Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2007:BB4665

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
01-10-2007
Datum publicatie
03-10-2007
Zaaknummer
162923 - KG ZA 07-523
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Sprake van overeenkomst inzake geneeskundige behandeling; sprake van gewichtige reden om verblijf/opvang in instelling te beëindigen.

Op 28 januari 2005 is (…) overgeplaatst naar De Eekelhof (een zorginstelling van gedaagde) in Schijndel. Een woonvorm voor mensen met een lichamelijke beperking en/of niet aangeboren hersenletsel. Het betrof een proefplaatsing met een eindevaluatie na een jaar. Op 3 februari 2006 bericht gedaagde eisers dat de woonfunctie voor (…) op De Eekelhof zal worden beëindigd en dat (…) vervangende woonruimte kan worden geboden binnen een andere instelling die beter geëquipeerd is voor de specifieke vraag van (…).

Eisers vragen primair een voorziening, die er op is gericht dat gedaagde de woonsituatie van (…), zoals die thans bestaat in De Eekelhof , wordt voortgezet;

Binnen de beperkingen van de kort geding procedure en rekening houdend met de professionele verantwoordingsplicht (stelplicht) van gedaagde, neemt de voorzieningenrechter aan dat er inderdaad een gewichtige reden aanwezig is om het verblijf van (…) op De Eekelhof te beëindigen. Dat betekent dat gezocht zal moeten worden naar een woonomgeving waar (…) wel die zorg wordt geboden die zij nodig heeft en waarin zij het prettig vindt om te wonen. Dat die woonomgeving de instelling Zonhove zal zijn, is daarmee uiteraard niet gezegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK 'S-HERTOGENBOSCH

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 162923 / KG ZA 07-523

Vonnis in kort geding van 1 oktober 2007

in de zaak van

1. [eiser sub 1],

wonende te [woonplaats],

2. [eiseres sub 2],

wonende te [woonplaats],

beide optredende in hun hoedanigheid van mentoren van [NN],

eisers,

procureur mr. Y. van der Linden,

tegen

STICHTING VOORZIENINGEN LICHAMELIJK GEHANDICAPTEN,

gevestigd te Rosmalen,

gedaagde,

procureur mr. C.W.M. Verberne.

Partijen zullen hierna [eisers]] en Stichting VLG genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Na dagvaarding heeft een behandeling ter terechtzitting plaatsgevonden, waarbij beide partijen hun standpunt hebben medegedeeld en toegelicht.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. [NN], geboren op [datum], is als gevolg van een vroegkinderlijke hersenbeschadiging lichamelijk, zintuiglijk en verstandelijk gehandicapt. Op sociaal-emotioneel en cognitief niveau heeft zij een leeftijdsequivalent van een 5- 6 jarige. [NN] is verzorgingingsafhankelijk en ten gevolge van een vierzijdig spasme aangewezen op een elektrische rolstoel. Daarnaast heeft ze een beperkt gezichtsvermogen als gevolg van de hersenbeschadiging.

2.2. In 1993 is [NN] in Zonhove (behandelcentrum voor meervoudig gehandicapte jongeren) te Son gaan wonen.

2.3. Zonhove vormt sinds 1999 samen met de Stichting VLG (voor mensen met een lichamelijke handicap) en Triocen een samenwerkingsverband dat onder meer is vorm gegeven in de stichting Woon-en Zorgvoorzieningen (SWZ) voor lichamelijk en meervoudig gehandicapten.

2.4. Omstreeks 2003 hebben de ouders van [eisers]]) hun zorg geuit over de – naar hun zeggen - stagnatie van de ontwikkeling van hun dochter. Volgens hen ontving hun dochter binnen Zonhove te weinig stimulans en prikkels om een optimale ontwikkeling te hebben kunnen doormaken doordat de zorginstelling haar emotionele en cognitieve vermogens te laag had inschat.

2.5. In overleg met Nieuwkamp c.s. heeft Zonhove op 13 oktober 2003 besloten om [NN] voor een periode van 1 jaar in een andere woongroep te plaatsen waar voldoende sprake zou zijn van uitdaging en prikkels van leeftijdsgenoten.

2.6. Op 28 januari 2005 is [NN] overgeplaatst naar De Eekelhof (een zorginstelling van Stichting VLG) in Schijndel. Een woonvorm voor mensen met een lichamelijke beperking en/of niet aangeboren hersenletsel. Het betrof een proefplaatsing met een eindevaluatie na een jaar. Tussentijds hebben (maandelijks) evaluaties en gesprekken plaatsgevonden over de woonsituatie van [NN], waarvan verslagen zijn gemaakt.

2.7. Op 3 februari 2006 bericht Stichtin[eisers]] dat de woonfunctie voor [NN] op De Eekelhof zal worden beëindigd en dat [NN] vervangende woonruimte kan worden geboden binnen Zonhove die beter geëquipeerd is voor de specifieke vraag van [NN].

2.8. Op 16 februari 2006 heeft Stichting VLG haar beslissing in overleg met [eisers] opgeschort in afwachting van het advies van het Centrum voor Consultatie en Expertise (CCE) omtrent de geschiktheid van de woonsituatie van [NN] op De Eekelhof.

2.9. CCE heeft haar conclusies en bevindingen in het najaar van 2006 neergelegd in een definitief adviesrapport. Op basis hiervan heeft Stichtin[eisers]] op 29 december 2006 bericht dat de woonsituatie van [NN] op De Eekelhof zal worden beëindigd.

2.10. Op 2 februari 2007 is n[eisers]] door Zorg & Adviesbureau Woelcare naar aanleiding van evengenoemde brief tegen de Stichting VLG een klacht ingediend bij SWZ.

2.11. Op 16 april 2007 heeft de klachtencommissie van SWZ de klacht ongegrond verklaard. Volgens de commissie heeft de Stichting VLG haar beslissing [NN]s’s woonsituatie op De Eekelhof te beëindigen zorgvuldig onderbouwd.

2.12. Op 6 juni 2007 heeft de advocaa[eisers]] Stichting VLG gemeld dat zij voornemens zijn een onafhankelijke deskundige in te schakelen. Verzocht is de overplaatsing op te schorten in afwachting van dit onderzoek.

2.13. Bij brief van 25 juni 2007 heeft de Stichtin[eisers]] gemeld geen reden te zien voor de verzochte opschorting.

2.14. In juli 2007 heeft drs. [W], orthopedagoog, n[eisers]] een rapport uitgebracht over de situatie van [NN].

2.15. Bij beschikking van 25 juli 2007 van de Rechtbank te ’s-Hertogenbosch, sector Kanton, is een mentorschap ingesteld over [NN] en[eisers]] tot mentoren benoemd.

3. Het geschil

[eisers]] vorderen

primair:

het besluit tot overplaatsing van [NN] van woonvorm De Eekelhof naar de instelling Zonhove of een andere woonvorm/instelling op te schorten.

subsidiair:

het besluit tot overplaatsing van [NN] van woonvorm de Eekelhof naar de instelling Zonhove of een andere woonvorm/instelling op te schorten tot het moment dat een, met instemming van beide partijen aangewezen onafhankelijke deskundige heeft onderzocht welke andere woonvorm/instelling wel een goed alternatief zou kunnen zijn voor [NN] en zij hier ook daadwerkelijk geplaatst kan worden;

in beide gevallen op straffe van een dwangsom van € 1.000,00 per dag en

met veroordeling van Stichting VLG in de kosten van het geding.

[eisers]] leggen daaraan het volgende ten grondslag.

Met Stichting VLG is ten aanzien van [NN] een geneeskundige behandelingsovereenkomst gesloten in de zin van artikel 7:446 BW. Het besluit van Stichting VLG tot overplaatsing is te beschouwen als een opzegging, waarvan artikel 7:460 BW bepaalt dat dit alleen in geval van gewichtige redenen mag geschieden. Gewichtige redenen zijn niet aanwezig, zodat de opzegging niet kan worden aanvaard en Stichting VLG daaraan niet de door haar gewenste gevolgen - overplaatsing van [NN] - kan verbinden.

[eisers]]hebben dit toegelicht met het navolgende. Zij stellen zich op het standpunt dat Stichting VLG op geen enkele manier aannemelijk geeft gemaakt dat gewichtige reden aanwezig zijn die opzegging/overplaatsing rechtvaardigen. De conclusies van het rapport van CCE brengen gelet op de onderzoeksopdracht (“wie is [NN], wat zijn haar mogelijkheden en hoe ziet haar woon-werkperspectief eruit”) niet met zich dat gewichtige redenen aanwezig zijn om de woonsituatie in De Eekelhof te beëindigen. [eisers] hebben dan ook verwezen naar het rapport van de orthopedagoog

drs. [W], die volgens hen terecht de vraag heeft opgeworpen waarom Stichting VLG aangepaste zorg voor [NN]– indien nodig – niet op De Eekelhof kan bieden. Ter illustratie dat [NN] na een korte gewenningsperiode haar draai gevonden heeft op de De Eekelhof en omgeving h[eisers]] een beschrijving gegeven van haar wekelijkse activiteiten. [NN] werkt dagelijks op AC Duinendaal. Zij eet ’s-avonds gezamenlijk met de andere bewoners op De Eekelhof en drinkt zij met hen thee. In de algemene ruimte of in haar eigen appartement kijkt zij TV of luistert zij naar muziek. Op dinsdag beoefent zij een balspel Boccia. Op woensdag komen haar ouders op visite. Op vrijdag heeft zij rolstoeldansen en zo nu en dan bezoekt zij haar vriend [P] in VLG Boxtel. Om het weekend is zij thuis bij haar ouders. Het andere weekend komen haar ouders haar zaterdag en zondag overdag halen om de dag samen door te brengen.

3.4. Stichting VLG voert samengevat het volgende verweer. Op basis van de tussentijdse evaluaties, een rapportage van MEE van 19 augustus 2005, het rapport van psychologe [O] van augustus 2005 en het eindadvies van CCE van eind 2006,

heeft zij, Stichting VLG, vanuit een professioneel perspectief het standpunt ingenomen dat voortzetting van de zorgverlening aan [NN] op de De Eekelhof onverantwoord is. [NN] wordt volgens haar binnen De Eekelhof met name op de aspecten van emotionele stabiliteit, sociale vaardigheden en zelfbepaling bij dagactiviteiten overvraagd. [NN] heeft volgens Stichting VLG een meer beschermde woonomgeving nodig, een woonomgeving met terreingebonden voorzieningen, waar medewerkers meer in de directe nabijheid zijn en waar meer gezamenlijke groepsactiviteiten worden aangeboden en meer structuur aan de bewoners gegeven. [NN] heeft geen aansluiting bij de andere bewoners van de woonvorm. Aangezien Stichting VLG en de instelling De Eekelhof uitgaan van een grote mate van zelfredzaamheid van de bewoners en [NN] die mogelijkheden niet bezit omdat zij totaal afhankelijk is van derden, is De Eekelhof niet een woonomgeving die bij [NN] past, aldus Stichting VLG. In het belang van [NN] is het verantwoord dat voor haar een alternatieve woonvorm zal worden gezocht, bijvoorbeeld Zonhove.

3.5. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

[eisers]] vragen een voorziening, die er op is gericht dat Stichting VLG de woonsituatie van [NN], zoals die thans bestaat, wordt voortgezet in weerwil van de wens van Stichting VLG om die situatie te beëindigen (a). Daarnaast speelt kennelijk de vree[eisers]] dat [NN] zonder meer wordt overgeplaatst naar Zonhove, hetgeen zij met het onderhavige kort geding willen voorkomen (b).

4.2. Het onder (b) genoemde is echter niet aan de orde (en lijkt ook niet mogelijk), en Stichting VLG heeft ook verklaard dat dat niet de opzet van de beëindigingmededeling is en dat zi[eisers]] naar een alternatief voor de huisvestingssituatie voor [NN] wil zoeken, waarbij Zonhove niet meer dan een mogelijk alternatief is. Bij gebreke van belang zal de vordering inzoverre reeds hierom worden afgewezen.

4.3. Voor wat betreft het onder (a) genoemde is het volgende van belang. Met betrekking tot het primair gevorderde is he[eisers]] om voldoende aannemelijk te maken dat zij aanspraak kunnen maken op voorzetting van de woonsituatie bij De Eekelhof.

4.4. Hoewel Stichting VLG vraagtekens heeft gezet bij de stelling dat de overeenkomst, krachtens welke [NN] op De Eekelhof verblijft is te beschouwen als een overeenkomst inzake geneeskundige behandeling, heeft zij ter terechtzitting ingestemd met een beoordeling die van de juistheid van die stelling uitgaat.

4.5. Het feit dat Stichting VLG het verblijf van [NN] op De Eekelhof wil doen eindigen, is te beschouwen als een opzegging van die overeenkomst. Die opzegging is alleen toegelaten indien die geschiedt wegens een gewichtige reden als bedoeld in artikel 460 van Boek 7 B.W. Stichting VLG voert aan dat er inderdaad sprake is van een gewichtige reden wel zoals hierboven omschreven in r.o. 3.4. Stichting VLG heeft dat standpunt onderbouwd met de overlegging van een advies van het CCE (r.o. 2.9).en verder ook aangevoerd dat [NN] kennelijk meer structuur nodig heeft dan De Eekelhof (gelet op de doelgroep waarop zij zich richt en de inrichting van de organisatie die daarop is afgestemd) kan bieden.

[eisers]] hebben ter weerlegging van dit standpunt een onderzoek laten verrichten door drs [W]. Dat rapport zou vo[eisers]] aantonen dat [NN] wel degelijk binnen de doelgroep past, althans op De Eekelhof op haar plaats is. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter kan aan het door drs [W] verrichte onderzoek niet de gevolgtrekking worden verbonde[eisers]] wensen, namelijk dat - met name in dit kort geding - niet kan worden aangenomen dat er een gewichtige reden aanwezig is en dus Stichting VLG niet tot opzegging kan of heeft kunnen overgaan. Het rapport van drs. [W] bevat immers grotendeels algemene beschouwingen en legt de vraag voor waarom De Eekelhof zich niet kan aanpassen aan de behoefte van [NN] en is blijkens het slot voornamelijk gericht op het afhouden van een plaatsing in Zonhove.

4.7. Daartegenover staat dat de deskundige van het CEE, drs. [A], diep op de persoon van [NN] en haar mogelijkheden en beperkingen ingaat. Zij concludeert dat een goede afstemming op de ondersteuningsvraag van [NN] eerder te verwachten is in een “groepsgerichte” leefvoorziening voor mensen met een (matige) verstandelijke beperking; een woning waarin zij leeft met anderen waar zij iets aan kan beleven, waar vanzelfsprekende gezamenlijke momenten, activiteiten en ondersteuning aangeboden worden.

4.8. Het rapport van mevrouw [A] laat het belang van het wonen in de omgeving van Schijndel onbesproken, terwijl mevrouw [W] daar grote waarde aan hecht. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter speelt dit een en ander een weliswaar niet onbelangrijke maar uiteindelijk toch aan het belang van de ontwikkeling van [NN] ondergeschikte rol. In ieder geval moet worden aangenomen dat Stichting VLG dit vanuit haar professionele verantwoordelijkheid terecht in deze volgorde beschouwt.

4.9. Binnen de beperkingen van de kort geding procedure en rekening houdend met de professionele verantwoordingsplicht (stelplicht) van Stichting VLG, neemt de voorzieningenrechter aan dat er inderdaad een gewichtige reden aanwezig is om het verblijf van [NN] op De Eekelhof te beëindigen. Dat betekent dat gezocht zal moeten worden naar een woonomgeving waar [NN] wel die zorg wordt geboden die zij nodig heeft en waarin zij het prettig vindt om te wonen. Dat die woonomgeving de instelling Zonhove zal zijn, is daarmee uiteraard niet gezegd. Dit spreekt nog des te minder omdat [NN] daar onaangename herinneringen aan heeft.

4.10. Uit het bovenstaande volgt dat de gevraagde voorziening zal worden geweigerd. Daarbij gaat de voorzieningenrechter ervan uit dat het juist hetgeen Stichting VLG heeft aangevoerd ten aanzien van de omstandigheid dat er in overle[eisers]] een alternatieve (juister geformuleerd: betere) woonsituatie voor [NN] moet worden gevonden alvorens de opzegging (“het beëindigingsbesluit”) kan worden geëffectueerd. Stichting VL[eisers]] daarvoor nog een zekere termijn respijt moeten gunnen. De voorzieningenrechter heeft echter geen reden om aan te nemen dat Stichting VLG die termijn niet zal gunnen; niet alleen heeft Stichting VLG zich ook in die zin uitgelaten maar het feit dat zij reeds lang (terecht) geduld heeft geoefend - al in februari 2006 is door Stichting VLG de “opzegging” meegedeeld - bevat een voldoende aanwijzing in die richting.

4.11. Het aan een strenge voorwaarde gebonden moratorium, zoals subsidiair gevorderd, gaat te ver omdat dit zal leiden tot een verder uitstel van minstens een jaar, omdat niet te verwachten is dat partijen het snel eens zullen worden over de persoon van de te benoemen deskundige terwijl anderzijds er al voldoende onderzoek naar [NN] is verricht en het hoofdzakelijk gaat om het vinden van een nieuwe woonsituatie die zowel geschikt voor [NN] is als plaats voor haar heeft. Bovendien behoren de beslissingen die dan genomen moeten worden in handen van partijen (en de gevonden derde) en kunnen die niet in die van een deskundige worden gelegd. Ook dit onderdeel van de vordering zal worden afgewezen.

4.12. Als de in het ongelijk te stellen partij z[eisers]] worden veroordeeld in de kosten van de procedure.

5. De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1. wijst de vordering af;

5.2. veroor[eisers]] in de kosten van deze procedure, aan de zijde van Stichting VLG gevallen en begroot op € 851,00;

5.3. verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.F.M. Strijbos en in het openbaar uitgesproken op 1 oktober 2007.