Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2007:BB5292

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
27-08-2007
Datum publicatie
10-10-2007
Zaaknummer
162096 / JE RK 07-1426
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Afwijzing van het verzoek tot ondertoezichtstelling dat is ingediend door de Raad voor de Kinderbescherming.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ‘s-HERTOGENBOSCH

Sector Civiel recht

Zaaknummer: 162096 / JE RK 07-1426

Uitspraak: 27 augustus 2007

Inzake: Ondertoezichtstelling

Beschikking van de kinderrechter in de rechtbank 's-Hertogenbosch, gegeven met betrekking tot de minderjarigen:

[minderjarige 1], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

[minderjarige 2], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

kinderen van:

[vader] en [moeder],

rechtens wonende te [adres].

De procedure

Op 12 juli 2007 is ter griffie van deze rechtbank ingekomen een verzoekschrift (met bijlagen) van de Raad voor de Kinderbescherming te [plaatsnaam], strekkende tot ondertoezichtstelling van voornoemde minderjarigen.

Als belanghebbenden worden aangemerkt:

- vader;

- moeder;

alsmede na te melden gezinsvoogdij-instelling.

De kinderrechter heeft kennisgenomen van het verweerschrift van mr. M.A.E.M. Muurmans, namens de ouders, ingekomen ter griffie op 16 augustus 2007.

Op 20 augustus 2007 heeft de kinderrechter het verzoekschrift ter zitting met gesloten deuren behandeld. Bij die gelegenheid zijn gehoord verzoeker, alsmede vader, moeder bijgestaan door advocaat mr. Muurmans en een vertegenwoordiger van na te melden gezinsvoogdij-instelling.

Van het verhandelde ter zitting is proces-verbaal opgemaakt.

De beoordeling

Vast staat dat [minderjarige 1] betrokken is geweest bij sexueel grensoverschrijdend gedrag, mogelijk sexueel misbruik door buurtgenoten in de vroegere woonplaats van het gezin. De werkelijke toedracht is niet vast komen te staan en ook over het aandeel van [minderjarige 1] (slachtoffer en/of dader) bestaat geen duidelijkheid.

Het verzoek is gebaseerd op een door de Raad ingesteld onderzoek naar de leef- en opvoedingssituatie van beide minderjarigen. Aanleiding voor het onderzoek waren zorgen over genoemd sexueel misbruik en de verwerking daarvan binnen het gezin.

De Raad heeft uit dit onderzoek geconcludeerd dat het ontwikkelingsverloop van de minderjarigen door de huidige gezinssituatie zorgelijk is. [minderjarige 1] is angstig en hangt erg aan zijn ouders. Hoewel het onderzoek zich met name op [minderjarige 1] richtte, wordt er voor [minderjarige 2] ook een ondertoezichtstelling verzocht, omdat ook zij deel uit maakt van het gezin en derhalve hierdoor beïnvloed wordt. De Raad is de mening toegedaan dat de ernst en de mate waarin er sprake is geweest van seksueel misbruik vertroebeld is geraakt en dat er bij ouders een dusdanige angst en bescherming is ontstaan die te ver gaat en zijn weerslag heeft op de kinderen. De ouders hebben hun kinderen te weinig leiding gegeven en zijn te veel meegegaan in hun verhalen. De kinderen zijn kwetsbaar in sociaal-emotioneel opzicht en hebben derhalve begeleiding nodig. De Raad betwijfelt ernstig of de ouders zelfstandig de geïndiceerde hulp zullen inschakelen en acht om die reden begeleiding door een gezinsvoogd zeer wenselijk. De reeds ingezette hulpverlening door ouders kan hiernaast blijven bestaan en een gezinsvoogd zal een ondersteunende rol vervullen.

Van de zijde van ouders wordt gesteld dat zij het vertrouwen in Bureau Jeugdzorg zijn verloren door onbeantwoorde hulpvragen uit het verleden. Zij hebben er moeite mee dat vertrouwen te herstellen. Zij geven aan zich bewust te zijn van de noodzaak van hulpverlening. Momenteel worden zij op advies van en in overleg met hun huisarts begeleid door SPEL (samenwerkende psychologen eerste lijn) middels een vorm van hulpverlening die zich richt op zowel de ouders als op [minderjarige 1]. Het hulpverleningstraject wordt door de huisarts op afstand gevolgd. Mocht in de toekomst een andere vorm van hulp ook nog noodzakelijk blijken, dan zijn zij hiertoe bereid. Zij zijn het niet eens met de mening van de Raad omtrent ‘overbescherming’. Zij geven wel aan dat het gebeurde zeker impact heeft gehad. Zij merken dat hun kinderen, en met name [minderjarige 1], op dit moment nog veiligheid en begeleiding in de vorm van nabijheid van zijn ouders vraagt. Zij bieden deze waarbij zij hun kinderen pas loslaten op het moment dat zij merken dat de kinderen daar aan toe zijn.

De kinderrechter overweegt dat zij niet door de argumentatie van de Raad is overtuigd van de noodzaak van een ondertoezichtstelling op dit moment. Zij erkent dat de ouders blijk geven van een grote bezorgdheid over hetgeen [minderjarige 1] is overkomen. Het valt zeker niet uit te sluiten dat bij de ouders in eerste instantie sprake is geweest van een overreactie waardoor het probleem groter geworden zou kunnen zijn dan het in werkelijkheid is geweest. De kinderrechter vindt echter in het rapport van de Raad en in de ontwikkelingen nadien onvoldoende objectieve aanknopingspunten voor het standpunt dat de ouders in die houding blijven hangen op een wijze die voor beide minderjarigen nadelig is.

Uit het rapport van de Raad blijkt dat de kinderen zich na de verhuizing op de nieuwe school na een moeizame start momenteel positief ontwikkelen.

Daarnaast geven de ouders aan dat zij het belangrijk vinden dat er rust komt voor de kinderen en dat [minderjarige 1] de kans krijgt het gebeurde te verwerken en een plekje te geven. Zij hebben om die reden ook vrede met de beslissing van de Officier van Justitie om de aangifte van sexueel misbruik te seponeren en accepteren dat de waarheid over wat er nu precies is gebeurd nooit boven water zal komen.

Verder is van belang dat de ouders actief hebben gezocht naar hulp voor [minderjarige 1] en dat zij vertrouwen hebben in het hulpverleningstraject dat inmiddels via de huisarts is opgestart en waarin zij ook zelf als ouders worden begeleid. De ouders staan open voor deze hulpverlening en zijn bereid om, mocht dat nodig blijken, verdere hulp te accepteren.

Het voorgaande duidt erop dat het gezin in rustiger vaarwater is gekomen, dat de ouders een start hebben gemaakt om, met hulp van gekwalificeerde derden, het gebeurde achter zich te laten en dat de kinderen daar positief op reageren.

De kinderrechter meent dat de huidige situatie is gebaat bij rust en dat het gestarte hulpverleningstraject onder begeleiding van de huisarts een kans verdient. Zij acht niet uitgesloten dat een ondertoezichtstelling waarvan de ouders aangeven dat zij daar geheel niet achter kunnen staan alleen al daarom zoveel spanning teweegbrengt dat daardoor het tegenovergestelde wordt bereikt van hetgeen ermee werd beoogd.

De kinderrechter is dan ook van oordeel, gezien het voorgaande, dat het verzoek moet worden afgewezen.

De beslissing

De kinderrechter:

- wijst het verzoek af.

Aldus gegeven te 's-Hertogenbosch door mr. A.E.M. Effting-Zeguers, vice-president, tevens kinderrechter en uitgesproken ter openbare zitting van 27 augustus 2007, in tegenwoordigheid van de griffier.