Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2007:BB4747

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
04-10-2007
Datum publicatie
04-10-2007
Zaaknummer
01/994094-06
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling van fiscaal adviseur terzake artikel 69 lid 2 Algemene wet inzake rijksbelastingen.

In de belastingaangifte is een toelichting op een standpunt gegeven. Daarbij is een onjuiste voorstelling van zaken gegeven en is verdachte niet volledig geweest. Geen sprake van een pleitbaar standpunt nu verdachte cruciale inlichtingen heeft verzuimd te vermelden.

Verdachte wordt tevens verweten dat hij in een tweetal belastingaangiften van zijn cliënt heeft verzuimd de rente-inkomsten van Duitse bankrekeningen te vermelden. De rechtbank heeft verdachte vrijgesproken, gelet op de omstandigheid dat de belastingdienst reeds op de hoogte was van de Duitse bankrekeningen en verdachte tegen een navorderingsaanslag IB een bezwaarschrift had ingediend over dezelfde kwestie. Niet valt uit te sluiten dat verdachte niet het opzet had, ook niet in voorwaardelijke zin, het bestaan van de Duitse rekeningen verborgen te houden opdat er te weinig belasting zou worden geheven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2007, 281
FutD 2007-1931
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

verkort vonnis

RECHTBANK 'S-HERTOGENBOSCH

Sector Strafrecht

Parketnummer: 01/994094-06

Datum uitspraak: 04 oktober 2007

Verkort vonnis van de rechtbank ’s-Hertogenbosch, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1955,

wonende te [woonplaats] .

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 20 september 2007.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 15 augustus 2007.

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

hij, verdachte, op of omstreeks 29 november 2001 en/of 24 februari 2005,

althans op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode vanaf 1

november 2001 tot en met 28 februari 2005 in de gemeente(n) Eindhoven en/of

Heerlen, in elk geval in Nederland, (telkens) opzettelijk,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

(een) bij de Belastingwet voorziene aangifte(n), als bedoeld in de Algemene

wet inzake rijksbelastingen, te weten

-A-een aangifte Inkomstenbelasting Premie volksverzekeringen Premie Waz 1999

Vermogensbelasting 2000 en/of

-B-een aangifte Inkomstenbelasting Premie volksverzekeringen Premie Waz en

ziekenfondsverzekering 2002 en/of

-C-een aangifte Inkomstenbelasting Premie volksverzekeringen Premie

ziekenfondsverzekering en Waz 2003

(telkens) ten name gesteld van [betrokkene 1],

onjuist en/ of onvolledig heeft gedaan,

immers hebben hij, verdachte, en/ of (een of meer van) zijn mededader(s)

alstoen aldaar (telkens) opzettelijk op/in (een) bij de Inspecteur der

belastingen te Eindhoven, althans bij de Belastingdienst, ingeleverd(e)

aangiftebiljet(ten) voor de Inkomstenbelasting Premie volksverzekeringen

Premie Waz 1999 Vermogensbelasting 2000 (met daarbij gevoegde en daarvan

deeluitmakende bescheiden) en/of voor de Inkomstenbelasting Premie

volksverzekeringen Premie Waz en ziekenfondsverzekering 2002 en/of voor de

Inkomstenbelasting Premie volksverzekeringen Premie ziekenfondsverzekering en

Waz 2003 valselijk en/ of in strijd met de werkelijkheid

-ad B,C-in de rubriek Box 3 geen en/of (een) te la(a)g(e) bedrag(en), in elk

geval (een) onjuist(e) bedrag(en), aan (buitenlandse) rente-inkomsten en/ of

(buitenlandse) dividendinkomsten, in elk geval (buitenlandse)

vermogensopbrengsten, en/of (buitenlands) vermogen/(buitenlandse)

prive-bezittingen/(buitenlandse) bezittingen (verband houdende met een

bankrekening bij de Deutsche Bank AG (filiaal (plaats filiaal)) met het/de

bankrekeningnummer(s) [A] (rekening-courant) en/of [B]

