Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2007:BB1818

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
18-07-2007
Datum publicatie
15-08-2007
Zaaknummer
01/089035-04
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Geen veroordeling tot betaling van het wederrechtelijk verkregen voordeel.

De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat een hoofdelijke ontneming vooralsnog wettelijk niet mogelijk is, alsmede het feit dat door de toerekening van het voordeel aan de feitelijk leidinggevende mededader –en niet ook aan de veroordeelde.- wordt voorkomen dat tweemaal het zelfde bedrag wordt ontnomen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2007, 237
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Vonnis

RECHTBANK 'S-HERTOGENBOSCH

Sector Strafrecht

Parketnummer: 01/089035-04

Datum uitspraak: 18 juli 2007.

Vonnis van de rechtbank ’s-Hertogenbosch, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, tegen:

[veroordeelde]

gevestigd en kantoorhoudende te [vestigingsplaats], [adres].

Procesverloop.

De rechtbank heeft in de (hoofd)zaak met bovenvermeld parketnummer vonnis gewezen op 15 december 2005. Het gerechtshof ’s-Hertogenbosch heeft in de (hoofd)zaak arrest gewezen op 17 oktober 2006. Op genoemde data is eveneens vonnis respectievelijk arrest gewezen in de zaak van [mededader 1].

Het onderhavige vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter openbare terechtzitting van 11 oktober 2006, 17 januari 2007 en 22 mei 2007.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van de veroordeelde naar voren is gebracht.

De vordering van de officier van justitie strekt tot het opleggen van de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 500.000, - ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. Bij de openbare behandelingen is de vordering gelijktijdig, doch niet gevoegd, behandeld met de vordering tegen [mededader 1] (01/089034-04).

De officier van justitie baseert de vordering tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel op een berekening ex artikel 36e, lid 2 Wetboek van Strafrecht (Sr) gecombineerd met een berekening ex artikel 36e, lid 3 Sr.

In de periode van 11 oktober 2006 tot 22 mei 2007 is een schriftelijke procedure, ex artikel 511d Wetboek van Strafvordering (Sv), gevolgd volgens het “Protocol ontneming wederrechtelijk voordeel” van de rechtbank met de toepassing waarvan van de zijde van de officier van justitie en de verdediging ter terechtzitting van 11 oktober 2006 is ingestemd.

De rechtbank heeft in de zaak van [veroordeelde] als strafbare feiten bewezen geacht:

-medeplegen van gewoonteheling, begaan door een rechtspersoon;

-medeplegen van valsheid in geschrift, begaan door een rechtspersoon, meermalen

gepleegd;

-medeplegen van gewoontewitwassen, begaan door een rechtspersoon.

De rechtbank heeft in de zaak van [mededader 1] als strafbare feiten bewezen geacht:

-medeplegen van gewoonteheling;

-opzettelijk gebruik maken van het valse of vervalste geschrift, als bedoeld in artikel 225,

lid 1, van het Wetboek van Strafrecht, als ware het echt en onvervalst, meermalen gepleegd;

-medeplegen van valsheid in geschrift, meermalen gepleegd;

-medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3b, lid 1 van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;

- medeplegen van gewoontewitwassen;

-valsheid in geschrift.

De rechtbank heeft de arresten van het gerechtshof uit proceseconomische overwegingen mede in het onderzoek betrokken. In het arrest van het gerechtshof inzake [veroordeelde] zijn de feiten, zakelijk weergegeven, op dezelfde wijze gekwalificeerd.

Verder zijn door het gerechtshof in feit 1, van zowel [mededader 1] als [veroordeelde], de zaken 4, 7, 22, 29 en 32 niet bewezen geacht. Met betrekking tot feit 5 acht het gerechtshof het gebruik maken van geldbedragen bewezen.

De rechtbank verwijst voor de bewezenverklaring en de bewijsmiddelen van de feiten in het bijzonder naar het verkort vonnis van 15 december 2005, gewezen onder parketnummer 01/089035-04 en naar de aanvulling van het verkort vonnis, alsmede naar het arrest van 17 oktober 2006.

De rechtbank constateert dat het Strafrechtelijk Financieel Onderzoek (SFO) heeft plaatsgevonden tegen veroordeelde.

