Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2007:BB1355

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
25-07-2007
Datum publicatie
08-08-2007
Zaaknummer
AWB 07/2096 AWB 07/2320
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

De beslissing van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (CBR) dat verzoeker eerst een onderzoek dient te ondergaan alvorens ten behoeve van hem een Verklaring van geschiktheid zal worden geregistreerd is naar het oordeel van de voorzieningenrechter aan te merken als een voorbereidingshandeling als bedoeld in artikel 6:3 van de Awb. De beslissing is genomen ter voorbereiding op het nog te nemen besluit op verzoekers aanvraag ter registratie van een Verklaring van geschiktheid. Verzoeker kan de rechtmatigheid van de opgelegde verplichting tot nader onderzoek voor eigen rekening ten volle aan de orde stellen in het kader van de beslissing op zijn aanvraag. Niet gebleken is dat de beslissing verzoeker los van het voor te bereiden besluit rechtstreeks in zijn belangen raakt. Verweerder heeft het bezwaar van verzoeker op juiste gronden niet-ontvankelijk verklaard. Volgt ongegrondverklaring van het beroep.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ’s-HERTOGENBOSCH

Sector bestuursrecht

Zaaknummers: AWB 07/2096 AWB 07/2320

Uitspraak van de voorzieningenrechter van 25 juli 2007

inzake

[verzoeker],

te [woonplaats],

verzoeker,

gemachtigde mr. L.P. Kabel,

tegen

de stichting ‘Stichting Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen’ (CBR),

te Rijswijk,

verweerder,

gemachtigde mr. B. Goris.

Procesverloop

Bij brief van 1 mei 2007 heeft verweerder aan verzoeker medegedeeld dat, om te kunnen beoordelen of aan hem een Verklaring van geschiktheid kan worden verstrekt, een nader onderzoek door een aangewezen specialist noodzakelijk wordt geacht.

Tegen dit besluit heeft verzoeker bij brief van 21 mei 2007 bezwaar gemaakt bij verweerder.

Bij brief van 22 juni 2007 heeft verzoeker de voorzieningenrechter verzocht terzake een voorlopige voorziening te treffen als bedoeld in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Bij besluit van 9 juli 2007 heeft verweerder het bezwaar van verzoeker niet-ontvankelijk verklaard.

Tegen dit besluit heeft verzoeker bij brief van 11 juli 2007 beroep ingesteld bij de rechtbank.

Op grond van artikel 8:81, vijfde lid, van de Awb is het verzoek om voorlopige voorziening gelijkgesteld met een verzoek dat wordt gedaan hangende het beroep bij de rechtbank. Dit verzoek is behandeld ter zitting van 19 juli 2007, waar verzoeker is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder is verschenen bij gemachtigde.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 8:81 van de Awb kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

De voorzieningenrechter is anders dan verweerder van oordeel dat ook na het nemen van het besluit op bezwaar nog sprake is van een spoedeisend belang, gelet op de omstandigheid dat er nog geen beslissing op de door verzoeker ingediende aanvraag ter registratie van een Verklaring van geschiktheid is genomen en het verzoek ertoe strekt dat wordt bepaald dat verweerder bij het nemen van dat besluit geen rekening mag houden met de opgelegde verplichting tot nader specialistisch onderzoek.

2. Ingevolge artikel 8:86, eerste lid, van de Awb kan de voorzieningenrechter, indien het verzoek wordt gedaan indien beroep bij de rechtbank is ingesteld en de voorzieningenrechter van oordeel is dat na de zitting als bedoeld in artikel 8:83, eerste lid, van de Awb nader onderzoek niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, onmiddellijk uitspraak doen in de aan het verzoek om een voorlopige voorziening ten grondslag liggende hoofdzaak.

3. De voorzieningenrechter is van oordeel dat zich hier een situatie voordoet als bedoeld in artikel 8:86 van de Awb en zal derhalve onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaak.

4. In deze zaak dient de vraag te worden beantwoord of verweerders besluit van 9 juli 2007, waarbij het bezwaar van verzoeker niet-ontvankelijk is verklaard, in rechte kan worden gehandhaafd.

Feiten

5. Op 20 april 2007 heeft verzoeker in verband met de verlenging van zijn vrachtwagen-rijbewijs een aanvraag ter registratie van een Verklaring van geschiktheid ingediend.

Bij brief van 1 mei 2007 is verzoeker medegedeeld dat, om te kunnen beoordelen of aan hem een dergelijke verklaring kan worden verstrekt, een nader onderzoek door een aangewezen specialist noodzakelijk is. Hierop is verzoeker verwezen naar een psychiater.

Standpunten partijen

6. Verweerder heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat de beslissing dat verzoeker eerst een onderzoek dient te ondergaan alvorens kan worden beoordeeld of ten behoeve van verzoeker een Verklaring van geschiktheid zal worden geregistreerd, is aan te merken als een voorbereidingshandeling als bedoeld in artikel 6:3 van de Awb. Volgens verweerder wordt verzoeker los van het voor te bereiden besluit niet rechtstreeks in zijn belang geraakt, zodat het bezwaar niet-ontvankelijk is.

7. Verzoeker stelt zich in beroep, voor zover hier relevant, op het standpunt dat het opleggen van de verplichting zich te laten onderzoeken door een psychiater een appellabel besluit is. In dit verband heeft verzoeker erop gewezen dat indien hij zich niet door een psychiater laat onderzoeken, het rechtsgevolg is dat er geen Verklaring van geschiktheid wordt afgegeven. Verzoeker heeft gesteld dat in vorderingsprocedures door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRS) wordt aangenomen dat het opleggen van de verplichting tot onderzoek een besluit is waartegen bezwaar en beroep openstaat. In het geval dat geoordeeld wordt dat sprake is van een voorbereidingshandeling is verzoeker van mening dat de opgelegde verplichting hem rechtstreeks in zijn belang treft. Doordat verweerder deze verplichting heeft opgelegd, beschikt verzoeker sinds juni jl. niet meer over een geldig vrachtwagenrijbewijs. Verzoeker wordt hierdoor rechtstreeks in zijn belang getroffen omdat hij zijn beroep als vrachtwagenchauffeur niet kan uitoefenen en derhalve geen inkomen heeft. Daarnaast komen de kosten van het onderzoek door de psychiater voor zijn rekening, waardoor hij door het onderzoek op zich ook rechtstreeks in zijn belang wordt getroffen.

Wettelijk kader

8. In artikel 97, in samenhang met artikel 103, eerste lid, van het Reglement Rijbewijzen is bepaald dat indien de aanvrager naar het oordeel van het CBR voldoet aan de gestelde geschiktheidseisen voor de categorie(ën) waarop de aanvraag betrekking heeft, het CBR voor die categorie(ën) in het rijbewijzenregister een Verklaring van geschiktheid registreert.

9. In artikel 101, eerste lid, aanhef en onder b, van het Reglement rijbewijzen is bepaald dat het CBR bevoegd is te vorderen dat de aanvrager zich op eigen kosten laat keuren door een of meer door het CBR aangewezen artsen of andere deskundigen dan wel dat de aanvrager zich onderwerpt aan een technisch onderzoek, verricht door een door het CBR aangewezen deskundige, of aan een rijproef, afgenomen door een door het CBR aangewezen deskundige, indien het CBR beschikt over gegevens met betrekking tot de lichamelijke en geestelijke geschiktheid van de aanvrager die het vermoeden rechtvaardigen dat de aanvrager niet voldoet aan de bij ministeriële regeling vastgestelde eisen ten aanzien van de lichamelijke en geestelijke geschiktheid tot het besturen van motorrijtuigen van de rijbewijscategorie of rijbewijscategorieën waarop de aanvraag betrekking heeft.

10. In artikel 6:3 van de Awb is bepaald dat een beslissing inzake de procedure ter voorbereiding van een besluit niet vatbaar is voor bezwaar en beroep, tenzij deze beslissing de belanghebbende los van het voor te bereiden besluit rechtstreeks in zijn belang treft.

Oordeel van de voorzieningenrechter

11. Vastgesteld wordt dat de beslissing dat verzoeker nader onderzoek door een psychiater dient te ondergaan is genomen ter voorbereiding van het nog te nemen besluit op de aanvraag ter registratie van een Verklaring van geschiktheid ten behoeve van verzoeker. Met verweerder wordt geoordeeld dat een dergelijke beslissing dient te worden aangemerkt als een beslissing in de zin van artikel 6:3 van de Awb. Verzoeker kan de rechtmatigheid van de opgelegde verplichting tot nader onderzoek voor eigen rekening ten volle aan de orde stellen in het kader van de beslissing op zijn aanvraag. Niet gebleken is dat de beslissing tot het opleggen van het onderzoek verzoeker los van het voor te bereiden besluit rechtstreeks in zijn belangen raakt. De omstandigheid dat verzoeker niet langer beschikt over een geldig vrachtwagenrijbewijs is niet het gevolg van verweerders beslissing dat verzoeker zich dient te onderwerpen aan een nader onderzoek, maar van het feit dat de geldigheidsduur ervan inmiddels is verstreken.

12. De jurisprudentie van de ABRS, waarnaar door verzoeker wordt verwezen, leidt niet tot een ander oordeel, nu deze betrekking heeft op de vorderingsprocedure ex artikel 130-134a van de Wegenverkeerswet (WVW) 1994. Deze procedure wijkt evenwel af van de onderhavige vorderingsprocedure. Immers, de vorderingsprocedure ex artikel 130-134a van de WVW wordt niet voorafgegaan door een aanvraag en het besluit tot het opleggen van het onderzoek in die procedure heeft een direct rechtsgevolg, in die zin dat op grond van de WVW het rijbewijs onverwijld ongeldig wordt verklaard indien geen medewerking wordt verleend aan het opgelegde onderzoek. In de Eigen Verklaringsprocedure heeft de bepaling dat betrokkene zich dient te onderwerpen aan een nader onderzoek niet een dergelijk rechtsgevolg.

Conclusie

13. Op grond van vorenstaande overwegingen komt de voorzieningenrechter tot het oordeel dat verweerder op juiste gronden het bezwaar van verzoeker niet-ontvankelijk heeft verklaard. Nu ook overigens niet is gebleken van feiten of omstandigheden die moeten leiden tot vernietiging, kan het bestreden besluit in rechte worden gehandhaafd. Het beroep moet derhalve voor ongegrond worden gehouden.

14. Gezien de beslissing in de hoofdzaak zal het verzoek om een voorlopige voorziening worden afgewezen.

15. Voor een veroordeling van één der partijen in de proceskosten acht de voorzieningenrechter geen termen aanwezig.

16. Mitsdien wordt beslist als volgt.

Beslissing

De voorzieningenrechter,

- verklaart het beroep ongegrond;

- wijst het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening af.

Aldus gedaan door mr. L.C. Michon als voorzieningenrechter in tegenwoordigheid van A.J.H. van der Donk als griffier en uitgesproken in het openbaar op 25 juli 2007.