(rekening-courant) en/of [A] (depot) en/of [C] (depot) en/of

[D] (spaarrekening) en/of het bankrekeningnummer [E]) en/of

-ad A-geen en/of (een) te la(a)g(e) bedrag(en), in elk geval (een) onjuist(e)

bedrag(en), aan winst uit aanmerkelijk belang en/of inkomsten uit

aanmerkelijk belang en/of winst uit AB (binnenland)

aangegeven/opgegeven, althans doen en/of laten aangeven/opgeven,

terwijl dat feit/die feiten (telkens) ertoe strekte(n) dat te weinig belasting

werd geheven;

De in deze tenlastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voor

zover daaraan in de Algemene wet inzake rijksbelastingen betekenis is gegeven,

geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd;

(D-38, D-41, D-42 eindproces-verbaal en bijlage 2 aanvullend

eindproces-verbaal)

artikel 69 lid 2 Algemene wet inzake rijksbelastingen;

EN/OF

[B.V. 1].en/of [B.V. 2] op of omstreeks 29 november 2001 en/of 24 februari 2005, althans op een

of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode vanaf 1 november 2001 tot en

met 28 februari 2005 in de gemeente(n) Eindhoven en/of Heerlen, in elk geval

in Nederland, (telkens) opzettelijk,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

(een) bij de Belastingwet voorziene aangifte(n), als bedoeld in de Algemene

wet inzake rijksbelastingen, te weten

-A-een aangifte Inkomstenbelasting Premie volksverzekeringen Premie Waz 1999

Vermogensbelasting 2000 en/of

-B-een aangifte Inkomstenbelasting Premie volksverzekeringen Premie Waz en

ziekenfondsverzekering 2002 en/of

-C-een aangifte Inkomstenbelasting Premie volksverzekeringen Premie

ziekenfondsverzekering en Waz 2003

(telkens) ten name gesteld van [betrokkene 1],

onjuist en/ of onvolledig heeft/hebben gedaan,

immers hebben [B.V. 1].en/of [B.V. 2] en/ of (een of meer van) haar/hun mededader(s) alstoen

aldaar (telkens) opzettelijk op/in (een) bij de Inspecteur der belastingen te

Eindhoven, althans bij de Belastingdienst, ingeleverd(e) aangiftebiljet(ten)

voor de Inkomstenbelasting Premie volksverzekeringen Premie Waz 1999

Vermogensbelasting 2000 (met daarbij gevoegde en daarvan deeluitmakende

bescheiden) en/of voor de Inkomstenbelasting Premie volksverzekeringen Premie

Waz en ziekenfondsverzekering 2002 en/of voor de Inkomstenbelasting Premie

volksverzekeringen Premie ziekenfondsverzekering en Waz 2003 valselijk en/ of

in strijd met de werkelijkheid

-ad B,C-in de rubriek Box 3 geen en/of (een) te la(a)g(e) bedrag(en), in elk

geval (een) onjuist(e) bedrag(en), aan (buitenlandse) rente-inkomsten en/ of

(buitenlandse) dividendinkomsten, in elk geval (buitenlandse)

vermogensopbrengsten, en/of (buitenlands) vermogen/(buitenlandse)

prive-bezittingen/(buitenlandse) bezittingen (verband houdende met een

bankrekening bij de Deutsche Bank AG (filiaal (plaats filiaal)) met het/de

bankrekeningnummer(s) [A] (rekening-courant) en/of [B]

(rekening-courant) en/of [A] (depot) en/of [C] (depot) en/of

[D] (spaarrekening) en/of het bankrekeningnummer [E]) en/of

-ad A-geen en/of (een) te la(a)g(e) bedrag(en), in elk geval (een) onjuist(e)

bedrag(en), aan winst uit aanmerkelijk belang en/of inkomsten uit

aanmerkelijk belang en/of winst uit AB (binnenland)

aangegeven/opgegeven, althans doen en/of laten aangeven/opgeven,

terwijl dat feit/die feiten (telkens) ertoe strekte(n) dat te weinig belasting

werd geheven,

tot het plegen van welk(e) bovenomschreven strafbare feit(en) hij, verdachte,

(telkens/meermalen) opdracht heeft gegeven, danwel aan welke verboden

gedraging(en) hij, verdachte, (telkens/meermalen) feitelijke leiding heeft

gegeven;

De in deze tenlastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voor

zover daaraan in de Algemene wet inzake rijksbelastingen betekenis is gegeven,

geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd;

(D-38, D-41, D-42 eindproces-verbaal en bijlage 2 aanvullend

eindproces-verbaal)

artikel 69 lid 2 Algemene wet inzake rijksbelastingen, artikel 51 Wetboek van

strafrecht;

Ter terechtzitting heeft de officier van justitie aangegeven dat de tenlastelegging moet worden gelezen als een primair/subisidiair tenlastelegging en niet als een cumulatieve tenlastelegging.

De rechtbank zal de dagvaarding lezen, zoals door de officier van justitie ter terechtzitting aangegeven. Waar op pagina 2 in de 24e regel staat “EN/OF” leest de rechtbank “subsidiair”. Verdachte wordt daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

De geldigheid van de dagvaarding.

De dagvaarding voldoet aan alle wettelijke eisen.

De bevoegdheid van de rechtbank.

Krachtens de wettelijke bepalingen is de rechtbank bevoegd van het tenlastegelegde kennis te nemen.

De ontvankelijkheid van de officier van justitie.

De raadsvrouwe heeft ter terechtzitting aangevoerd dat de officier van justitie niet ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn vervolging. De raadsvrouwe heeft daartoe

-kort gezegd- aangevoerd dat er sprake is van schending van het gelijkheidsbeginsel en het beginsel van redelijke en billijke belangenafweging.

De rechtbank verwerpt dit verweer.

t.a.v. het gelijkheidsbeginsel.

De raadsvrouwe heeft met name een vergelijking gemaakt met de in het dossier genoemde medeverdachten [betrokkene 1] en [betrokkene 2] welke personen niet zijn gedagvaard.

De rechtbank is van oordeel dat er geen sprake is van schending van het gelijkheidsbeginsel, nu geen sprake is van gelijke gevallen.

Verdachte is fiscaal adviseur bij een gerenommeerd bedrijf. Dit maakt de positie van verdachte wezenlijk anders dan die van [betrokkene 1]. Aan een fiscaal adviseur mogen hoge eisen van integriteit worden gesteld. Het staat de officier van justitie bij de beslissing om verdachte wel of niet te vervolgen vrij om de positie van verdachte als fiscaal adviseur mee te wegen, ongeacht of die omstandigheid expliciet wordt genoemd in de op dat moment geldende Aanmelding-, Transactie- en Vervolgingsrichtlijnen voor fiscale delicten en douanedelicten.

Ook de situatie van medeverdachte [betrokkene 2] is niet gelijk aan die van verdachte. De omvang van de fiscale benadeling waarvan [betrokkene 2] wordt verdacht, is aanmerkelijk kleiner dan het fiscale nadeel in de zaak waarvan verdachte wordt verdacht. Voorts is er jegens [betrokkene 2] alleen een verdenking van betrokkenheid bij -kort gezegd- de Duitse bankrekeningen, terwijl bij verdachte tevens de verdenking ten aanzien van een ander strafbaar feit aan de orde is.

t.a.v. het beginsel van een redelijke en billijke afweging.

De bevoegdheid van de officier van justitie om verdachte al dan niet te vervolgen is een discretionaire bevoegdheid, die marginaal kan worden getoetst door de rechtbank.

Naar het oordeel van de rechtbank kan niet worden gezegd dat de officier van justitie, na afweging van de betrokken belangen, in redelijkheid niet tot de vervolgingsbeslissing heeft kunnen komen.

De rechtbank is van oordeel dat er, gelet op alle omstandigheden, geen sprake is van een lichtvaardige vervolging door de officier van justitie.

De rechtbank is van oordeel dat het verweer van de raadsvrouwe tot niet ontvankelijkheid van de officier van justitie in zijn vervolging geen doel treft.

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn voor het overige geen omstandigheden gebleken, die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan.

Schorsing der vervolging.

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen gronden voor schorsing der vervolging gebleken.

Vrijspraak.

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan verdachte primair onder B en C is tenlastegelegd, zodat de verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.

De rechtbank is van oordeel dat de rente-inkomsten van de Duitse bankrekeningen op naam van [betrokkene 1] privé in beginsel in de belastingaangiften van [betrokkene 1], vermeld in de tenlastelegging onder B en C, hadden moeten worden vermeld.

Uit het onderzoek is gebleken dat verdachte en [betrokkene 1] deze rente-inkomsten niet in de betreffende aangiften hebben vermeld. Verdachte was vóór het insturen van de betreffende belastingaangiften op de hoogte van de Duitse bankrekeningen.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat bedoelde belastingaangiften onjuist en/of onvolledig door verdachte zijn gedaan.

De vraag is of deze onjuiste opgaven werden gedaan met de bedoeling dat te weinig belasting zou worden geheven. De rechtbank overweegt hieromtrent het volgende.

Op 5 augustus 2004 legde de inspecteur de cliënt van verdachte een gecorrigeerde aanslag IB1999 op. De aangifte werd gecorrigeerd omdat in de aangifte IB 1999 niet de op naam van zijn cliënt gestelde Duitse bankrekeningen worden opgenomen.

Verdachte heeft ter zitting aangegeven dat zijn cliënt het niet eens was met een correctie met betrekking tot de aangifte 1999. Zijn cliënt stelde zich op het standpunt dat de desbetreffende gelden zakelijke gelden waren die hem niet privé toekwamen en dat hij daarom geen belastbare rente-inkomsten genoot. Om de termijnen te bewaken heeft verdachte op 3 september 2004 een bezwaarschrift ingediend tegen de navorderingsaanslag IB 1999. Daarin wordt gesteld dat [betrokkene 1] aan verdachte heeft medegedeeld dat hij geen privé-rekening in Duitsland heeft aangehouden. Verdachte leidde uit de contacten met de inspecteur der belastingen af dat de inspecteur op de hoogte was van de Duitse bankrekeningen.

Verdachte heeft op 24 februari 2005 aangegeven de aangiften IB 2002 en 2003 te hebben ingediend om de termijnen te bewaken en dat hij in de veronderstelling verkeerde dat ook deze aangiften zouden worden gecorrigeerd, gelet op het eerdere standpunt van de belastingdienst.

Naar het oordeel van de rechtbank had het op de weg van verdachte gelegen de aanwezigheid van vermogen op de Duitse bankrekeningen te vermelden in de aangifte, waarbij hij eventueel in een toelichting het standpunt van zijn cliënt omtrent de Duitse bankrekeningen kenbaar had kunnen maken. Verdachte heeft dit nagelaten. In beginsel kan hem dit verweten worden.

Gelet op de omstandigheid dat de belastingdienst reeds op de hoogte was van de Duitse bankrekeningen en verdachte en zijn cliënt tegen een navorderingssaanslag IB 1999 een bezwaarschrift hadden ingediend over dezelfde kwestie, is de rechtbank echter van oordeel dat niet valt uit te sluiten dat verdachte bij het invullen van de belastingaangiften niet het opzet -ook niet in voorwaardelijke zin- had het bestaan van de Duitse rekeningen verborgen te houden opdat er te weinig belasting zou worden geheven.

De bewezenverklaring.

De rechtbank acht, op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte:

op of omstreeks 29 november 2001 in de gemeente Eindhoven opzettelijk,

tezamen en in vereniging met een ander een bij de Belastingwet voorziene aangifte, als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten

-A-een aangifte Inkomstenbelasting Premie volksverzekeringen Premie Waz 1999

Vermogensbelasting 2000 ten name gesteld van [betrokkene 1],

onjuist en onvolledig heeft gedaan,

immers hebben hij, verdachte, en zijn mededader alstoen aldaar opzettelijk op/in een bij de Inspecteur der

belastingen te Eindhoven, ingeleverd aangiftebiljet voor de Inkomstenbelasting Premie volksverzekeringen Premie Waz 1999 Vermogensbelasting 2000 (met daarbij gevoegde en daarvan deeluitmakende bescheiden) valselijk en/ of in strijd met de werkelijkheid

-ad A-geen bedrag(en), in elk geval (een) onjuist(e) bedrag(en), aan inkomsten uit aanmerkelijk belang

aangegeven/opgegeven, terwijl dat feit ertoe strekte dat te weinig belasting werd geheven.

De bewijsmiddelen worden slechts gebezigd met betrekking tot het feit waarop zij in het bijzonder betrekking hebben.

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

Nadere bewijsoverweging.

De rechtbank is van oordeel dat verdachte de aangifte Inkomstenbelasting/ Premie volksverzekeringen Premie Waz 1999, Vermogensbelasting 2000 onjuist en onvolledig heeft gedaan.

In deze aangifte heeft verdachte geen inkomsten onder de rubriek “inkomsten uit aanmerkelijk belang” opgenomen. Hij heeft het standpunt ingenomen dat de terugbetaling van het aandelen kapitaal van [bedrijf 1] in 1999 ten bedrage van f 4.460.500,- (verkrijgingsprijs f 2.502.558,-) onbelast kon plaatsvinden. Ter toelichting is vermeld dat het besluit tot terugbetaling van aandelenkapitaal van [bedrijf 1] is genomen op 26 april 1996, dus voor inwerkingtreding van de zogenaamde turbowetgeving. Verdachte concludeert dat de turbowetgeving op deze terugbetaling niet van toepassing is.

Op 26 april 1996 is in een buitengewone vergadering van aandeelhouders van [naam B.V.] het besluit genomen tot statutenwijziging waarbij een terugbetaling van (gestort) aandelenkapitaal zou plaatsvinden van f 2.502.000,--. Daarvoor is een conceptakte gemaakt. De opgemaakte akte is nooit notarieel gepasseerd.

Verdachte heeft in de periode 1996 - 1998 met de belastingdienst gecorrespondeerd over deze kwestie, met de bedoeling te komen tot een onbelaste terugbetaling. Verdachte geeft in deze correspondentie aan dat het besluit tot afstempeling van de aandelen destijds, begin 1996, niet is uitgevoerd vanwege de plots ingevoerde turbowetgeving. De inspecteur heeft zich steeds afwijzend opgesteld.

Op 17 juni 1999 is in een algemene vergadering van aandeelhouders van [bedrijf 1] een besluit genomen tot terugbetaling van (gestort) aandelenkapitaal van f 4.460.500,--. De definitieve notariële akte is op 28 september 1999 gepasseerd.

Uit het dossier en de omvang van het terugbetaalde bedrag blijkt dat in 1999 niet het besluit van 26 april 1996 is uitgevoerd, maar dat van 17 juni 1999.

Uit het voorgaande blijkt dat verdachte in de betreffende belastingaangifte weliswaar een toelichting op zijn standpunt heeft gegeven over de terugbetaling van het aandelenkapitaal, doch een onjuiste voorstelling van zaken heeft gegeven en niet volledig is geweest. Verdachte heeft het besluit van 1996 vermeld, doch het besluit van 1999 wordt in de toelichting totaal niet genoemd. Verdachte heeft inlichtingen, die voor de belastingdienst voor de beoordeling van de belastingaangifte van cruciaal belang waren, niet vermeld.

Door het besluit van 1999 te verzwijgen heeft verdachte een onvolledige en onjuiste voorstelling van zaken gegeven.

Verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij op het moment van het invullen en indienen van de aangifte zich niet meer heeft gerealiseerd dat er een tweede besluit was, dat in 1999 is genomen.

De rechtbank acht dit ongeloofwaardig, gelet op de eerdere uitvoerige correspondentie over deze kwestie met de belastingdienst en het feit dat verdachte bij de besluitvorming in 1999 nauw betrokken is geweest, zoals blijkt uit de brief van verdachte aan [betrokkene 1] d.d. 16 juni 1999, waarin hij uitdrukkelijk vermeldt “thans is de situatie in zoverre anders, dat de afstempeling niet slechts beperkt blijft tot f 2.500.000”.

De rechtbank is van oordeel dat de onvolledige en onjuiste aangifte er toe kan leiden dat er te weinig belasting wordt geheven en dat verdachte dat wist.

De raadsvrouwe van verdachte heeft ter zitting aangevoerd dat verdachte in de aangifte een pleitbaar standpunt heeft ingenomen.

De rechtbank is van oordeel dat er alleen sprake kan zijn van een pleitbaar standpunt als het standpunt op een duidelijke wijze, met een juiste voorstelling van zaken in de aangiften wordt vermeld.

Nu verdachte inlichtingen, van cruciaal belang voor de beoordeling, heeft verzuimd te vermelden, gaat het verweer van de raadsvrouwe dat er sprake is van een pleitbaar standpunt naar het oordeel van de rechtbank niet op.

De kwalificatie.

Het bewezenverklaarde levert op het in de uitspraak vermelde strafbare feit.

De strafbaarheid.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van het feit of van de verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen te zijnen laste bewezen is verklaard.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen:

Wetboek van Strafrecht art. 23, 24, 24c, 47

Algemene wet inzake rijksbelastingen art. 69

DE OVERWEGINGEN DIE TOT DE BESLISSING HEBBEN GELEID

De eis van de officier van justitie.

Ten aanzien van het primair tenlastegelegde (medeplegen), betreffende de aangiften vermeld onder A, B en C:

- een taakstraf van 200 uren subsidiair 100 dagen hechtenis met aftrek conform artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht;

- een geldboete van € 50.000,-- subsidiair 360 dagen hechtenis;

- een gevangenisstraf van 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar.

De op te leggen straf(fen) en/of maatregel(en).

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd heeft de rechtbank gelet op:

a. de aard van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan,

b. de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte waaronder de draagkracht.

Bij de strafoplegging zal de rechtbank enerzijds in het bijzonder rekening houden met de volgende uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren gekomen omstandigheid ten bezware van verdachte:

- aan een fiscaal adviseur, werkzaam bij een gerenommeerd bedrijf van belastingadviseurs, mogen voor wat betreft de integriteit hoge eisen worden gesteld. Verdachte heeft het vertrouwen dat in hem mag worden gesteld ernstig beschaamd. Bij de behartiging van de belangen van zijn cliënt heeft hij strafrechtelijke grenzen overschreven.

Bij de strafoplegging zal de rechtbank anderzijds in het bijzonder rekening houden met de volgende uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren gekomen omstandigheid die tot matiging van de straf heeft geleid:

- verdachte is ook zelf getroffen door de gevolgen van het door hem gepleegde strafbare feit in die zin dat hij al langdurig in onzekerheid verkeert over zijn positie als fiscaal adviseur.

De rechtbank acht de hierna op te leggen geldboete passend bij de aard en de ernst van het feit. Gelet op de omstandigheid dat de rechtbank verdachte ten aanzien van een tweetal tenlastegelegde aangiftes zal vrijspreken, is deze geldboete lager dan de door de officier van justitie geëiste geldboete.

DE UITSPRAAK

Verklaart het primair tenlastegelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Het bewezenverklaarde levert op het misdrijf:

primair:

Medeplegen van opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist

en onvolledig doen, terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting

wordt geheven.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

BESLISSING:

t.a.v. primair:

Geldboete van € 25.000,-- subsidiair 155 dagen hechtenis.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. M.L.W.M. Viering, voorzitter,

mr. A.M. Kooijmans-de Kort en mr. M. Lammers, leden,

in tegenwoordigheid van L. Scholl, griffier,

en is uitgesproken op 4 oktober 2007.