Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2007:BB2123

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
02-08-2007
Datum publicatie
22-08-2007
Zaaknummer
AWB 07/313
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2008:BC9617, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De privaatrechtelijke koopovereenkomst tbv een woning maakt de koper niet tot belanghebbende bij een verzoek tot planschade. De datum van inwerkingtreding van het bestemmingsplan “Meliepark” ligt in onderhavig geval na het sluiten van de koopovereenkomst maar voorafgaand aan de notariële overdracht van de woning. Dit maakt dat in eisers situatie sprake is van een afgeleid belang en niet van een rechtstreeks belang. Immers de mogelijkheid bestaat dat een van de partijen op een tijdstip gelegen voor de notariële overdracht alsnog van de overeenkomst wil afzien. Voor de akte van cessie waarbij de verkoper alle rechten ivm een eventuele vordering uit planschade heeft overgedragen aan de koper geldt hetzelfde.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ’s-HERTOGENBOSCH

Sector bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 07/313

Uitspraak van de enkelvoudige kamer van 2 augustus 2007

inzake

[Eiser],

te [woonplaats],

eiser,

gemachtigde mr. G.J.M. de Jager,

tegen

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Heusden,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 23 mei 2006, verzonden 2 juni 2006, heeft verweerder het verzoek van eiser d.d. 17 maart 2005 tot vergoeding van planschade ex artikel 49 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO) afgewezen.

Het hiertegen gerichte bezwaar van eiser d.d. 12 juli 2006 heeft verweerder bij besluit van 18 december 2006 niet-ontvankelijk verklaard.

Eiser heeft tegen dit besluit beroep ingesteld.

Het beroep is behandeld op de zitting van 31 juli 2007, waar eiser bij gemachtigde is verschenen. Verweerder is niet verschenen.

Overwegingen

1. Allereerst is de vraag aan de orde of verweerder bevoegd was tot het nemen van het thans bestreden besluit. Eiser heeft in dit verband aangevoerd dat verweerder niet bevoegd was tot het afhandelen van verzoeken tot vergoeding van planschade ex artikel 49 WRO.

2. De rechtbank stelt in dit verband vast dat in casu artikel 49 WRO van toepassing is zoals dat luidde vóór de wetswijziging van 1 september 2005 (hierna: artikel 49 WRO (oud)). Het verzoek van eiser dateert immers van 17 maart 2005, derhalve van voor de wetswijziging. Ingevolge artikel II onder 1 van de wijzingswet (wet van 8 juni 2005, Staatsblad 2005, nr. 305) blijft artikel 49 WRO (oud) van toepassing op aanvragen om vergoeding van schade die voor de wetswijziging zijn ingediend.

Artikel 49 WRO (oud) bepaalt, voor zover in casu van belang, dat voor zover blijkt dat een belanghebbende ten gevolge van de bepalingen van een bestemmingsplan schade lijdt of zal lijden, welke redelijkerwijs niet of niet geheel te zijnen laste behoort te blijven en waarvan de vergoeding niet of niet voldoende door aankoop, onteigening of anderszins is verzekerd de gemeenteraad hem op zijn verzoek een naar billijkheid te bepalen schadevergoeding toekent.

3. De rechtbank is van oordeel dat weliswaar ingevolge artikel 49 WRO (oud) de gemeenteraad bevoegd was tot de afhandeling van verzoeken om vergoeding van schade ex artikel 49 WRO (oud), maar dat deze bevoegdheid door middel van het door verweerder overgelegde delegatiebesluit van 13 maart 2001 op grond van artikel 156 van de gemeentewet rechtsgeldig is gedelegeerd aan verweerder. Verweerder was derhalve bevoegd tot het nemen van het besluit op het verzoek van eiser en het thans bestreden besluit. De grief van eiser dat verweerder onbevoegd was tot het nemen van het thans bestreden besluit faalt dan ook.

4. Vervolgens is de vraag aan de orde of verweerder het bezwaar van eiser terecht en op goede gronden niet-ontvankelijk heeft verklaard.

5. De rechtbank houdt bij de beoordeling van het beroep rekening met de volgende feiten en omstandigheden.

De koopovereenkomst ter zake de woning tussen eiser en [verkoper] (hierna: [verkoper]) dateert van 29 december 1998.

Op 19 maart 1999 is het bestemmingsplan “Meliepark”, als gevolg waarvan eiser stelt schade te hebben geleden, welke schade is gelegen in een waardedaling van zijn woning, (hierna: bestemmingsplan), in werking getreden.

Op 2 april 1999 heeft bij de notaris de eigendomsoverdracht van de woning plaatsgevonden.

Bij ongedateerde overeenkomst zijn eiser en [verkoper] een akte van cessie overeengekomen betreffende de vordering van [verkoper] op de gemeente Heusden in verband met een mogelijk recht op vergoeding van planschade ex artikel 49 WRO.

6. Verweerder heeft blijkens het bestreden besluit aan de niet-ontvankelijkheid ten grondslag gelegd dat eiser niet kan worden aangemerkt als belanghebbende in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). Hiertoe heeft verweerder gesteld dat slechts die persoon gerechtigd is tot planschadevergoeding indien hij ten tijde van het in werking treden van de schadeveroorzakende planologische mutatie, in casu het bestemmingsplan, in een rechtsbetrekking stond ten opzichte van de getroffen zaak, in casu de woning. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat eiser ten tijde van het in werking treden van het bestemmingsplan op 19 maart 1999 geen (juridisch) eigenaar of zakelijk gerechtigde van de woning was, zodat hij niet gerechtigd is tot planschadevergoeding. Eiser is volgens verweerder pas na het in werking treden van het bestemmingsplan door de notariële levering op 2 april 1999 gerechtigd geworden tot planschadevergoeding.

7. Eiser heeft aangevoerd dat hij ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard in zijn bezwaar, nu hij wel belanghebbende is in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb. Hiertoe heeft eiser gesteld dat hij ten tijde van het in werking treden van het bestemmingsplan op 19 maart 1999 in een voldoende juridische verhouding tot de woning stond om een verzoek tot vergoeding van planschade in te dienen, gelet op het feit dat de koopovereenkomst dateert van 29 december 1998. In dit verband heeft eiser nog opgemerkt dat hij vanaf de datum van de koopovereenkomst overdrachtsbelasting verschuldigd was en ook heeft betaald en dat hij reeds begin maart 1999 de sleutel van de woning heeft gekregen.

Voorts heeft eiser gesteld dat hij belanghebbende is op grond van de getekende akte van cessie. Deze akte van cessie verleent hem de vereiste juridische en inhoudelijke basis voor het indienen van een verzoek tot vergoeding van planschade, aldus eiser.

8. Het geschil spitst zich toe op de vraag of eiser ten tijde van het in werking treden van het bestemmingsplan op 19 maart 1999 door middel van de getekende koopovereenkomst dan wel akte van cessie belanghebbende was in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb bij het verzoek tot vergoeding van schade ex artikel 49 WRO (oud). De rechtbank overweegt als volgt.

9. Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Awb wordt onder belanghebbende verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij het besluit is betrokken.

10. Blijkens vaste jurisprudentie moet het bij belang in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb gaan om een eigen, persoonlijk, individualiseerbaar belang, waarin men zich van willekeurige anderen onderscheidt, dat objectief bepaalbaar, actueel en rechtstreeks bij het bestreden besluit betrokken is.

11. De rechtbank is met verweerder van oordeel dat het voor de vraag of eiser belanghebbende is in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb teneinde een beroep te kunnen doen op artikel 49 WRO (oud), beslissend is of ten tijde van het in werking treden van het bestemmingsplan op 19 maart 1999 de eigendomsoverdracht reeds had plaatsgevonden. De rechtbank verwijst in dit verband naar een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) van 22 april 1999, LJN: AP6026. Nu onbetwist vast staat dat de eigendomsoverdracht van de woning heeft plaatsgevonden bij de notaris op 2 april 1999, is de rechtbank van oordeel dat eiser eerst per 2 april 1999 belanghebbende is geworden, zodat hij pas vanaf die datum een beroep kon doen op artikel 49 WRO (oud). Dat eiser reeds op 29 december 1998 een koopovereenkomst ter zake de woning had gesloten met [verkoper], leidt niet tot een ander oordeel. De rechtbank is van oordeel dat eiser louter op grond van deze privaatrechtelijke overeenkomst niet als belanghebbende in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb kan worden aangemerkt. Door deze koopovereenkomst is sprake van een van de privaatrechtelijke verhouding met [verkoper] afgeleid belang en is eiser mitsdien door het in werking treden van het bestemmingsplan niet rechtstreeks in zijn belang getroffen. In dit verband verwijst de rechtbank naar de uitspraken van de Afdeling van 9 december 1991, LJN: AN2762 en van 13 juni 2000, LJN: AH 6919. Eiser komt derhalve op grond van de koopovereenkomst geen beroep op artikel 49 WRO (oud) toe. Het feit dat eiser reeds begin maart 1999 de sleutel van de woning heeft gekregen en dat hij sinds de datum van de koopovereenkomst overdrachtsbelasting heeft betaald, doet aan het bovenstaande niet af.

12. Hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen ten aanzien van de koopovereenkomst geldt eveneens ten aanzien van de akte van cessie. Door de akte van cessie is sprake van een van de privaatrechtelijke verhouding met [verkoper] afgeleid belang van eiser en komt hem, bij gebrek aan een rechtstreeks betrokken belang bij het in werking treden van het bestemmingsplan, geen beroep toe op artikel 49 WRO (oud).

13. Gelet op het voorgaande heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank terecht en op goede gronden het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard. Hetgeen overigens is aangevoerd, leidt niet tot een ander oordeel en behoeft dan ook geen bespreking meer.

14. Het beroep is derhalve ongegrond.

15. De rechtbank acht voor een proceskostenveroordeling geen termen aanwezig.

16. Beslist wordt als volgt.

Beslissing

De rechtbank,

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gedaan door mr. A.H.N. Kruijer als rechter in tegenwoordigheid van mr. A.F. Hooghuis als griffier en uitgesproken in het openbaar op 2 augustus 2007.