Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2007:BA9961

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
04-07-2007
Datum publicatie
19-07-2007
Zaaknummer
AWB 06/4083
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Ontslag wegens ziekte - verweerder heeft onvoldoende inzichtelijk gemaakt dat voor eiser geen andere passende arbeid beschikbaar was.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ’s-HERTOGENBOSCH

Sector bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 06/4083

Uitspraak van de meervoudige kamer van 4 juli 2007

inzake

[eiser], te [woonplaats], eiser,

gemachtigde mr. M. van der Schoor,

tegen

de Korpsbeheerder van de Politie Brabant-Noord, te ’s-Hertogenbosch, verweerder,

gemachtigde mr. E.H.A. van Aken.

Procesverloop

Bij besluit van 9 december 2003 heeft verweerder aan eiser met ingang van 15 december 2003 eervol ontslag verleend voor zijn functie van medewerker basispolitiezorg A op grond van ongeschiktheid wegens ziekte.

Het hiertegen door eiser gemaakte bezwaar heeft verweerder bij besluit van 5 augustus 2004 ongegrond verklaard.

Eiser heeft beroep ingesteld tegen laatstgenoemd besluit.

Dit beroep is bij uitspraak van deze rechtbank van 6 juni 2006 gegrond verklaard. Verweerder is bij deze uitspraak opgedragen een nieuwe beslissing op het bezwaar van eiser te nemen.

Bij beroepschrift van 28 september 2006 heeft eiser beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen door verweerder van een beslissing op het bezwaar tegen het besluit van 9 december 2003.

Bij besluit van 24 oktober 2006 heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het besluit van 9 december 2003 ongegrond verklaard.

Bij brief van 31 oktober 2006 heeft de rechtbank partijen meegedeeld dat eisers beroep van 28 september 2006 onder toepassing van het bepaalde in artikel 6:20 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) geacht wordt mede te zijn gericht tegen het besluit van 24 oktober 2006.

De zaak is behandeld op de zitting van 29 mei 2007, waar eiser is verschenen in persoon, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder is verschenen bij gemachtigde en [leidinggevende], eisers voormalig leidinggevende.

Overwegingen

1. Het beroep van eiser is onder meer gericht tegen het uitblijven van een beslissing op bezwaar. Nu verweerder op 24 oktober 2006 een beslissing op bezwaar heeft genomen, heeft eiser geen belang meer bij beoordeling van het beroep voor zover dit is gericht tegen het niet tijdig beslissen op bezwaar. De rechtbank zal het beroep in zoverre dan ook niet-ontvankelijk verklaren.

2. Vervolgens is aan de orde of verweerder in redelijkheid heeft kunnen besluiten aan eiser eervol ontslag te verlenen op grond van ongeschiktheid wegens ziekte.

3. De rechtbank gaat bij de beoordeling van dit geding uit van de volgende feiten en omstandigheden.

4. Aan eiser is met ingang van 27 juli 1988 de functie van medewerker basispolitiezorg A bij het team [team] in het district [...] toegewezen. Op 29 oktober 2000 is eiser voor zijn werkzaamheden uitgevallen wegens een hernia. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) heeft eiser met ingang van 28 oktober 2001 een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25-35%. Met ingang van 29 oktober 2001 heeft eiser op arbeidstherapeutische basis bureauwerkzaamheden en later HKS-werkzaamheden (data-invoer) hervat. Met ingang van 25 juni 2003 heeft eiser werkzaamheden op eigen verdienniveau hervat in de Back Office te [standplaats] voor 20 uur per week. Met ingang van 10 september 2003 is eisers WAO-uitkering herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35-45%. Naar aanleiding van een verrichte expertise heeft de bedrijfsarts verweerder bij brief van 15 oktober 2003 gerapporteerd over eisers beperkingen tot het verrichten van arbeid. Op verzoek van verweerder heeft het Uwv in een brief van 29 oktober 2003 een functieongeschiktheidsadvies uitgebracht.

6. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat eisers beperkingen zo ingrijpend zijn dat binnen het korps voor eiser geen andere arbeid beschikbaar was. Daarbij is het probleem dat zowel executieve als bureaugebonden werkzaamheden voor hem niet in aanmerking komen. Het herplaatsingsonderzoek heeft op een zorgvuldige wijze plaatsgevonden en verweerder vertrouwt erop dat voor eiser thans inzichtelijk te hebben gemaakt.

7. Eiser heeft – kort gezegd – aangevoerd dat een toetsing ex nunc dient plaats te vinden en dat verweerder zich niet mag beperken tot de herplaatsingsmogelijkheden in 2003. Dit geldt temeer nu verweerder bij eiser het vertrouwen heeft gewekt dat met hem serieus zal worden gepoogd een functie te vinden om te bewerkstelligen dat hij “aan boord zou blijven”. Voorts is het volgens eiser niet juist dat de bedrijfsarts, zoals verweerder heeft gesuggereerd, zonder meer heeft gesteld dat geen bureaugebonden en beeldschermgebonden werkzaamheden zouden kunnen worden verricht. De e-mail van de bedrijfsarts van 16 augustus 2006 is uit de losse pols geschreven, zonder dat daar nader onderzoek aan voorafgegaan is. Dit is zodanig onzorgvuldig dat deze e-mail buiten beschouwing moet worden gelaten.

8. De rechtbank overweegt als volgt.

9. Ingevolge artikel 94, eerste lid, aanhef en onder e, van het Besluit algemene rechtspositie politie (Barp), kan de ambtenaar worden ontslagen wegens ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte.

Ingevolge artikel 94, derde lid, van het Barp, voor zover hier van belang, kan dit ontslag slechts plaatsvinden indien:

a. er sprake is van ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte gedurende een ononderbroken periode van twee jaar,

b. herstel van zijn ziekte niet binnen een periode van zes maanden na de in onderdeel a genoemde termijn van twee jaar te verwachten is, en

c. na een zorgvuldig onderzoek het niet mogelijk is gebleken om de ambtenaar binnen de regio andere arbeid aan te bieden, dan wel indien de ambtenaar geweigerd heeft deze arbeid te aanvaarden.

10. De rechtbank heeft in haar uitspraak van 6 juni 2006 overwogen dat tussen partijen niet in geschil is dat in het onderhavige geval is voldaan aan de in artikel 94, derde lid, aanhef en onderdelen a en b, van het Barp vermelde eisen, namelijk dat er sprake is van ongeschiktheid tot het verrichten van de eigen arbeid wegens ziekte gedurende een ononderbroken periode van twee jaar en dat herstel van deze ziekte niet binnen een periode van zes maanden na de in onderdeel a genoemde termijn van twee jaar te verwachten is. De rechtbank heeft voorts overwogen dat partijen verdeeld zijn over het antwoord op de vraag of verweerder op goede gronden heeft kunnen concluderen dat na een zorgvuldig onderzoek het niet mogelijk is gebleken om de ambtenaar binnen de regio van verweerder andere arbeid aan te bieden (de eis van artikel 94, derde lid, onderdeel c, van het Barp).

De rechtbank heeft in voormelde uitspraak vervolgens geconcludeerd dat de vraag die moet worden beantwoord is of verweerder voldoende zorgvuldig heeft onderzocht of eiser herplaatsbaar is binnen zijn politieregio. De rechtbank heeft dienaangaande geoordeeld dat verweerder terecht van mening is dat de functie in de Back Office te [standplaats] en de functie in de meldkamer niet passend zijn voor eiser. De rechtbank heeft in haar uitspraak evenwel tevens geoordeeld dat verweerder weliswaar heeft gesteld dat hij ook de overige functies binnen zijn politieregio, zoals vermeld in het functieboek, aan de hand van de door de bedrijfsarts vastgestelde beperkingen van eiser heeft beoordeeld op geschiktheid, maar dat verweerder van dat onderzoek geen stukken heeft overgelegd en eiser bovendien niet bij dit onderzoek heeft betrokken, waardoor verweerder voor eiser onvoldoende inzichtelijk heeft gemaakt dat er voor hem geen andere arbeid meer beschikbaar was.

10. Gelet op de uitspraak van de rechtbank van 6 juni 2006 staat thans ter beoordeling of verweerder bij de beslissing op bezwaar van 24 oktober 2006 voldoende inzichtelijk heeft gemaakt dat voor eiser geen andere passende arbeid beschikbaar was.

11. Bij die beoordeling geldt als uitgangspunt dat, gelet op de aard van het besluit van 9 december 2003, in het kader van het herplaatsingsonderzoek dient te worden bezien of ten tijde van het ontslag andere passende arbeid voor eiser binnen de politieregio aanwezig was. Derhalve moet ook worden uitgegaan van de beperkingen zoals die ten tijde van het ontslagbesluit bij eiser bestonden.

12. Verweerder heeft aan de verplichting om inzichtelijk te maken dat geen andere passende arbeid beschikbaar was, invulling gegeven door aan de hand van de functies in het functieboek een nieuw herplaatsingsonderzoek te doen. Verweerder heeft eiser in dat kader een lijst met 42 uit dat functieboek geselecteerde functies toegezonden. Het ging daarbij om alle functies binnen de Politie Brabant-Noord minus de functies met een zware fysieke belasting en de functies met een hoger functieniveau. Eiser heeft daaruit vervolgens functies geselecteerd die naar zijn mening passend waren. Verweerder heeft in de beslissing op bezwaar van 24 oktober 2006 ten aanzien van de door eiser geselecteerde functies gemotiveerd aangegeven waarom deze functies naar de mening van verweerder voor eiser niet als passend moeten worden aangemerkt.

13. De rechtbank is evenwel met eiser van oordeel dat verweerder ook ten aanzien van de overige functies van voormelde lijst met 42 functies had dienen aan te geven waarom hij deze functies niet passend acht voor eiser. Dat eiser aanvankelijk uit genoemde lijst bij brieven van 21 en 30 augustus 2006 slechts een aantal functies heeft geselecteerd, doet aan de verplichting van verweerder om een zorgvuldig herplaatsingsonderzoek te verrichten, niet af.

13. Ten aanzien van de door verweerder in de beslissing op bezwaar van 24 oktober 2006 besproken functies geldt dat verweerder een aantal van die functies niet passend acht voor eiser, omdat in die functies sprake is van beeldscherm- en bureaugebonden werkzaamheden. Verweerder stelt dat dergelijke functies niet passend zijn, omdat daarin niet afwisselend zittend, staand en lopend wordt gewerkt. Verweerder baseert zijn stelling dat beeldscherm- en bureaugebonden functies niet passend zijn, op het rapport van de bedrijfsarts van 15 oktober 2003 en op de nadere rapportage van de bedrijfsarts van 16 augustus 2006.

14. De bedrijfsarts heeft in zijn nadere rapportage van 16 augustus 2006 aangegeven dat eiser het meest gebaat is bij een functie waarbij hij afwisselend kan lopen, zitten en staan. Hij heeft voorts vermeld:

"Wat betrokkene zelf betreft is in het reïntegratietraject gebleken, dat hij klachten hield en zelfs meer klachten kreeg (ook op andere niveau's) bij zittend werk (mijns inziens juist dóór dit zittend werk) en dat óndanks urenreductie (halve dagen), óndanks maximale eigen regelruimte (geen werkdruk, alle mogelijkheden en toestemming om het werk op elk moment te kunnen onderbreken of afbreken of variëren), óndanks prima stoel, óndanks aangevraagde voorzieningen, óndanks alle begrip en medewerking vanuit de lijn".

15. Verweerder heeft ter zitting aangegeven dat tijdens de door eiser verrichte HKS- werkzaamheden is gebleken dat enkel de mogelijkheid tot vertreden onvoldoende is. Bij die werkzaamheden had eiser immers de volledige vrijheid om het zittende werk op elk gewenst moment af te wisselen met staan en lopen, in tegenstelling tot de werkzaamheden in de Back Office waar eiser tot anderhalf uur aaneengesloten zittend werk moest verrichten (bij lange aangiften of drie achtereenvolgende korte aangiften). Het re-integratietraject met de HKS-werkzaamheden is echter mislukt, aldus verweerder, omdat eiser meer klachten kreeg. Verweerder heeft gesteld dat dit ook blijkt uit de hiervoor aangehaalde passage uit de nadere rapportage van de bedrijfsarts, welke passage - aldus verweerder ter zitting - ziet op de HKS-werkzaamheden en niet op het werk in de Back Office.

Verweerder heeft ter zitting wel beaamd dat voor in ieder geval een aantal van de functies met beeldscherm- en bureaugebonden werkzaamheden, bijvoorbeeld de functies allround administratief medewerker, assistent informatievoorziening en administratief medewerker B, geldt dat vertreden goed mogelijk is.

16. Eiser heeft ter zitting gesteld dat het werk bij de HKS niet is mislukt, maar dat hij eenvoudigweg is overgeplaatst.

De rechtbank kan eiser in zoverre hierin volgen dat uit de stukken inderdaad niet blijkt dat eiser zijn HKS-werkzaamheden heeft beëindigd wegens toegenomen klachten. Met name het "Logboek reïntegratie [eiser]" geeft veeleer het beeld dat verweerder in verband met de beperkingen van de organisatie en de bedrijfsvoering ervoor heeft gekozen om eiser – tegen zijn zin – over te plaatsen naar de Back Office. Daar komt bij dat naar believen vertreden, wat bij de HKS-werkzaamheden mogelijk was, bij de werkzaamheden in de Back Office minder was gewaarborgd, zodat het ook niet logisch zou zijn om eiser, vanwege zijn toegenomen klachten, van de HKS-werkzaamheden naar de Back Office te verplaatsen.

De rechtbank wijst er bovendien op dat, als al moet worden aangenomen dat de hierboven aangehaalde passage uit de e-mail van de bedrijfsarts van 16 augustus 2006 betrekking heeft op de HKS-werkzaamheden en dat derhalve zelfs een zittende functie waarin naar believen kan worden vertreden, niet geschikt is voor eiser, bij eiser, blijkens het eerdergenoemde logboek, in oktober 2002 een nieuwe hernia is geconstateerd. De rechtbank kan derhalve niet uitsluiten dat eiser daardoor in de periode waarin hij HKS-werkzaamheden heeft verricht, extra beperkingen had. Dat wil echter niet per definitie zeggen dat eiser deze beperkingen ook in december 2003 had. Daarbij kan de rechtbank er niet aan voorbijgaan dat, blijkens de rapportage van arbeidsdeskundige F. Warbroek d.d. 30 november 2006, in het kader van de WAO-schatting per 10 september 2003 aan eiser functies zijn geduid die zittend werken met een computer achter een bureau behelzen, maar waarin kan worden vertreden door bijvoorbeeld lopen naar de printer, de koffie-automaat en de fax.

17. In het licht van eisers stelling dat hij zittend werk kan verrichten mits er voldoende mogelijkheden tot vertreden zijn, is de rechtbank dan ook van oordeel dat verweerder onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat functies waarin niet afwisselend zittend, staand en lopend wordt gewerkt, maar waar enkel de mogelijkheid tot vertreden aanwezig is, voor eiser als niet passend moeten worden aangemerkt.

18. Verweerder heeft ten aanzien van een aantal van de door eiser in zijn brieven van 21 en 30 augustus 2006 genoemde functies gesteld dat deze niet passend zijn voor eiser, omdat in die functies onregelmatig moet worden gewerkt.

Eiser heeft daar tegenin gebracht dat nimmer is vastgesteld dat voor hem beperkingen gelden ten aanzien van het werken in onregelmatigheid en dat hij in de Back Office ook onregelmatig, namelijk verspreid over de dag, heeft gewerkt.

Verweerder heeft ter zitting desgevraagd aangegeven dat gekeken is naar niet-onregelmatige functies, omdat eiser heeft gezegd dat hij niet onregelmatig wil werken. Verweerder heeft tevens erkend dat de beperking betreffende onregelmatige werkzaamheden niet op medische gronden is gebaseerd. De rechtbank acht verweerders stelling dat functies waarin onregelmatig moet worden gewerkt voor eiser niet passend zijn, in dat licht bezien onvoldoende onderbouwd.

19. De rechtbank komt op grond van het vorenoverwogene tot het oordeel dat verweerder onvoldoende inzichtelijk heeft gemaakt dat voor eiser geen andere passende arbeid beschikbaar was. Het beroep is derhalve gegrond. De rechtbank zal het besluit van 24 oktober 2006 vernietigen wegens strijd met artike1 3:2 en artikel 7:12, eerste lid, van de Awb en bepalen dat verweerder een nieuwe beslissing op bezwaar dient te nemen met inachtneming van deze uitspraak.

20. De rechtbank acht termen aanwezig verweerder te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten.

21. In aanmerking nemende dat eiser zich, in verband met het uitblijven van een hernieuwde beslissing op bezwaar, genoodzaakt heeft gezien om beroep in te stellen, ziet de rechtbank, ondanks het thans ontbreken van procesbelang, aanleiding om verweerder te veroordelen in de door eiser in verband hiermee gemaakte proceskosten. Deze kosten zijn met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) en de daarbij behorende bijlage begroot op in totaal € 80,50 voor kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand:

• 1 punt voor het indienen van het beroepschrift gericht tegen het niet tijdig nemen van een beslissing op het bezwaar;

• waarde per punt € 322,00;

• wegingsfactor 0,25.

De rechtbank heeft de wegingsfactor 0,25 (zeer licht) toegekend, in navolging van de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 13 augustus 2002, gepubliceerd op www rechtspraak.nl, LJN: AE6823.

22. Ten aanzien van het beroep gericht tegen het besluit van 24 oktober 2006 begroot de rechtbank de proceskosten met inachtneming van het Bpb en de daarbij behorende bijlage op in totaal € 644,00 voor kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand:

• 1 punt voor het indienen van het (aanvullend) beroepschrift gericht tegen het besluit van 24 oktober 2006;

• 1 punt voor het verschijnen ter zitting;

• waarde per punt € 322,00;

• wegingsfactor 1.

23. Tevens zal de rechtbank bepalen dat door de Politieregio Brabant-Noord aan eiser het door hem gestorte griffierecht ten bedrage van € 141,00 dient te worden vergoed.

24. Beslist wordt als volgt.

Beslissing

De rechtbank,

- verklaart het beroep gericht tegen het niet tijdig nemen van een beslissing op eisers bezwaar niet-ontvankelijk;

- veroordeelt verweerder in de door eiser ter zake van het beroep tegen het niet tijdig nemen van een beslissing op zijn bezwaar gemaakte proceskosten, vastgesteld op

€ 80,50;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 24 oktober 2006 gegrond;

- vernietigt het besluit van 24 oktober 2006;

- bepaalt dat verweerder een nieuwe beslissing op bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak;

- veroordeelt verweerder in de door eiser ter zake het beroep tegen het besluit van 24 oktober 2006 gemaakte proceskosten vastgesteld op € 644,00;

- wijst de Politieregio Brabant-Noord aan als de rechtspersoon die de proceskosten aan eiser dient te vergoeden;

- gelast de Politieregio Brabant-Noord aan eiser te vergoeden het door hem gestorte griffierecht ten bedrage van € 141,00.

Aldus gedaan door mr. J.L.M. Dohmen als voorzitter en mr. Y.S. Klerk en mr. J.H.L.M. Snijders als leden in tegenwoordigheid van drs. M.T. Petersen als griffier en uitgesproken in het openbaar op 4 juli 2007.

De voorzitter was buiten staat deze uitspraak te ondertekenen.

Belanghebbenden kunnen tegen deze uitspraak binnen zes weken na de datum van toezending hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep, postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Afschriften verzonden: