Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2007:BB4800

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
20-09-2007
Datum publicatie
04-10-2007
Zaaknummer
AWB 06/2617, 06/2618
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Verweerder heeft het bestreden besluit enkel gepubliceerd in huis-aan-huisblad en dus niet bekendgemaakt als bedoeld in artikel 3:41, eerste lid, van de Awb. Strikte toepassing van bedoeld artikellid leidt ertoe dat verweerder besluit enkel aan zichzelf, in zijn hoedanigheid als aanvrager van de vrijstelling, bekend had moeten maken, hetgeen niet onmogelijk maar de facto ver gezocht is, en - belangrijker - voor derden niet of nauwelijks controleerbaar. In het licht van deze omstandigheden acht de voorzieningenrechter publicatie in huis-aan-huisblad als een juiste vorm van bekendmaking en heeft verweerder terecht toepassing gegeven aan artikel 3:41, tweede lid, van de Awb. Publicatiedatum is maatgevend voor de aanvang van de beroepstermijn, dus geen sprake van termijnoverschrijding. Dat verweerder nagelaten heeft een besluit aan verzoeker te verzenden en niet heeft voldaan aan artikel 3:44, tweede lid, onder b. van de Awb betekent niet dat het besluit niet in werking is getreden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ’s-HERTOGENBOSCH

Sector bestuursrecht

Zaaknummer:

AWB 06/2617 VV

AWB 06/2618

Uitspraak van de voorzieningenrechter van 20 september 2007

inzake

[Verzoeker],

te [woonplaats],

verzoeker,

tegen

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Laarbeek,

verweerder,

gemachtigden M.L.M. van Heijnsbergen, J.C.D. van Wetten en H.A.F. van Helvoirt.

Belanghebbende partij ingevolge artikel 8:26 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb):

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Laarbeek (hierna te noemen: derdebelanghebbende),

gemachtigden zoals hiervoor genoemd.

Procesverloop

Bij besluit van 19 juni 2007 heeft verweerder aan derdebelanghebbende vrijstelling ingevolge artikel 19, eerste lid, van de WRO verleend voor het bouwrijp maken van de grond waarop het woningbouwplan De Beekse Akkers (1e fase) wordt gerealiseerd, ten zuiden van de Lieshoutseweg te Beek en Donk.

Tegen dit besluit heeft verzoeker bij brief van 7 augustus 2007 beroep ingesteld bij de rechtbank.

Bij brief van diezelfde datum heeft verzoeker de voorzieningenrechter verzocht terzake een voorlopige voorziening te treffen als bedoeld in artikel 8:81 van de Awb.

De zaken zijn behandeld ter zitting van 6 september 2007, alwaar verzoeker is verschenen. Verweerder en derdebelanghebbende hebben zich ter zitting doen vertegenwoordigen door hun gemachtigden.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 8:81 van de Awb kan indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die in de hoofdzaak bevoegd is of kan worden op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

2. Ingevolge artikel 8:86 van de Awb kan de voorzieningenrechter, indien het verzoek wordt gedaan indien beroep is ingesteld bij de rechtbank en de voorzieningenrechter van oordeel is dat na de zitting als bedoeld in artikel 8:83, eerste lid, nader onderzoek niet meer kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak onmiddellijk uitspraak in de hoofdzaak doen.

3. De voorzieningenrechter is van oordeel dat zich hier een situatie voordoet als bedoeld in artikel 8:86 van de Awb en zal derhalve onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaak. Daarbij wordt opgemerkt dat partijen in de uitnodiging voor de zitting op de bevoegdheid van de voorzieningenrechter zijn gewezen om tevens uitspraak te doen in de aan het verzoek om voorlopige voorziening ten grondslag liggende hoofdzaak.

4. In dit geschil is de vraag aan de orde of verweerder terecht en op goede gronden vrijstelling heeft verleend ten behoeve van het bouwrijp maken van grond waarop het woningbouwplan De Beekse Akkers (1e fase) wordt gerealiseerd.