Veroordeelde heeft op 29 december 2006 een conclusie van antwoord bij de rechtbank ingediend. Veroordeelde stelt zich op het standpunt dat door de heren [betrokkene 1] en [betrokkene 2] geen gelden in de onderneming zijn geïnvesteerd, laat staan het geschatte bedrag van € 500.000.-. De vordering dient derhalve te worden afgewezen.

De officier van justitie heeft op 20 maart 2007 schriftelijk gerepliceerd, waarbij hij heeft gepersisteerd bij zijn vordering. Door de officier van justitie wordt in die conclusie het standpunt ingenomen dat het openbaar ministerie in meer dan voldoende mate aannemelijk heeft gemaakt dat [betrokkene 2] en [betrokkene 1] € 500.000.-- hebben geïnvesteerd in [veroordeelde] De officier van justitie baseert zijn standpunt op het gegeven dat de hiervoor genoemde personen veroordeeld zijn voor het witwassen van crimineel geld via onder meer [veroordeelde] .

Veroordeelde heeft vervolgens op 3 mei 2007 een conclusie van dupliek genomen.

Ontvankelijkheid van de officier van justitie.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is niet gebleken van feiten, die aan de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie aan de weg staan.

De beoordeling van de vordering.

De rechtbank gaat in de beschouwing en berekening uit van haar vonnissen d.d. 15 december 2005 gewezen tegen veroordeelde en tegen [mededader 1] en houdt rekening met de aanpassingen gedaan door het gerechtshof ’s-Hertogenbosch, voor zover van toepassing.

De vennootschap [veroordeelde] bestaat en bestond uit de heren [mededader 1] en [betrokkene 3]. Bij arrest van 17 oktober 2006 werd [betrokkene 3 ] vrijgesproken van het medeplegen van heling. De tenlastelegging betrof nagenoeg dezelfde goederen als [veroordeelde] onder feit 1 tenlaste is gelegd.

Het gerechtshof overwoog daartoe:

“Het hof overweegt daarbij dat niet is gebleken dat de verdachte op enigerlei wijze was betrokken bij de inkoop van auto’s en/of auto-onderdelen voor de [veroordeelde].

Gebleken is dat de vader van verdachte (noot rechtbank: [mededader 1]) deze inkoop regelde”.

Uit het onderzoek in de hoofdzaken zowel als in deze ontnemingsprocedure concludeert de rechtbank dat [veroordeelde] winsten genereerde uit de handelingen van met name [mededader 1], die ook de beschikkingsbevoegdheid had om deze winsten naar eigen goeddunken aan te wenden.

Het door [veroordeelde] genoten wederrechtelijk verkregen voordeel moet dan ook naar het oordeel van de rechtbank aan [mededader 1] worden toegerekend.

De rechtbank heeft genoemde [mededader 1] bij vonnis van heden (18 juli 2007) de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat van een geldbedrag ter ontneming van een wederrechtelijk verkregen voordeel van € 788.748,- .

Nu volgens de rechtbank een deel van de gelden afkomstig uit misdrijf weliswaar zijn ingebracht bij [veroordeelde] maar ontnomen zullen worden bij [mededader 1] als natuurlijk persoon zal de rechtbank de omvang van het wederrechtelijk verkregen voordeel door [veroordeelde]. bepalen op nihil.

De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat een hoofdelijke ontneming vooralsnog wettelijk niet mogelijk is, alsmede het feit dat door de toerekening van het voordeel aan de feitelijk leidinggevende [mededader 1] –en niet ook aan de [veroordeelde]- wordt voorkomen dat tweemaal het zelfde bedrag wordt ontnomen.

De uitspraak

Stelt het bedrag dat [veroordeelde] dient te voldoen tot betaling aan de Staat, ter ontneming van het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel dat zij door middel van of uit de baten van het feit ter zake waarvan zij is veroordeeld heeft verkregen op nihil.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. K. Visser, voorzitter,

mr. N.M. Spelt en mr.drs. W.A.F. Damen, leden,

in tegenwoordigheid van J.Th. Vorstenbosch, griffier,

en is uitgesproken op 18 juli 2007.

Parketnummer 01/089035-04

[veroordeelde]