Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2007:BB1334

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
06-07-2007
Datum publicatie
08-08-2007
Zaaknummer
AWB 07/1518 AWB 07/1795 AWB 07/1519 AWB 07/1796 AWB 07/1520 AWB 07/1797
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

In navolging van de Examencommissie en het College van Beroep voor de examens van de Technische Universiteit Eindhoven is de rechtbank van oordeel dat noch in de Onderwijs- en examenregeling, noch in de Wet op het hoger onderwijs en het wetenschappelijk onderzoek aan de Examencommissie de bevoegdheid is toegekend om enig besluit te nemen met het door eisers gewenste gevolg, te weten dat hun de datum van 1 september 2006 waarbinnen zij uiterlijk het kandidaatsexamen moeten hebben behaald, niet wordt tegengeworpen, zodat zij hun studie alsnog volgens het oorspronkelijke programma kunnen afsluiten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ’s-HERTOGENBOSCH

Sector bestuursrecht

Zaaknummers: AWB 07/1518 AWB 07/1795

AWB 07/1519 AWB 07/1796

AWB 07/1520 AWB 07/1797

Uitspraak van de voorzieningenrechter van 6 juli 2007

inzake

1. [verzoeker 1],

2. [verzoeker 2] en

3. [verzoeker 3]

allen te [woonplaats],

verzoekers,

gemachtigde mr. S.S.M. Teklenburg,

tegen

het College van Beroep voor de examens van de Technische Universiteit Eindhoven,

verweerder.

Als partij heeft aan het geding deelgenomen de Examencommissie voor de opleiding Technische Bedrijfskunde van de Technische Universiteit Eindhoven (hierna aan te duiden als: de Examencommissie).

Procesverloop

Bij besluiten van achtereenvolgens 1 augustus, 7 augustus en 14 september 2006 heeft de Examencommissie afwijzend beslist op de verzoeken van verzoekers om vrijstelling van het vereiste van met goed gevolg afleggen van het kandidaatsexamen.

De door verzoekers tegen deze besluiten bij verweerder ingestelde beroepen zijn bij besluiten van 27 maart 2007 ongegrond verklaard.

Tegen laatstgenoemde besluiten hebben verzoekers op 1 mei 2007 beroep ingesteld bij de rechtbank.

Bij brieven van 25 mei 2007 hebben verzoekers zich tevens tot de voorzieningenrechter van de rechtbank gewend met het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

De verzoeken zijn behandeld ter zitting van 28 juni 2007, waar verzoekers zijn verschenen in persoon, bijgestaan door hun gemachtigde. Namens verweerder zijn verschenen mr. L.L.M. Prinsen en mr. A.D. van Eggelen. Namens de Examencommissie zijn verschenen mr. E.B.M.H. de Brouwer, drs. H.W.M. van Hoeven en M.G.T.G. Sannes-Truyen.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 8:81 van de Awb kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

2. Ingevolge artikel 8:86, eerste lid, van de Awb kan de voorzieningenrechter indien het verzoek wordt gedaan terwijl beroep bij de rechtbank is ingesteld en de voorzieningenrechter van oordeel is dat na de zitting als bedoeld in artikel 8:83, eerste lid, nader onderzoek niet meer kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, onmiddellijk uitspraak doen in de aan het verzoek om een voorlopige voorziening ten grondslag liggende hoofdzaak.

3. De voorzieningenrechter is van oordeel dat zich een situatie voordoet als bedoeld in artikel 8:86, eerste lid, van de Awb en zal derhalve onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaak.

4. Het wettelijk kader is als volgt.

5. Ingevolge artikel 7.10, eerste lid, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek (WHW) bevat elk tentamen een onderzoek naar de kennis, het inzicht en de vaardigheden van de examinandus, alsmede de beoordeling van de uitkomsten van dat onderzoek.

Ingevolge het tweede lid van dit artikel is, indien de tentamens van de tot een opleiding of propedeutische fase van een bacheloropleiding behorende onderwijseenheden met goed gevolg zijn afgelegd, het examen afgelegd, voor zover de examencommissie niet heeft bepaald dat het examen tevens omvat een door haar zelf te verrichten onderzoek als bedoeld in het eerste lid.

Ingevolge het derde lid van dit artikel kan de examencommissie, in afwijking van het tweede lid en onder door haar te stellen voorwaarden, bepalen dat niet ieder tentamen van een examen met goed gevolg behoeft te worden afgelegd.

6. Ingevolge artikel 7.13, eerste lid, van de WHW stelt het instellingsbestuur voor elke door de instelling aangeboden opleiding of groep van opleidingen een onderwijs- en examenregeling vast.

Ingevolge het tweede lid van dit artikel worden in de onderwijs- en examenregeling, onverminderd het overigens in deze wet ter zake bepaalde, ten minste geregeld:

a. de inhoud van de opleiding en van de daaraan verbonden examens,

(…),

j. waar nodig, de volgorde waarin, de tijdvakken waarbinnen en het aantal malen per studiejaar dat de gelegenheid wordt geboden tot het afleggen van de tentamens en examens,

(…),

r. de gronden waarop de examencommissie voor eerder met goed gevolg afgelegde tentamens of examens in het hoger onderwijs, dan wel voor buiten het hoger onderwijs opgedane kennis of vaardigheden, vrijstelling kan verlenen van het afleggen van een of meer tentamens,

(…).

7. Ingevolge artikel 9.5 van de WHW kan het college van bestuur richtlijnen vaststellen met het oog op de organisatie en coördinatie van de uitoefening van de in de artikelen 9.14, derde lid, en 9.15, eerste lid, bedoelde bevoegdheden.

8. Ingevolge artikel 9.15, eerste lid, van de WHW – voor zover hier van belang – is de decaan, onverminderd artikel 9.5, belast met het vaststellen van de onderwijs- en examenregeling, bedoeld in artikel 7.13, alsmede de regelmatige beoordeling daarvan.

9. Ingevolge artikel 25, eerste lid, van de voor de onderhavige faculteit geldende Onderwijs- en examenregeling (OER) blijft voor de studenten die in het studiejaar voorafgaand aan het tijdstip van invoering van deze regeling waren ingeschreven voor de opleiding Technische Bedrijfskunde alsmede voor studenten die in het studiejaar 2002-2003 instromen in de verkorte opleiding, de desbetreffende onderwijs- en examenregeling, laatstelijk vastgesteld/gewijzigd op 26 juni 2001, van kracht onder de volgende voorwaarden:

a. tot 1 september 2003 wordt de gelegenheid geboden het propedeutisch examen af te leggen;

b. tot 1 september 2006 wordt aan degenen die het onder a. bedoelde examen hebben behaald, de gelegenheid geboden het kandidaatsexamen af te leggen;

c. tot 1 september 2009 wordt aan degenen die het onder b. bedoelde examen hebben behaald, de gelegenheid geboden het afsluitend examen af te leggen.

Ingevolge het derde lid van dit artikel kan de examencommissie aan andere studenten dan die bedoeld in lid 1 toestemming verlenen tentamens en examens af te leggen volgens de in het eerste lid bedoelde onderwijs- en examenregeling. Het bepaalde in lid 1 sub a., b., en c. blijft daarbij onverminderd van kracht, aldus te laatste volzin van dit artikellid.

10. De voorzieningenrechter neemt de navolgende feiten en omstandigheden als vaststaand aan.

11. Verzoekers volgen een opleiding Technische Bedrijfsvoering “oude stijl”. Om deze studie met succes op deze wijze te kunnen afronden dienden zij op grond van artikel 25, eerste lid, aanhef, en onder b en c, van de OER, in onderling verband bezien, uiterlijk op 1 september 2006 het kandidaatsexamen met goed gevolg te hebben afgelegd. Hierin zijn zij evenwel niet geslaagd, hetgeen voor hen tot gevolg heeft dat zij hun studie nog slechts binnen het kader van het bachelor/master-programma kunnen afronden. Dit betekent voor hen onder meer dat zij aanvullende tentamens dienen af te leggen, hetgeen een verzwaring van hun studieprogramma meebrengt. Met hun tot de Examencommissie gerichte verzoek wensen zij te bereiken dat hen de datum van 1 september 2006 waarop zij uiterlijk het kandidaatsexamen dienen te hebben behaald (de zogeheten K-deadline) niet zal worden tegengeworpen, zodat zij hun studie alsnog volgens het oorspronkelijke programma kunnen afsluiten.

12. Gelet op de bestreden besluiten, zoals nader toegelicht ter zitting, stelt verweerder zich, in navolging van de Examencommissie, primair op het standpunt dat de Examencommissie niet de bevoegdheid heeft om enig besluit te nemen waaraan het door verzoekers gewenste gevolg toekomt. Daartoe is aangevoerd dat de OER noch enig ander wettelijk voorschrift de Examencommissie de mogelijkheid biedt af te wijken van de K deadline.

13. De voorzieningenrechter onderschrijft dit standpunt van verweerder en de Examencommissie. Daartoe wordt overwogen dat niet is gebleken dat in de OER zelf enige bepaling is opgenomen waarin aan de Examencommissie de bevoegdheid is toegekend om enigerlei uitzondering toe te staan op het bepaalde in artikel 25, eerste lid, aanhef, en onder b en c. Weliswaar kent het derde lid aan de Examencommissie een – in casu niet relevante – bevoegdheid toe om af te wijken van het in het eerste lid van dit artikel bepaalde, maar ook daarbij is uitdrukkelijk bepaald dat het onder a tot en met c bepaalde onverminderd van kracht blijft. Ook elders kan naar het oordeel van de voorzieningenrechter geen bepaling worden gevonden die de Examencommissie de bevoegdheid geeft af te wijken van de K-deadline. Anders dan zijdens verzoekers ter zitting is betoogd, kan in artikel 7.10, derde lid, van de WHW een dergelijke bevoegdheid niet worden gevonden. Dit artikel geeft immers de Examencommissie uitsluitend de bevoegdheid te bepalen dat niet ieder tentamen van een examen met goed gevolg behoeft te worden afgelegd. Aan dit artikellid kan echter niet de bevoegdheid worden ontleend om ten aanzien van het vereiste van het behalen van enig examen (zoals het kandidaatsexamen) afwijking toe te staan. Een ander komt ook tot uitdrukking in artikel 7.13, aanhef en onder r, van de WHW.

14. Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat aan de Examencommissie niet de bevoegdheid toekomt het door verzoekers gewenste besluit te nemen.

15. Gelet hierop kunnen de overige door verzoekers tegen de bestreden besluit en aangevoerde grieven onbesproken blijven. Deze kunnen er immers niet toe leiden dat door de Examencommissie jegens hen enig ander besluit wordt genomen dan al is neergelegd in de primaire besluiten.

16. De beroepen zijn derhalve ongegrond. Gegeven deze beslissing in de hoofdzaak dienen ook de verzoeken tot het treffen van een voorlopige voorziening te worden afgewezen.

17. De voorzieningenrechter ziet geen grond voor het uitspreken van een proceskostenveroordeling.

18. Beslist wordt als volgt.

Beslissing

De voorzieningenrechter,

- verklaart de beroepen ongegrond;

- wijst de verzoeken tot het treffen van een voorlopige voorziening af.

Aldus gedaan door mr. W.C.E. Winfield, voorzieningenrechter in tegenwoordigheid van mr. D.M. Manie, griffier, en uitgesproken in het openbaar op 6 juli 2007.