5. Bij de beoordeling van het geschil gaat de voorzieningenrechter uit van de volgende feiten en omstandigheden.

6. Het gebied waarop het bestreden vrijstellingsbesluit betrekking heeft en waar het woningbouwplan ontwikkeld zal worden, is gelegen ten zuiden van de kern Beek en Donk. Het gebied moet uiteindelijk ruimte bieden voor de bouw van indicatief 750 tot 850 woningen, gefaseerd over een periode van 15 jaar. Bij de onderhavige aanvraag is een bouwrijptekening gevoegd, waarin de noodzakelijke werkzaamheden voor het bouwrijp maken zijn aangeduid, te weten de ligging van de bouwstraten en de riolering, de kabels en leidingen voor nutsbedrijven, het nieuwe maaiveldniveau, de situering van de (tijdelijke) lichtmasten en de ontgravingsdiepte van de bergingsvijver.

In het kader van de te volgen uniforme openbare voorbereidingsprocedure heeft het ontwerpbesluit met ingang van 18 december 2006 tot en met 29 januari 2007 gedurende 6 weken ter inzage gelegen, waarbij de mogelijkheid is geboden een zienswijze kenbaar te maken. Hiervan is door - onder meer - verzoeker gebruik gemaakt.

De raad van verweerders gemeente heeft ten behoeve van de ontwikkeling van het onderhavige gebied een voorontwerp-bestemmingsplan ‘De Beekse Akkers’ ontwikkeld, waarover de Provinciale Planologische Commissie inmiddels positief heeft geadviseerd.

7. Alvorens toe te kunnen komen aan de beoordeling van de vraag of het besluit van 19 juni 2007 in stand zal kunnen blijven en of in verband hiermee een voorlopige voorziening als verzocht dient te worden getroffen, ziet de voorzieningenrechter zich allereerst gesteld voor de vraag of verzoeker kan worden ontvangen in zijn verzoek.

8. Ingevolge artikel 3:40 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) treedt een besluit niet in werking voordat het is bekendgemaakt.

Ingevolge artikel 3:41, eerste lid, van de Awb geschiedt bekendmaking van besluiten die tot een of meer belanghebbenden zijn gericht, ervan door toezending of uitreiking aan hen, onder wie begrepen de aanvrager.

Artikel 3:41, tweede lid, van de Awb bepaalt dat indien de bekendmaking van het besluit niet kan geschieden op de wijze als voorzien in het eerste lid, zij geschiedt op een andere wijze.

Ingevolge artikel 3:42, eerste lid, van de Awb geschiedt de bekendmaking van besluiten die niet tot een of meer belanghebbenden zijn gericht, door kennisgeving van het besluit of van de zakelijke inhoud ervan in een van overheidswege uitgegeven blad of een dag-, nieuws- of huis-aan-huisblad, dan wel op een andere geschikte wijze.

Ingevolge artikel 3:43, eerste lid, van de Awb wordt tegelijkertijd met of zo spoedig mogelijk na de bekendmaking van het besluit mededeling gedaan aan degenen die bij de voorbereiding ervan hun zienswijze naar voren hebben gebracht.

Ingevolge artikel 3:44, eerste lid, van de Awb geschiedt de mededeling, bedoeld in artikel 3:43, eerste lid, indien bij de voorbereiding van het besluit toepassing is gegeven aan afdeling 3.4,

a. met overeenkomstige toepassing van de artikelen 3:11 en 3:12, eerste of tweede lid, en derde lid, onderdeel a, met dien verstande dat de stukken ter inzage liggen totdat de beroepstermijn is verstreken, en

b. door toezending van een exemplaar van het besluit aan degenen die over het ontwerp van het besluit zienswijzen naar voren hebben gebracht.

9. De voorzieningenrechter stelt op grond van de stukken en verhandelde ter zitting vast dat verweerder het bestreden vrijstellingsbesluit op 29 juni 2007 enkel in het huis-aan-huisblad ‘De Laarbeker’ heeft gepubliceerd en dat hij het besluit niet als bedoeld in artikel 3:41, eerste lid, van de Awb heeft bekendgemaakt.

De voorzieningenrechter overweegt dat strikte toepassing van laatstgenoemd artikellid in casu ertoe leidt dat verweerder het besluit enkel aan zichzelf, te weten in zijn hoedanigheid als aanvrager van de vrijstelling, bekend had moeten maken, hetgeen naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet onmogelijk maar de facto ver gezocht is, en - belangrijker - bovendien voor derden niet of nauwelijks controleerbaar.

10. De voorzieningenrechter houdt het er hierom voor dat verweerder toezending of uitreiking van het vrijstellingsbesluit aan zichzelf niet opportuun heeft geacht en om die reden door publicatie in ‘De Laarbeker’ toepassing heeft gegeven aan 3:41, tweede lid, van de Awb. Hoewel, zo blijkt uit de geschiedenis van haar totstandkoming, met de in artikel 3:41, tweede lid, van de Awb neergelegde bekendmakingregeling beoogd is een regeling te geven “voor het geval de gewone bekendmaking door toezending of uitreiking aan de belanghebbende(n) niet mogelijk is, bijvoorbeeld omdat zijn identiteit of adres onbekend is” (nota naar aanleiding van het verslag bij de wet houdende de derde tranche van de Algemene wet bestuursrecht, Kamerstukken II 1994-1995, 23 700, nr. 5, p. 4) , acht de voorzieningenrechter - in het licht van de hiervoor geschetste omstandigheden - publicatie in het huis-aan-huisblad als een juiste vorm van bekendmaking. Uit het voorgaande volgt dat de publicatiedatum van 29 juni 2007 in casu maatgevend is voor de aanvang van de beroepstermijn, zodat derhalve geen sprake is van een termijnoverschrijding van het ingestelde beroep.

11. De voorzieningenrechter stelt voorts op grond van de stukken en verhandelde ter zitting vast dat verweerder nagelaten heeft een exemplaar van het besluit aan verzoeker te zenden. Dat aldus niet voldaan aan het bepaalde van artikel 3:44, tweede lid, onder b. van de Awb, betekent evenwel niet dat het besluit niet in werking is getreden, en kan aan het hiervoor overwogene niet afdoen.

12. Uit het voorgaande volgt dat verzoeker tijdig beroep bij de rechtbank heeft ingesteld, zodat hij evenzeer in zijn verzoek om een voorlopige voorziening ontvankelijk moet worden geacht. De voorzieningenrechter zal aldus overgaan tot een beoordeling van het bestreden besluit.

13. Het wettelijk kader geldt in dit verband als volgt.

14. Ingevolge artikel 40, eerste lid, van de Woningwet (Ww) is het verboden te bouwen zonder of in afwijking van een vergunning van burgemeester en wethouders (bouwvergunning).

Ingevolge artikel 44, eerste lid, van de Ww mag slechts en moet de reguliere bouwvergunning worden geweigerd indien het bouwen, waarop de aanvraag betrekking heeft in strijd is met - zakelijk weergegeven -:

a. het Bouwbesluit 2003,

b. de gemeentelijke bouwverordening,

c. het bestemmingsplan,

d. de redelijke eisen van welstand, of

e. wanneer een ingevolge de Monumentenwet 1988 of een provinciale of gemeentelijke monumentenverordening benodigde vergunning ontbreekt.

Ingevolge de ter plaatse vigerende bestemmingsplan ‘Beek Zuid-Oost II’, ‘Beekenland’ en ‘Buitengebied’ rusten op de onderhavig percelen de bestemmingen

- ‘Agrarisch gebied II’, ‘Tuin’ en ‘Wegen c.a..’ (bestemmingsplan Beek Zuid-Oost II);

- ‘Landschappelijk waardevol gebied’ en ‘Onverharde weg‘ (bestemmingsplan Beekenland);

- ‘Agrarisch gebied met landschappelijk/cultuurhistorische en/of abiotische waarden’ en ‘Verkeersdoeleinden’ (bestemmingsplan Buitengebied).

Niet in geschil is dat de onderhavige werkzaamheden met de ter plaatse vigerende bestemmingen in strijd zijn.

Ingevolge artikel 46, derde lid, van de Ww - voor zover hier van belang - wordt een aanvraag om bouwvergunning, die slechts kan worden ingewilligd na vrijstelling als bedoeld in de artikelen 15, 17 of 19 van de WRO, geacht mede een verzoek om zodanige vrijstelling in te houden.

Krachtens artikel 19, eerste lid, van de WRO - zoals deze luidt na inwerkingtreding op 3 april 2000 van de Wet van 1 juli 1999, houdende wijziging van de WRO (Stb. 1999, 302) -, voor zover hier van belang, kan de gemeenteraad, ten behoeve van de verwezenlijking van een project, vrijstelling verlenen van het geldende bestemmingsplan, mits dat project is voorzien van een goede ruimtelijke onderbouwing en vooraf van gedeputeerde staten de verklaring is ontvangen, dat zij tegen het verlenen van vrijstelling geen bezwaar hebben. Onder een goede ruimtelijke onderbouwing wordt bij voorkeur een gemeentelijk of intergemeentelijk structuurplan verstaan. Indien er geen structuurplan is of wordt opgesteld, wordt bij de ruimtelijke onderbouwing in elk geval ingegaan op de relatie met het geldende bestemmingsplan, dan wel wordt er gemotiveerd waarom het te realiseren project past binnen de toekomstige bestemming van het betreffende gebied. De gemeenteraad kan de in de eerste volzin bedoelde vrijstellingsbevoegdheid delegeren aan burgemeester en wethouders.

15. De voorzieningenrechter stelt op grond van de gedingstukken vast dat bij besluit van 18 september 2003 de raad van verweerders gemeente aan verweerder de bevoegdheid heeft overgedragen tot het verlenen van vrijstelling overeenkomstig artikel 19, eerste lid, van de WRO.

16. Voorts stelt de voorzieningenrechter vast dat gedeputeerde staten op 12 juni 2007

hebben besloten de vereiste verklaring van geen bezwaar ten aanzien van het onderhavige project te verlenen, terwijl het project voorzien is van een ruimtelijke onderbouwing, te weten het ‘Masterplan de Beekse Akkers’ (hierna te noemen: het Masterplan).

17. Uit de Memorie van Toelichting bij artikel 19 WRO blijkt dat het vrijstellingsbesluit de visie moet bevatten op de toekomstige ruimtelijke ontwikkeling van het betrokken gebied, waarbinnen het project moet passen en de ruimtelijke effecten van het project op de omgeving. De ruimtelijke onderbouwing hoeft niet in alle gevallen even omvangrijk te zijn. Deze zal in algemene zin onder meer afhankelijk zijn van de mate van ingrijpendheid van het betreffende bouwplan.

18. De tekst van de tweede volzin van artikel 19 van de WRO biedt de gelegenheid om de ruimtelijke onderbouwing te beperken tot een motivering waarom het te realiseren project past binnen de toekomstige bestemming van het betreffende gebied. In samenhang bezien met hetgeen hierover in de Memorie van Toelichting is beschreven is, naar het oordeel van de voorzieningenrechter, in het onderhavige geval, mede gelet op de omvang en de ingrijpendheid van het betreffende bouwplan, in voldoende mate aandacht besteed aan de toekomstige ontwikkeling van het betreffende gebied, zulks in relatie met de vigerende bestemming. De uitvoerige ruimtelijke onderbouwing van het vrijstellingsbesluit kan de rechterlijke toets derhalve doorstaan.

19. Voorts overweegt de voorzieningenrechter dat het verlenen van vrijstelling een discretionaire bevoegdheid van verweerder is, hetgeen betekent dat aan verweerder zekere vrijheid toekomt. Bij het uitoefenen van deze bevoegdheid dient verweerder de bij het besluit betrokken belangen af te wegen.

20. Verzoeker heeft in zijn beroepschrift en ter zitting - hier samengevat en zakelijk weergegeven - in dit verband het navolgende aangevoerd.

21. Verzoeker stelt zich op het standpunt dat de voorgenomen peilverhoging van percelen en wegen een onaanvaardbare aantasting vormt van de oorspronkelijke cultuur van het plangebied en tot een onherstelbaar verlies leidt van de daarin voorkomende cultuurhistorische en landschappelijke waarden. Volgens verzoeker ontbeert het Masterplan een motivering en onderbouwing van de voorgenomen peilverhogingen van percelen en wegen.

Verzoeker heeft er voorts op gewezen dat de peilverhoging tot gevolg heeft dat zijn huisperceel in een gat komt te liggen. Om wateroverlast voor zijn perceel te voorkomen zal verzoeker noodzakelijkerwijs aanvullende maatregelen moeten treffen, zoals het verbreden en verdiepen van sloten, waarin het plan voor het bouwrijp maken van de grond niet voorziet.

Voorts acht verzoeker het bouwrijp maken van de grond ten behoeve van een wooncomplex, waarvan de planologische haalbaarheid nog lang niet vast staat, prematuur.

In zijn beroepschrift heeft verzoeker nog aangevoerd dat de omstandigheid dat een weg op het huidige tracé is geprojecteerd, allerminst betekent dat geen onaanvaardbare afbreuk wordt gedaan aan cultuurhistorische en landschappelijke waarden. De werkzaamheden daaromtrent voorzien in een verbreding van de bestaande, deels onverharde wegen en verbindingen voor langzaam verkeer.

Dat een geohydrologisch onderzoek en een rioolberekening is uitgevoerd wil nog niet zeggen dat de peilverhoging het enige middel is om het beoogde doel - de realisering van een duurzaam watersysteem - te bereiken. In het Masterplan wordt dan ook aangegeven dat in het lage, oostelijke gedeelte van het plangebied een ontwateringsysteem moet worden toegepast en/of ophoging van het maaiveld moet plaatsvinden. Verweerder heeft daarentegen niet gemotiveerd waarom wordt gekozen voor de methodiek van peilverhoging.

Verzoeker bestrijdt verweerders standpunt dat verzoekers perceel lager is gelegen en dat ten gevolge van het bouwrijp maken geen wezenlijk nieuwe situatie ontstaat. Volgens verzoeker zal het peil van belendende percelen die zullen worden aangewend ten behoeve van woningbouwdoeleinden, minstens 0,50 meter hoger komen te liggen dan het maaiveld van verzoekers perceel. Verzoeker zal daaromtrent de nodige maatregelen moeten treffen, waarin evenwel het Masterplan niet voorziet. Volgens verzoeker dient verweerder deze maatregelen te treffen, gelijktijdig met de andere werkzaamheden.

Verzoeker heeft voorts aangevoerd dat de uit te voeren werkzaamheden geen andere of inhoud mogen hebben dan in het Masterplan is omschreven. Volgens verzoeker vloeit zulks voort uit de aard van het vrijstellingbesluit dat immers een gebonden beschikking betreft, met een gelimiteerde werkingssfeer.

Verzoeker heeft er voorts op gewezen dat de situering van de nieuwe weg tussen Mauritsstraat en Nassaustraat zoals in het plan voor het bouwrijp maken is weergegeven, afwijkt van die van het Masterplan. Gelet hierop kan het Masterplan niet meer worden aangemerkt als een goede ruimtelijke onderbouwing.

Anders dan verweerder heeft overwogen valt uit de plannen voor het bouwrijp maken van de grond te herleiden dat een appartementengebouw tegenover verzoekers woning wordt gerealiseerd. Dienaangaande heeft verzoeker gewezen op een tekening waarop volgens zijn zeggen onmiskenbaar een eiland bestemd voor de oprichting van een appartementencomplex, is aangegeven. Deze tekening maakt onderdeel uit van het vrijstellingsbesluit.

