Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2007:BB2200

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
16-08-2007
Datum publicatie
22-08-2007
Zaaknummer
AWB 06/1946
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Eisers WAO-uitkering is bij besluit van 24 juli 2003 ingetrokken. Dit wordt bij besluit op bezwaar van 24 november 2004 ongedaan gemaakt, het verzoek om vergoeding van de proceskosten in bezwaar wordt afgewezen en medegedeeld wordt dat nog een apart besluit omtrent eisers verzoek om schadevergoeding zal volgen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ’s-HERTOGENBOSCH

Sector bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 06/1946

Uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 augustus 2007

inzake

[Eiser],

te [woonplaats],

eiser,

tegen

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen,

te Amsterdam,

verweerder,

vertegenwoordigd door mr. E.J.H. Jansen, werkzaam bij het Uwv-kantoor te Heerlen.

Procesverloop

Bij besluit van 21 januari 2005 heeft verweerder eisers verzoek om schadevergoeding afgewezen behoudens toekenning van wettelijke rente tot een bedrag van € 255,60.

Het hiertegen gemaakte bezwaar is door verweerder bij besluit van 15 maart 2006 ongegrond verklaard.

Eiser heeft op 10 april 2006 tegen laatstgenoemd besluit beroep ingesteld. De zaak is behandeld ter zitting van de rechtbank van 27 november 2006, waar eiser is verschenen in persoon, bijgestaan door zijn echtgenote. Verweerder is verschenen bij gemachtigde.

Bij schrijven van 28 maart 2007 heeft de rechtbank partijen bericht dat onderhavige zaak door een andere rechter zal worden afgehandeld dan de rechter die de zaak op zitting heeft behandeld. Daarop hebben beide partijen schriftelijk toestemming verleend voor het achterwege laten van de behandeling van het beroep op een nadere zitting, als bedoeld in artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Op 18 juni 2007 heeft de rechtbank het onderzoek gesloten. Op 2 augustus 2007 heeft de rechtbank het onderzoek met toepassing van artikel 8:68, eerste lid, van de Awb heropend, nadat gebleken was dat door eiser met de toestemming meegezonden stukken nog niet ter kennis van verweerder waren gekomen. Nadat verweerder, na alsnog te hebben kennisgenomen van alle stukken, bij schrijven van 8 augustus 2007 zijn toestemming als bedoeld in artikel 8:57 van de Awb handhaafde, heeft de rechtbank op 10 augustus 2007 het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Partijen zijn verdeeld over de vraag of de hoogte van de schadevergoeding juist is vastgesteld.

2. Daarbij gaat de rechtbank uit van de volgende feiten en omstandigheden.

3. Eiser is jurist en heeft 35 jaar lang materieel privaatrecht gedoceerd aan een HBO-instelling. Eiser heeft (onder meer) een visuele handicap (status na conventionele ablatiochirurgie).

4. Bij besluit van 24 juli 2003 heeft verweerder de uitkering van eiser ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), welke laatstelijk werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 65 tot 80%, met ingang van 25 september 2003 ingetrokken, onder overweging dat de mate van eisers arbeidsongeschiktheid met ingang van die datum minder dan 15% was.

5. Het hiertegen gemaakte bezwaar is gegrond verklaard bij besluit op bezwaar van 24 november 2004. Daarbij is eisers WAO-uitkering per 25 september 2003 ongewijzigd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 65-80%. Tevens is eisers verzoek om vergoeding van de proceskosten in bezwaar afgewezen en is aan eiser medegedeeld dat over zijn verzoek om schadevergoeding een separate beslissing zal worden genomen.

6. Eiser heeft tegen laatstgenoemd besluit géén rechtsmiddelen ingesteld.

7. Bij schrijven van 13 december 2004 heeft eiser verweerder onder meer verzocht om een vergoeding voor respectievelijk wettelijke rente ad circa € 250,00, smartengeld (immateriële schade wegens stress en lichamelijke klachten en onheuse bejegening) ad € 8.500,00 en een vergoeding voor gemaakte proceskosten ad € 13.250,00, bestaande uit materiële schade ad € 1.250,00 en gespendeerde tijd aan de bezwaarprocedure ad € 12.000,00.

Deze bedragen heeft eiser lopende de procedure naar boven toe aangepast.

8. Bij primair besluit van 21 januari 2005 is eisers verzoek om schadevergoeding afgewezen behoudens toekenning van wettelijke rente tot een bedrag van € 255,60. Tevens is eisers verzoek om een vergoeding in de proceskosten (nogmaals) afgewezen.

9. Aan het thans bestreden besluit op bezwaar van 15 maart 2006 ligt – voor zover van belang - het volgende ten grondslag.

Ten aanzien van het verzoek om materiële schade ad € 1.250,00 en het verzoek om een vergoeding voor de gespendeerde tijde aan de bezwaarprocedure ad € 12.000,00 wordt eisers bezwaar niet-ontvankelijk verklaard, waarbij verweerder overweegt dat het primaire besluit van 21 januari 2005 niet is gericht op rechtsgevolg aangezien reeds bij besluit van 24 november 2004 eisers verzoek om vergoeding van proceskosten is afgewezen.

Wel wordt het bezwaar van eiser tegen het niet vergoeden van zijn reiskosten in verband met nader onderzoek bij de oogarts gegrond verklaard, de reiskosten i.v.m. het nader onderzoek te Rotterdam ad € 28,83 worden aan eiser betaalbaar gesteld (waarna in het verweerschrift van 11 mei 2006 tevens een tweede bezoek aan de oogarts wordt vergoed).

Ten aanzien van het verzoek om smartengeld ad € 8.500,00 verklaart verweerder het bezwaar ongegrond. Daarbij overweegt verweerder dat niet is gebleken van geestelijk leed dat kan worden beschouwd als een aantasting van de persoon in de zin van artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Ook is naar verweerders oordeel geen sprake van opgelopen letsel als gevolg van de gevolgde procedure, dan wel dat eiser in zijn eer dan wel goede naam geschaad is of op andere wijze in zijn persoon is aangetast.

Ten aanzien van het gestelde onzorgvuldig handelen door verweerder, erkent verweerder dat de bezwaartermijn van 17 weken overschreden is. Verweerder stelt dat er geen sprake is van een schandelijke overschrijding welke uitsluitend verweerder valt toe te rekenen, aangezien het buiten de invloedsfeer van verweerder heeft gelegen dat zij eerst in november 2004 het expertiseverslag van dhr. Peperkamp hebben ontvangen, terwijl voorts dhr. Heijltjes zonder nader onderzoek geen eindoordeel kon geven.

Verweerder stelt dat de vergoeding van de wettelijke rente heeft plaatsgevonden aan de hand van de feitelijke nabetaling en dat de onderliggende berekening niet ter discussie staat. Voorts gaat verweerder er van uit dat eiser inmiddels goed is geïnformeerd door UWV Groningen omtrent die onderliggende berekening. Ten aanzien van de onduidelijke, ongespecificeerde berekeningen wordt eiser verwezen naar UWV Groningen.

10. In beroep verzoekt eiser kort gezegd om een herziene berekening van de rentebetaling en nabetaling van het te weinig betaalde, om een proceskostenvergoeding bestaand uit materiële schade ad € 1.750,00, en om smartengeld ad € 23.750,00. Laatstgenoemd bedrag is als volgt samengesteld: € 18.000,00 voor gespendeerde tijd aan de bezwaar- c.q. beroepsprocedure en € 5.750,00 ter compensatie van leed (frustratie, stress, hoofdpijn, enz.).

11. De rechtbank overweegt als volgt.

Ten aanzien van het verzoek om proceskostenvergoeding in bezwaar

12. Het in de artikelen 7:15 en 7:28 Awb opgenomen vergoedingscriterium houdt in dat de door de belanghebbende in een voorprocedure redelijkerwijs gemaakte kosten desgevraagd worden vergoed voorzover het bestreden besluit wordt herroepen wegens aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid.

13. Indien aan alle voorwaarden van artikel 7:15 van de Awb is voldaan, ziet een vergoeding ingevolge dat artikel gelet op artikel 1 van het Besluit proceskosten bestuursrecht slechts op: kosten van een getuige of deskundige die door een partij is meegebracht of opgeroepen, dan wel van een deskundige die aan een partij verslag heeft uitgebracht; reis- en verblijfkosten in verband met een bezoek aan de hoorzitting; verletkosten; kosten van uittreksels uit de openbare registers en internationale telexen, telefaxen en telefoongesprekken (waaronder portokosten en kosten voor kopieën); alsmede kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

14. In voornoemd besluit van 24 november 2004 heeft verweerder onder meer eisers verzoek ingevolge artikel 7:15 van de Awb om vergoeding van de gemaakte (proces)kosten in bezwaar, expliciet afgewezen. Eiser heeft tegen dit besluit geen rechtsmiddelen aangewend, zodat dit rechtens onaantastbaar is geworden en geldt als een rechtmatig genomen besluit. Gelet op het voorgaande, ontbeert het primaire besluit van 21 januari 2005 zelfstandig rechtsgevolg ten aanzien van het punt proceskostenvergoeding inzake de bezwaarprocedure betreffende het besluit op bezwaar van 24 november 2004. Verweerder heeft eiser in het bestreden besluit van 15 maart 2006 derhalve terecht niet-ontvankelijk verklaard ten aanzien van dit punt. De enkele onbekendheid van eiser met de toepasselijke regelgeving of jurisprudentie maakt dit niet anders. (Zie onder meer de uitspraak van de Centrale raad van Beroep (CRvB) van 26 januari 2006, nr. 04/5441 AW, gepubliceerd op www.rechtspraak.nl). Ook het feit dat eiser visueel gehandicapt is maakt dit niet anders. Eiser had immers een beroep kunnen doen op professionele rechtsbijstand.

15. Eiser kan -mede gezien hetgeen hierna wordt overwogen- in beginsel in aanmerking komen voor vergoeding van eventuele reis- en verblijfkosten in verband met de hoorzitting in het kader van de bezwaarprocedure betreffende het onderhavige bestreden besluit van 15 maart 2006. Eiser heeft hier bij schrijven van 3 maart 2005 tijdig om verzocht. Echter, uit de gedingstukken blijkt dat de betreffende hoorzitting van 7 juni 2005 telefonisch heeft plaatsgevonden. Niet gebleken is derhalve dat eiser voor laatstgenoemde hoorzitting kosten heeft moeten maken die voor vergoeding in aanmerking komen.

Ten aanzien van het verzoek om schadevergoeding

16. Verweerders besluit is het gevolg van een verzoek van eiser om toekenning van schadevergoeding als gevolg van een eerder onrechtmatig genomen besluit, het besluit van 24 juli 2003 welk besluit is herroepen bij besluit van 24 november 2004. Ten aanzien van een dergelijk zuiver schadebesluit is de rechtbank bevoegd. Bij de beoordeling van een dergelijk besluit dient te worden aangesloten bij het civielrechtelijk schadevergoedingsrecht.

Wil een verzoek om schadevergoeding voor inwilliging in aanmerking komen dan moet de gestelde schade in zodanig verband staan met het onrechtmatig genomen besluit dat zij het bestuursorgaan, mede gezien de aard van de aansprakelijkheid en van de schade, als een gevolg van dat besluit kan worden toegerekend (causaliteitseis).

De omstandigheid dat slechts schade die het gevolg is van het vernietigde besluit, in casu het besluit van 24 juli 2003, voor vergoeding in aanmerking kan komen, laat de mogelijkheid onverlet om schade bij de burgerlijke rechter te vorderen op grond van een ander dan op het nemen en handhaven van het vernietigde besluit te funderen onrechtmatig handelen of nalaten van het bestuursorgaan.

17. Als aan voornoemd causaliteitsvereiste is voldaan, is het vervolgens vaste jurisprudentie dat artikel 6:119 van het BW de omvang en de duur van de verplichting tot vergoeding van schade wegens vertraging in de voldoening van een geldsom normeert. In het eerste lid van artikel 6:119 BW is bepaald dat deze schadevergoeding bestaat in de wettelijke rente van die som over de tijd dat de schuldenaar in verzuim is geweest. Het staat partijen niet vrij te bewijzen dat in werkelijkheid een andere schade is geleden dan de conform de wet forfaitair vastgestelde schade.

Naast vergoeding van vertragingschade is soms tevens met toepassing van artikel 6:106 BW plaats voor vergoeding van immateriële schade.

wettelijke rente

18. Verweerder heeft aan eiser wettelijke rente toegekend wegens het te laat uitbetalen van eiseres WAO-uitkering over de periode september 2003-november 2004. In geding is de wijze van berekenen en de hoogte van de toegekende wettelijke rente. Deze dient te worden berekend over het bruto-bedrag van de achterstallige betaling waarbij aan het einde van ieder jaar de verschuldigde rente wordt toegevoegd aan de hoofdsom (rente op rente).

19. Met eiser is de rechtbank van oordeel dat de berekening van de wettelijke rente in onderhavig geval onvoldoende inzichtelijk en derhalve onvoldoende gemotiveerd is. Het door verweerder na te betalen bedrag betreft de ten onrechte niet uitbetaalde

WAO-uitkering. Uit vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep (bijvoorbeeld Centrale Raad van Beroep 1 november 1995, LJN ZB1495) volgt dat bij de berekening van de wettelijke rente, rekening dient te worden gehouden met hetgeen verweerder krachtens een sociale zekerheidswet over hetzelfde tijdvak als waarop de nabetaling van de uitkering betrekking heeft, heeft moeten verrekenen, of aan derden heeft moeten uitbetalen.

Het besluit tot vaststelling van de wettelijke rente zal inzichtelijk moeten maken waarop verweerder baseert dat van een dergelijke verrekening of uitbetaling aan derden sprake is. Verweerder is daarbij uitgegaan van een opgave van USZO-Groningen (thans: UWV Groningen) en heeft in het primaire besluit van 21 januari 2005 vermeld dat UWV-Groningen een bruto bedrag van € 9.624,20 en een netto bedrag van € 21.553,80 (= bruto € 35.636,77) van eiser terugvordert.

Nu de juistheid van de hoogte van deze terugvordering wordt bestreden en verweerder niet beschikt over een besluit tot terugvordering van het daartoe bevoegde bestuursorgaan, mocht verweerder niet – zonder meer – van de juistheid van de opgave van UWV-Groningen uitgaan. De berekening van de wettelijke rente kan mitsdien de rechterlijke toets niet doorstaan.

20. De rechtbank acht dit in strijd met de artikelen 7:12 (deugdelijke motivering) en 3:2 (zorgvuldige voorbereiding) van de Awb.

21. Het beroep dient in zoverre derhalve gegrond te worden verklaard. Het bestreden besluit zal in zoverre worden vernietigd en verweerder zal worden opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak.

immateriële schadevergoeding (smartengeld)

22. Voor de immateriële schadevergoeding moet aangesloten worden bij artikel 6:106, eerste lid, onder b, van het Burgerlijk Wetboek (BW). Laatstgenoemd artikel luidt als volgt: “Voor nadeel dat niet in vermogensschade bestaat, heeft de benadeelde recht op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding: (…) b. indien de benadeelde lichamelijk letsel heeft opgelopen, in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast. (…)”

23. Eiser stelt dat hij lichamelijk letsel heeft opgelopen. Vanwege het in persoon procederen ondervond hij toegenomen lichamelijk klachten (stress, stressjeuk, slapeloosheid, trombose, voortdurende overbelasting van ogen en hersenen, hoofdpijn, etc.), aldus eiser. Deze klachten zijn echter niet onderbouwd met medische stukken. Bovendien heeft eiser naar het oordeel van de rechtbank het oorzakelijk verband tussen het onrechtmatige besluit van 24 juli 2003 en het lichamelijk letsel niet danwel onvoldoende aangetoond (ontbreken van causaliteit). In januari 2003 meldt eiser reeds een zeer beperkte oogcapaciteit geschat op twee uur per dag en het niet of nauwelijks herstellen van de ogen na overbelasting (zoals deelname aan het verkeer). Op 24 juni 2003 meldt eiser een oogcapaciteit van één à drieënhalf uur per dag, afhankelijk van het weer (felheid van het zonlicht). Uit een brief van oogarts F.T. Kerkhoff van 22 mei 2003 blijkt voorts dat eiser reeds vóór 24 juli 2003 leed aan hoofdpijnklachten, die hun oorzaak vonden in een zeer forse blefarochalasis. Eiser meldt de hoofdpijnklachten alsmede vermoeidheidsklachten als gevolg van lezen, schrijven, achter de computer werken en frustratie voorts reeds in een zich onder de gedingstukken bevindende brief van 30 maart 1999 en de daarbij behorende bijlagen. Ook E. Peperkamp maakt in zijn schrijven van 11 november 2004 melding van reeds eerder bestaande (postoperatieve) vermoeidheidsklachten. Bovendien maakte eiser op 30 maart 1999 c.q. 12 mei 1999 melding van een grote mate van onzekerheid, frustratie en stress als gevolg van het niet of onvoldoende kunnen vervullen van taken vanwege zijn visuele handicap alsmede van andere (nog eerder opgetreden) klachten die mogelijk (mede) stressgerelateerd zijn, te weten onder meer overspannenheid en maagklachten.

Daarbij komt voorts dat eiser de gestelde klachten die zouden zijn ontstaan naar aanleiding van het onrechtmatige besluit naar het oordeel van de rechtbank (grotendeels) had kunnen voorkomen danwel beperken middels het inschakelen van een professionele gemachtigde. Daartoe was eiser zelfs verplicht. Immers, op degene die schade lijdt of dreigt te lijden rust de verplichting schadebeperkende maatregelen te treffen. Nu eiser desalniettemin er zelf voor koos de procedure niet uit handen te geven en zichzelf over te belasten kan (ook) de uit die overbelasting voortvloeiende gestelde vervolgschade - te weten spierscheuringen en littekenweefsels door stoten, botsen en vallen na evenwichtsstoornissen – niet aan verweerder worden toegerekend. Bovendien ontbreekt hier het causale verband. Eiser maakt blijkens de gedingstukken reeds op 12 mei 1999, ruim vier jaar vóór het vernietigde besluit, melding van opgelopen verwondingen wegens stoten, vallen en botsen tegen voorwerpen (tijdens fietsen en wandelen) als gevolg van zijn visuele handicap. Terwijl ook oogarts E. Peperkamp in zijn schrijven van 11 november 2004 melding maakt van reeds eerder bestaande evenwichtsstoornissen (met name in het donker).

24. Eiser stelt voorts dat sprake is van gederfde levensvreugde en geestelijk leed. Volgens eiser hield hij tengevolge van het voeren van de bezwaarprocedure tegen het UWV onvoldoende oogcapaciteit over voor privézaken, waaronder de privéadministratie, en ontspanning. Geestelijk leed van een benadeelde kan onder omstandigheden worden aangemerkt als een aantasting van zijn persoon, die recht geeft op vergoeding van immateriële schade. Daarvan zal echter niet snel sprake zijn. Uit de geschiedenis van de totstandkoming van voormeld artikelonderdeel moet immers worden afgeleid dat de wetgever hier het oog heeft gehad op ernstige inbreuken op de persoonlijke levenssfeer als ook op andere persoonlijkheidsrechten van de betrokkene. Voorts moet worden bedacht - overeenkomstig het arrest van de Hoge Raad van 13 januari 1995, gepubliceerd in RvdW 1995, 29 c - dat in gevallen als het onderhavige in de regel wel sprake zal zijn van meer of minder sterk psychisch onbehagen en van een zich gekwetst voelen door een onrechtmatig besluit of een daarmee gelijk te stellen onrechtmatige handeling van een bestuursorgaan. Weliswaar is het aannemelijk dat ook bij eiser dergelijke gevoelens zijn ontstaan naar aanleiding van het besluit van verweerder van 24 juli 2003, maar eiser is er echter niet in geslaagd aannemelijk te maken dat hij - in afwijking van het zojuist overwogene - zodanig onder voornoemd besluit van verweerder heeft geleden dat sprake was van geestelijk leed dat kan worden beschouwd als een aantasting van zijn persoon in de zin van artikel 6:106 van het BW. Daarbij komt dat ook hier vraagtekens kunnen worden gesteld bij het causale verband. Het als gevolg van de visuele handicap onvoldoende tijd overhouden voor de eigen privé-administratie alsmede onzekerheid, frustratie en stress is blijkens de gedingstukken (schrijven van 12 mei 1999) een telkens terugkerend probleem.

25. Dat eiser door of vanwege het vernietigde besluit in zijn eer of goede naam zou zijn geschaad is niet gebleken.

26. Het verzoek om vergoeding van immateriële schade is door verweerder dan ook terecht afgewezen.

overschrijding redelijke termijn? (artikel 6 EVRM)

27. Eiser beklaagt zich over de lange termijn die verstreken is eer verweerder het besluit op bezwaar van 16 maart 2006 heeft genomen. De rechtbank vat dit op als een beroep op overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in art. 6 EVRM. Die termijn vangt volgens vaste jurisprudentie van de CRvB (RSV 2006/5, USZ 2006/1) aan op het tijdstip waarop een bezwaarschrift wordt ingediend tegen een primair besluit of tegen het uitblijven daarvan. In casu heeft eiser op 24 februari 2005 een bezwaarschrift ingediend tegen het primaire besluit van 21 januari 2005. Verweerder heeft op 15 maart 2006, dus ruim een jaar na indiening van het bezwaarschrift, een besluit op bezwaar genomen. Naar het oordeel van de rechtbank is hier geen sprake van overschrijding van voornoemde redelijke termijn.

28. De termijn verstreken voorafgaand aan het bestreden besluit op bezwaar van 24 november 2004 ligt naar het oordeel van de rechtbank thans niet ter toetsing voor. Evenmin als de overweging in laatstgenoemd besluit waarbij verweerder overweegt ‘Voor wat betreft uw verzoek om schadevergoeding zal een separate beslissing worden genomen.’ Eiser heeft immers geen rechtsmiddelen ingesteld tegen voornoemd besluit van 24 november 2004. Het thans voorliggende verzoek om schadevergoeding maakt niet dat het besluit van 24 november 2004 (en de daaraan ten grondslag liggende stukken) alsnog in volle omvang getoetst zou kunnen worden.

29. Hetgeen overigens nog door eiser naar voren is gebracht heeft de rechtbank niet tot een ander oordeel gebracht.

De door eiser gestelde omstandigheid dat bij afhandeling van deze procedure via de civielrechtelijke weg schadevergoeding zeker aangewezen zou zijn, maakt het voorgaande niet anders, aangezien de onderhavige procedure niet beheerst wordt door het civiele procesrecht maar door de eigen regels van het bestuursprocesrecht, zoals die zijn neergelegd in de Awb.

Van een schriftelijke, ondubbelzinnige en ongeclausuleerde toezegging omtrent schadevergoeding zijdens verweerder jegens eiser is niet gebleken.

Proceskosten in beroep

30. De kosten die eiser in beroep heeft moeten maken wegens rechtsbijstand (door hemzelf gespendeerde tijd aan onderhavige zaak) komen niet voor vergoeding in aanmerking aangezien geen sprake is van beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Andere vormen van rechtsbijstand komen immers op grond van artikel 8:75 juncto artikel 1 van het Besluit proceskosten bestuursrecht niet voor vergoeding in aanmerking.

31. De rechtbank acht termen aanwezig verweerder te veroordelen in de door eiser gemaakte reiskosten ten behoeve van de zitting van de rechtbank. Deze proceskosten zijn met inachtneming van artikel 1, aanhef en onder c van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) en de daarbij behorende bijlage en artikel 6, eerste lid, onderdeel III, van het Besluit tarieven in strafzaken, vastgesteld op de reiskosten per openbaar middel van vervoer, laagste klasse. Te weten een retour 2e klasse per trein van Den Bosch naar Eindhoven ad € 9,80 alsmede twee maal 3 busstrippen ad € 2,40 van Eindhoven naar Veldhoven (Waalre), totaal (2 x € 2,40) + € 9,80 = € 14,60.

32. Op grond van artikel 8:75 van de Awb juncto artikel 1 van het Besluit proceskosten bestuursrecht kunnen tevens de werkelijke kosten van uittreksels uit de openbare registers, telegrammen, internationale telexen, internationale telefaxen en internationale telefoongesprekken voor vergoeding in aanmerking komen. De rechtbank is echter niet gebleken dat eiser deze specifieke kosten gemaakt heeft.

33. Portokosten komen niet voor vergoeding in aanmerking. Dit geldt ook voor de kosten van aangetekende verzending van de processtukken. Daaraan doet niet af dat de verstrekkende risico's in de sfeer van de ontvankelijkheid die de rechtspraak aan niet-aangetekende verzending verbindt, het maken van deze kosten vrijwel onontbeerlijk maakt.

34. De rechtbank ziet wel aanleiding te bepalen dat door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan eiser het door hem gestorte griffierecht ad € 38,00 dient te worden vergoed.

35. Ter voorlichting van eiser merkt de rechtbank op dat de gegrondverklaring van het beroep en de vernietiging van het bestreden besluit niet betekent dat eiser op alle onderdelen van het beroep gelijk heeft gekregen. Uit het voorafgaande blijkt dat de rechtbank het beroep gegrond verklaard ten aanzien van de wettelijke rente, doch de overige beroepsgronden heeft verworpen. Indien eiser zich niet kan verenigen met de verwerping van deze beroepsgronden en wil voorkomen dat dit oordeel van de rechtbank in rechte komt vast te staan, zal hij, ondanks de gegrondverklaring van het beroep, tegen deze uitspraak tijdig hoger beroep moeten instellen.

36. Beslist wordt als volgt.

Beslissing

De rechtbank,

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- bepaalt dat verweerder een nieuw besluit dient te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

- veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten vastgesteld op € 14,60;

- wijst het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan als de rechtspersoon die het bedrag van de proceskosten dient te vergoeden;

- gelast het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan eiser te vergoeden het door hem gestorte griffierecht ad € 38,00.

Aldus gedaan door mr. W.P.C.G. Derksen als rechter in tegenwoordigheid van mr. S.H. Snoeij als griffier en uitgesproken in het openbaar op 16 augustus 2007.

Belanghebbenden kunnen tegen deze uitspraak binnen zes weken na de datum van toezending hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep, postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Afschriften verzonden: