is verklaard dat sinds de vaststelling door het hof van de geleende hoofdsom niets is bijgeleend.

Naheffing belasting.

2.24. Het betreft een aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen over 1998 ten laste van de vrouw. Deze aanslag ten bedrage van € 407,-- is gedagtekend 16 maart 2000. De man dient de helft hiervan te dragen en dus aan de vrouw te vergoeden. Zijn beroep op verjaring wordt verworpen nu ingevolge artikel 3:178 lid 1 BW te allen tijde verdeling kan worden gevorderd, in welk vordering deze aanslag is betrokken.

Inboedel.

2.25. Nu in 12.12. van het arrest van het hof van 1 maart 2005 is overwogen dat de vrouw zich conformeert aan de vermelding door de man in een akte dat hij f. 4.112,-- wegens overbedeling met betrekking tot de inboedel aan de vrouw heeft betaald, wordt de stelling van de vrouw in deze procedure, dat dit bedrag niet is betaald, verworpen en zal haar vordering dus worden afgewezen.

Salaris vrouw.

2.26. Het salaris over juli en augustus 1999 van in totaal € 3.473,01 is, toen de samenwoning tussen partijen was verbroken, gestort op de Postbankrekening [nummer], welke op naam van beide partijen stond. De vrouw vordert dit salaris terug. De man heeft tot een bedrag van € 307,41 aangetoond dat ook na het feitelijk uiteengaan van partijen betalingen ten behoeve van de vrouw van deze en/of rekening zijn gedaan. Deze betalingen ten behoeve van de vrouw kunnen met het gevorderde salaris worden verrekend. De man dient derhalve aan de vrouw te betalen € 3.165,60.

2.27. Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

2.28. Tegen dit vonnis zal hoger beroep worden toegelaten.

3. De beslissing

De rechtbank

in conventie en in reconventie

3.1. verwijst de zaak naar de rolzitting van 31 oktober 2007 voor het nemen van een akte in conventie en in reconventie als bedoeld in 2.6, 2.11 en 2.12. door de man,

3.2. bepaalt dat de vrouw op de rolzitting van 14 november 2007 een antwoordakte in conventie en in reconventie mag nemen,

3.3. houdt iedere verdere beslissing aan en

3.4. bepaalt dat partijen van dit vonnis hoger beroep kunnen instellen.

Dit vonnis is gewezen door mr. O.G.H. Milar, H.M. Hettinga en S. ter Braak en in het openbaar uitgesproken op 17 oktober 2007.