Verzoeker wenst voorts de inhoud van zijn zienswijze gericht tegen het ontwerp-bestemmingsplan ‘De Beekse Akkers’ onverminderd en onverkort in zijn beroep op te nemen.

22. De voorzieningenrechter overweegt het navolgende.

23. De voorzieningenrechter stelt vast dat de grieven van verzoeker zich grotendeels toespitsen op de beoogde peilverhoging, zoals die is ingetekend op de bij het vrijstellingsbesluit behorende tekening. Dienaangaande heeft verweerder in het bestreden besluit overwogen dat de peilverhoging voortvloeit uit een geohydrologisch onderzoek en rioolberekening die – in het kader van het vooronderzoek ten behoeve van het Masterplan – door de firma Fugro is uitgevoerd. Verweerder heeft dienaangaande ter zitting zijn standpunt aangevuld en toegelicht dat het waterschap ‘Aa en Maas’ de eis heeft gesteld dat het huidige grondwaterregiem intact moet blijven, zoals ook is vermeld in paragraaf 2.1.7 van het Masterplan, onder het kopje ‘Waterbeleid’, zodat een structurele verlaging van de gemiddeld hoogste grondwaterstand niet is toegestaan. Gelet hierop is ontwatering en ophoging van het terrein en aanleg van aanvullende maatregelen ten behoeve van de ontwatering derhalve noodzakelijk.

Nu aldus het grondwaterregiem niet zal worden gewijzigd, acht verweerder het onwaarschijnlijk dat verzoeker te maken zal krijgen met meer wateroverlast, te meer nu in de toekomst een groot deel van het omliggende gebied verhard zal zijn en het hemelwater dat op deze verharde gebieden valt, via het nieuwe rioleringssysteem in een retentievijver afgevoerd zal worden. Dit betekent dat met de aanleg van deze retentievijver, ook voor verzoeker, extra berging voor de afvoer van water zal plaatsvinden, terwijl de bestaande sloten in ere worden hersteld.

24. De voorzieningenrechter komen de door verweerder gehanteerde uitgangspunten niet onaannemelijk voor, daarbij in aanmerking nemende dat verzoeker tegen bedoelde uitgangspunten uitsluitend zijn eigen opvattingen heeft geplaatst.

Immers, verzoeker heeft met betrekking tot de door hem aangevoerde grieven geen contra-expertise overgelegd die andere - dan de door verweerder getrokken - conclusies zou rechtvaardigen. Daarentegen heeft verweerder zijn standpunt aangaande de beoogde peilverhoging doen steunen op kennis en expertise van firma Fugro, die ter plaatse een geohydrologisch onderzoek en rioolberekening heeft verricht, terwijl verweerder bovendien is gebonden aan het door het waterschap ‘Aa en Maas’ gestelde vereiste dat de afwatering van de huidige percelen in stand moet blijven en dat het huidige grondwaterregiem intact moet blijven.

De voorzieningenrechter concludeert derhalve dat niet gebleken dat verweerders besluit op het punt van de beoogde peilverhoging op onzorgvuldige wijze tot stand is gekomen, dan wel dat het besluit op dit punt onvoldoende gemotiveerd is.

25. Voorts overweegt de voorzieningenrechter nog dat evenmin is gebleken dat door realisering van de peilverhoging de belangen van verzoeker op een onaanvaardbare wijze worden aangetast. Verweerder heeft, zoals hij ook uitdrukkelijk in het bestreden besluit heeft overwogen, ter zitting toegezegd dat - indien nodig - aanvullende maatregelen getroffen zullen worden teneinde eventuele wateroverlast op verzoekers perceel te voorkomen, waarmee naar het oordeel van de voorzieningenrechter de belangen van verzoeker in dit verband afdoende worden gewaarborgd.

26. Hetgeen voor het overige in dit verband door verzoeker naar voren is gebracht heeft de voorzieningenrechter niet tot een andere conclusie kunnen leiden. Verweerder heeft aan het belang tot het uitvoeren van de vrijstelling, waarmee het mogelijk wordt gemaakt om het terrein te ontwikkelen ten behoeve van woningbouw, en aan het bijzondere belang bij realisering van het bouwrijp maken van de grond, in redelijkheid een groter gewicht mogen toekennen dan aan de belangen welke verzoeker heeft aangevoerd om van de uitvoering van de werkzaamheden gevrijwaard te blijven.

Met betrekking tot verzoekers grief dat met het bouwrijp maken van de grond onaanvaardbare afbreuk wordt gedaan aan cultuurhistorische en landschappelijke waarden, heeft verweerder er terecht op gewezen dat de omstandigheid dat deze waarden van het huidige gebied niet (geheel) behouden kunnen blijven, inherent is aan de beoogde ontwikkeling van het gebied, van agrarisch terrein naar woongebied. Voor het overige overweegt de voorzieningenrechter in dit verband nog dat in het Masterplan, onder 4. ‘Beschrijving Stedenbouwkundig Masterplan’ veel aandacht is besteed aan - onder andere - de toekomstige landschappelijke inrichting van het gebied.

Dat de ligging van de weg tussen Mauritsstraat en de Nassaustraat afwijkt van de feitelijke (juiste) ligging van deze weg, kan overigens niet tot de conclusie leiden dat het Masterplan op dit punt op enigerlei wijze tekortschiet, laat staan dat het Masterplan niet aangemerkt kan worden als een goede ruimtelijke onderbouwing voor de ligging van de weg. De voorzieningenrechter kan zich vinden in verweerders standpunt dat het Masterplan dienaangaande een globaal karakter mag hebben, hetgeen op zichzelf niet strijdig is met artikel 19, eerste lid, van de WRO, zulks gelet op de strekking van deze bepaling dat het vrijstellingsbesluit de visie moet bevatten op de toekomstige ruimtelijke ontwikkeling van het betrokken gebied.

Ook overigens vermag de voorzieningenrechter niet in te zien dat verzoeker door een onjuiste intekening van de betreffende weg op de kaart op enigerlei wijze in zijn belangen is geschaad.

27. Ten aanzien van verzoekers grief betreffende de mogelijke realisering van het appartementencomplex op het schiereiland in de retentievijver, heeft verweerder ter zitting toegelicht dat, hoewel er weliswaar plannen zijn om daar te bouwen, in het geheel nog niet vaststaat dat het schiereilandje bebouwd zal worden en dat pas met de vaststelling van het nieuwe bestemmingsplan de vigerende bestemming ingevuld zal worden. Met verweerder is de voorzieningenrechter van oordeel dat de vraag of de besluitvorming omtrent de toekomstige bestemming van het eilandje thans niet in geding is.

28. Gelet op al het voorgaande komt de voorzieningenrechter tot de conclusie dat er geen grond is voor het oordeel dat verweerder in redelijkheid geen doorslaggevend belang had mogen hechten aan een spoedige realisering van het plan.

29. Het beroep van verzoeker gericht tegen het besluit van 19 juni 2007 zal derhalve ongegrond worden verklaard.

30. Gezien het gegeven dat een beslissing in de hoofdzaak wordt genomen is geen grond meer aanwezig tot het treffen van een voorlopige voorziening.

31. Voor een veroordeling in de proceskosten zijn geen termen aanwezig.

32. Mitsdien wordt beslist als volgt.

Beslissing

De voorzieningenrechter,

- verklaart het beroep ongegrond;

- wijst het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening af.

Aldus gedaan door mr. P.H.C.M. Schoemaker als voorzieningenrechter en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. A.F. Hooghuis op 20 september 2007.

Partijen kunnen tegen deze uitspraak - voor zover daarin is beslist op het ingestelde

beroep - binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019,

2500 EA Den Haag.

Afschriften verzonden: