Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2007:BB3660

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
04-09-2007
Datum publicatie
17-09-2007
Zaaknummer
AWB 07/930 en 07/931
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Beperking van het gebruik van een pad; zelf voorzien in de zaak op grond van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ’s-HERTOGENBOSCH

Sector bestuursrecht

Zaaknummers: AWB 07/930 en 07/931

Uitspraak van de enkelvoudige kamer van 4 september 2007

inzake

[eiser 1]

te [woonplaats 1],

en

[eiser 2]

te [woonplaats 2],

eisers,

gemachtigde ir. A.K.M. van Hoof,

tegen

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Reusel-De Mierden,

verweerder,

gemachtigde mr. drs. S.M.W. Verouden.

Procesverloop

Bij uitspraak van 19 december 2006 heeft deze rechtbank in de procedure met nummer AWB 06/1077 een door eisers ingesteld beroep gegrond verklaard en verweerder opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen. De rechtbank heeft daarbij vastgesteld dat het besluit van 16 januari 2006 is aan te merken als een besluit op bezwaar van verweerder. In dit laatste besluit werden eisers niet-ontvankelijk verklaard in hun eerder ingediende bezwaren. Voorts heeft de rechtbank vastgesteld dat het besluit van 22 februari 2005, waarbij verweerder aangeeft niet handhavend op te treden tegen de door eisers gestelde illegale wijzigingen op de openbare weg aan Den Tiender in Lage Mierde, is te beschouwen als het primaire besluit in deze zaak.

Door verweerder is bij nieuw besluit op bezwaar van 31 januari 2007 het bezwaar van [eiser 1] ongegrond verklaard. Het bezwaar van [eiser 2] is bij besluit van dezelfde datum niet-ontvankelijk verklaard.

Bij brief van 9 maart 2007 hebben eisers tegen deze besluiten gezamenlijk beroep ingesteld.

De zaken zijn gevoegd behandeld op de zitting van 10 augustus 2007, waar eisers zijn verschenen in persoon, bijgestaan door hun gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. De rechtbank gaat bij de beoordeling uit van de volgende - niet in geschil zijnde - feiten:

Het draait in deze zaak om (de toegang) tot een onverhard pad dat gelegen is direct naast een perceel dat in eigendom is bij [eiser 1]. Het pad loopt tussen de Wilhelminalaan en Den Tiender te Reusel en is vrij toegankelijk voor voetgangers en fietsers. Op enig moment in 2005 zijn door een bewoner van een ander perceel grenzend aan dit pad, de heer [derde], verbouwingswerkzaamheden uitgevoerd. Uit de in de gedingstukken aanwezige en ter zitting overgelegde foto’s maakt de rechtbank op dat hij daarbij - onder meer - bouwmaterialen en zwarte aarde op het pad heeft gedeponeerd en deze later weer heeft verwijderd. Tevens heeft [derde] daarbij de perceelsafscheiding tussen zijn perceel en het pad aangepast. In dezelfde periode is door of namens verweerder ongeveer halverwege het pad een rij houten palen overdwars op het pad geplaatst. Deze palen maken de doorgang voor (vierwielig) gemotoriseerd verkeer op het pad onmogelijk. Op het perceel waarop het onderhavige pad ligt, vigeert voorts de bestemming ‘Verkeersdoeleinden’ van het bestemmingsplan ‘Haverakkers II’ van de gemeente Reusel-De Mierden (hierna te noemen: het bestemmingsplan).

2. Het wettelijk kader is als volgt.

Artikel 11 van de planvoorschriften van het bestemmingsplan luidt als volgt:

Lid A. Bebouwing.

Op de tot ‘Verkeersdoeleinden’ bestemde grond mogen uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd, die noodzakelijk zijn voor een verkeerstechnisch verantwoorde uitrusting van wegen, zoals wegmeubilair, echter met uitzondering van verkooppunten van motorbrandstoffen.

3. De artikelen 4, 5 en 6 van de Wegenwet luiden - voor zover relevant - als volgt:

Artikel 4.

1. Een weg is openbaar:

I. wanneer hij, na het tijdstip van dertig jaren vóór het in werking treden van deze wet, gedurende dertig achtereenvolgende jaren voor een ieder toegankelijk is geweest;

II. wanneer hij, na het tijdstip van tien jaren vóór het in werking treden van deze wet, gedurende tien achtereenvolgende jaren voor een ieder toegankelijk is geweest en tevens gedurende dien tijd is onderhouden door het Rijk, eene provincie, eene gemeente of een waterschap;

III. wanneer de rechthebbende daaraan de bestemming van openbaren weg heeft gegeven.

(…)

Artikel 5.

1. Na de inwerkingtreding dezer wet kan de onder III van het eerste lid van het voorgaande artikel bedoelde bestemming slechts worden gegeven met medewerking van den raad der gemeente, waarin de weg is gelegen.

(…)

Artikel 6.

Het bestaan van eene beperking in het gebruik, anders dan krachtens een wettelijk voorschrift tot regeling van het verkeer, mag mede worden aangenomen op grond van de gesteldheid van den weg en van het gebruik, dat van den weg pleegt gemaakt te worden.

De ontvankelijkheid van [eiser 2] in beroep en in bezwaar

4. Allereerst is aan de orde de vraag of [eiser 2] belanghebbende is bij dit besluit in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb. Hij dient hiervoor een persoonlijk en individueel belang te hebben, waarmee hij zich onderscheidt van anderen.

5. Verweerder heeft het standpunt ingenomen dat [eiser 2] niet-ontvankelijk is in zijn bezwaar omdat verweerder ten tijde van dit besluit niet heeft kunnen vaststellen dat hij belanghebbende was in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb. [eiser 2] bezit immers geen grond in de buurt van het onderhavige perceel, noch is hij daar woonachtig. Ten tijde van dit besluit heeft [eiser 2] niet gesteld dat hij het perceel van [eiser 1] gebruikt voor het weiden van zijn schapen. Dit heeft hij pas gedaan in zijn beroepschrift. Ook nu bestaat er geen enkele aanwijzing dat hij gebruiker is van het perceel, zo stelt verweerder.

6. [eiser 2] heeft tegen dit standpunt ingebracht dat verweerder, toen deze voor het nemen van het bestreden besluit had vastgesteld dat hij niet woonachtig was in de buurt van het pad, noch eigenaar was van een aangrenzend perceel, bij hem had moeten informeren naar zijn belang bij dit besluit. In dat geval had hij de kans gehad te kunnen melden dat hij zijn schapen weidt op perceel van [eiser 1]. In plaats daarvan heeft verweerder [eiser 2] kennelijk niet-ontvankelijk verklaard. Hiermee heeft verweerder het zorgvuldigheidsbeginsel geschonden.

7. De rechtbank overweegt hierover als volgt.

[eiser 2] heeft ter zitting aangevoerd dat sinds een aantal jaren in de wintermaanden tien tot twintig van zijn schapen op het perceel van [eiser 1] naast het pad grazen. Met zijn trekker en veewagen heeft [eiser 2], om de schapen te brengen en te halen, toegang nodig tot dit perceel. Voorts komt hij af en toe langs om het welzijn van de schapen te controleren. De rechtbank leidt hieruit af dat [eiser 2] zich hiermee onderscheidt van willekeurige anderen die van het pad gebruik maken, omdat hij met enige regelmaat op het perceel dat direct grenst aan het pad moet zijn en het pad niet, zoals anderen, alleen gebruikt als doorgang om van de ene naar de andere plaats te komen. Dit betekent dat [eiser 2] belanghebbende is bij het bestreden besluit. Het staat in dit geschil vast dat verweerder zonder zich op enigerlei wijze nader te informeren, het bezwaar van [eiser 2] niet-ontvankelijk heeft verklaard. De rechtbank komt tot het oordeel dat verweerder onzorgvuldig heeft gehandeld door na te laten informatie in te winnen omtrent de redenen van het indienen van bezwaren door [eiser 2]. Verweerder heeft voor het nemen van het besluit niet alle relevante feiten verzameld, zoals voorgeschreven in artikel 3:2 van de Awb. Het beroep van [eiser 2] is om deze reden gegrond.

8. Uit het voorgaande vloeit voort dat verweerder het bezwaar van [eiser 2] ontvankelijk had dienen te verklaren en inhoudelijk op zijn bezwaren in had moeten gaan.

De sloot en de ophogingen naast het pad.

9. Eisers voeren aan dat in het bestreden besluit vermeld is dat na de bouwwerkzaamheden herstel in de oude toestand heeft plaatsgevonden. Dit is niet gebeurd volgens eisers, nu een deel van het pad is beklinkerd, ingezaaid en vooral is opgehoogd. Het pad maakte vóór 1982 deel uit van het perceel van [eiser 1] en lag op dat moment even hoog als het perceel zelf. Thans ligt het perceel van [eiser 1] een stuk lager. Dit is veroorzaakt door de bouwwerkzaamheden. Ook is tijdens de werkzaamheden een sloot gedempt tussen het pad en het perceel van de heer [derde]. Dit alles resulteert in wateroverlast op het perceel van [eiser 1]; de grond van dit perceel aan de zijde van het pad wordt drassig. Tegen deze illegale ophoging en het dempen van de sloot dient verweerder op te treden.

10. Verweerder heeft gesteld dat alle puin en zand dat in het kader van de bouwwerkzaamheden op een deel van het onderhavige pad heeft gelegen inmiddels is opgeruimd. Verweerder erkent dat het perceel van [eiser 1] lager ligt dan het pad, maar dit is niet veroorzaakt door de bouwwerkzaamheden. Ook is onduidelijk waaruit de wateroverlast zou bestaan.

11. De rechtbank stelt vast dat uit de overgelegde en ter zitting getoonde foto’s niet kan worden afgeleid dat het pad door de bouwactiviteiten is opgehoogd. Op de door eisers overgelegde foto’s - en met name foto 1 en 2 in gedingstuk A17 - is te zien dat het niveauverschil in het midden van de jaren negentig van de vorige eeuw, dus ver voor de aanvang van de bouwactiviteiten, al bestond. De rechtbank acht een ophoging van het pad door de werkzaamheden niet voldoende aannemelijk. Deze grief van eisers faalt derhalve. Ditzelfde geldt voor de grief omtrent het dempen van de sloot. Het gaat hier om een relatief korte, smalle en ondiepe greppel in het pad, die zich aan de overzijde van dit pad bevond ten opzichte van het perceel van [eiser 1]. Daarbij in aanmerking genomen dat dit perceel, zoals zojuist vastgesteld, al eerder lager lag dan het pad en het bovendien ook volgens [eiser 1] al eerder een drassig gedeelte bevatte, acht de rechtbank het niet voldoende aannemelijk dat met het vrijwel verdwijnen van de greppel door de bouwactiviteiten (meer) wateroverlast is ontstaan op het perceel van [eiser 1]. Dit betekent dat ook deze grief faalt. Verweerder heeft naar het oordeel van de rechtbank in het op deze punten door eisers aangevoerde terecht geen grond gezien om handhavend op te treden.

Het plaatsen van de palen op het pad

12. Door eisers is aan verweerder verzocht op te treden tegen de plaatsing van de houten palen die overdwars op het pad zijn gezet. Op de plaats van de palen heeft nooit een schrikhek gestaan, zo stellen eisers, dit hek stond op de hoek van het pad en De Tiender. Er heeft slechts voor een korte periode een tweede schrikhek gestaan. Het pad is sinds 1982, toen het gecreëerd werd, openbaar. [eiser 1] heeft sinds die tijd altijd met de trekker langs het schrikhek kunnen rijden om zijn perceel te bereiken, zo stellen eisers. De palen staan daar bovendien in strijd met het vigerende bestemmingsplan omdat dat alleen bouwwerken toestaat die noodzakelijk zijn voor de een verkeerstechnisch verantwoorde uitrusting van wegen. Nu de palen de doorgang voor gemotoriseerd verkeer belemmeren, vallen zij hier niet onder. Eisers kunnen door deze palen niet meer met de trekker op het perceel grenzend aan het pad komen. De door verweerder genoemde alternatieve toegang tot het perceel, te weten de inrit aan de Wilhelminalaan, is voor eisers geen werkbare oplossing. Deze inrit is te smal en door de steile ligging niet berijdbaar met een trekker met aanhanger. Tenslotte kunnen eisers met de trekker en aanhanger vanuit de Wilhelminalaan de draai niet maken om op het perceel te komen.

13. Verweerder heeft zich in het bestreden besluit, gecombineerd met de standpunten in de eerder met eisers ter zake gevoerde correspondentie en ter zitting, op het standpunt gesteld dat de palen zijn geplaatst in plaats van het schrikhek dat sinds 1982 aan het begin van het pad stond. Op enig moment hebben er ook twee schrikhekken gestaan. Het schrikhek had de functie om de toegang voor gemotoriseerd verkeer op het pad te belemmeren. Deze functie is nu overgenomen door de geplaatste palen. Dit betekent dat het pad nooit toegankelijk is geweest voor gemotoriseerd verkeer. Ook heeft de gemeente Reusel-De Mierden als eigenaar van het pad, dit nooit als openbaar bestemd. De palen zijn voorts niet te kwalificeren als een bouwwerk, zo stelt verweerder. Indien deze door de rechtbank wel als zodanig zouden worden gekwalificeerd, dan zijn deze bouwvergunningvrij. Tenslotte staan de palen er niet in strijd met het vigerende bestemmingsplan. De toegang aan de Wilhelminalaan is tenslotte goed bruikbaar voor eisers.

14. De rechtbank overweegt hierover als volgt.

Artikel 6 van de Wegenwet bepaalt dat een beperking van het gebruik van een weg kan worden aangenomen op grond van de gesteldheid van die weg. Tussen partijen is niet in geschil dat er vanaf 1982 tot aan de plaatsing van de palen een schrikhek heeft gestaan aan het begin van het pad. De rechtbank maakt uit de in het geding gebrachte foto’s op dat, gelet op de positie aan het begin dwars op het pad, het schrikhek, dan wel de op enig moment ook geplaatste twee schrikhekken, de functie hebben gehad aan te geven dat het pad niet toegankelijk is voor gemotoriseerd verkeer. De onderhavige palen hebben de beperkende functie van het schrikhek overgenomen. Het feit dat eisers in een bepaalde periode in weerwil van het schrikhek met hun trekker over het pad hebben kunnen rijden levert hen naar het oordeel van de rechtbank niet het recht op om dit nog immer te kunnen. Gelet op dit alles is vervolgens de vraag of het pad in het algemeen openbaar is in de zin van artikel 4 van de Wegenwet, niet relevant. De rechtbank zal dit geschilpunt dan ook verder niet bespreken en evenmin de grieven met betrekking tot de toegang aan de Wilhelminalaan.

15. Voor de stelling van eisers dat de onderhavige palen in strijd zijn met het bestemmingsplan heeft de rechtbank geen aanknopingspunten gevonden. Nu voorts de niet tussen partijen is geschil is of deze palen bouwvergunningplichtig zijn, dan wel of zij zijn te beschouwen als bouwwerken in de zin van de Woningwet, zal de rechtbank dit verder buiten bespreking laten.

Samenvatting en proceskosten

16. Samenvattend betekent dit dat de inhoudelijke beroepsgronden tegen het besluit van eisers door de rechtbank worden verworpen. Het bestreden besluit zoals dat luidt ten aanzien van [eiser 1] zal dan ook in stand worden gelaten. Zijn beroep zal ongegrond worden verklaard. De rechtbank heeft al eerder overwogen dat [eiser 2] in bezwaar ontvankelijk had moeten worden verklaard door verweerder. Zou verweerder echter aan een inhoudelijke beoordeling van zijn bezwaren zijn toegekomen, dan ziet de rechtbank niet dat verweerder ten aanzien van [eiser 2] een ander besluit had kunnen nemen dan ten aanzien van [eiser 1]. Verweerder had dan ook het bezwaar van [eiser 2] ongegrond dienen te verklaren. Om redenen van proceseconomie en omdat naar het oordeel van de rechtbank de belangen van partijen hiermee niet worden geschaad, zal de rechtbank dan ook het oordeel dat het bezwaar van [eiser 2] ontvankelijk, maar ongegrond is, in de plaats stellen van dat van verweerder.

17. Nu het beroep van [eiser 2] gegrond is acht de rechtbank termen aanwezig verweerder te veroordelen in de door [eiser 2] gemaakte proceskosten. Deze kosten zijn met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht en de daarbij behorende bijlage begroot op in totaal € 644,00 voor kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand:

• 1 punt voor het indienen van een beroepschrift;

• 1 punt voor het verschijnen ter zitting;

• waarde per punt € 322,00

• wegingsfactor 1

18. Tevens zal de rechtbank bepalen dat door de gemeente Reusel-De Mierden aan [eiser 2] het door hem gestorte griffierecht ten bedrage van € 141,00 dient te worden vergoed.

Beslissing

De rechtbank,

- verklaart het beroep van [eiser 1] met nummer AWB 07/930 ongegrond;

- verklaart het beroep van [eiser 2] met nummer AWB 07/931 gegrond;

- vernietigt het besluit van 31 januari 2007 ten aanzien van [eiser 2];

- bepaalt dat uit hoofde van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb, het oordeel van de rechtbank ten aanzien van het bezwaar van [eiser 2] in de plaats treedt van het bestreden besluit;

- verklaart het bezwaar van [eiser 2] alsnog ontvankelijk en ongegrond;

- gelast de gemeente Reusel-De Mierden aan [eiser 2] te vergoeden het door hem gestorte griffierecht ten bedrage van € 141,00;

- veroordeelt verweerder in de door [eiser 2] gemaakte proceskosten vastgesteld op € 644,00;

- wijst de gemeente Reusel-De Mierden aan als de rechtspersoon die de proceskosten aan [eiser 2] dient te vergoeden.

Aldus gedaan door mr. A.H.N. Kruijer als rechter in tegenwoordigheid van mr. E.A. Vermunt als griffier en uitgesproken in het openbaar op 4 september 2007.

?

Partijen kunnen tegen deze uitspraak binnen zes weken na de datum van verzending

van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van

de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag.

Afschriften verzonden: