Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2007:BA9861

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
18-07-2007
Datum publicatie
18-07-2007
Zaaknummer
01/089057-03
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Ontvankelijkheid officier van justitie ivm verdedigingsrechten en het Geeringsarrest

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK 'S-HERTOGENBOSCH

Sector Strafrecht

Parketnummer: 01/089057-03

Datum uispraak: 18 juli 2007

Vonnis van de rechtbank 's-Hertogenbosch, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[veroordeelde]

geboren te [geboorteplaats], op [geboortedatum] 1956,

wonende te [woonplaats], [adres].

Inleiding/procesverloop

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 11 oktober 2006, 17 januari 2007 en 22 mei 2007.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijnde van de veroordeelde naar voren is gebracht.

De vordering van de officier van justitie strekt tot het opleggen van de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 4.387.010,- ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. In de loop van de schriftelijke procedure heeft de officier van justitie zijn vordering verminderd tot een bedrag van € 2.632.209,-.

Bij de openbare behandelingen is de vordering gelijktijdig doch niet gevoegd behandeld met de vorderingen tegen [veroordeelde 1] (01/089025-03), [veroordeelde 2] ( 01/089026-03), [veroordeelde 3] (01/089040-03) en [veroordeelde 4] (01/089067-03).

In de periode van 11 oktober 2006 tot 22 mei 2007 is een schriftelijke procedure ex artikel 511d Wetboek van Strafvordering (Sv) gevolgd volgens het " Protocol ontneming wederrechtelijk voordeel" van de rechtbank met de toepassing waarvan van de zijde van de officier van justitie en de verdediging ter terechtzitting van 11 oktober 2006 is ingestemd.

De rechtbank heeft in de hoofdzaak met bovenvermeld parketnummer vonnis gewezen op 1 september 2005. Het gerechtshof te 's-Hertogenbosch heeft in de hoofdzaak arrest gewezen op 17 oktober 2006.

De vordering tot ontneming van het wederrechtelijk voordeel baseerde de officier van justitie aanvankelijk op met name het als bestuurder deelnemen aan een organisatie die bestond uit een samenwerkingsverband, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven genoemd in artikel 3 (lid 1) aanhef en onder A. B. en C. van de Opiumwet, en een of meer andere misdrijven.

De rechtbank heeft genoemd strafbaar feiten bewezen geacht als ook:

- medeplegen van het in de uitoefening van een beroep of een bedrijf opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 (lid 1) aanhef en onder B. van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.

De rechtbank heeft het arrest van het gerechtshof alsmede de aanvulling daarop d.d. 24 oktober 2006 uit proceseconomische overwegingen mede in het onderzoek betrokken.

Uit dat arrest en uit de aanvulling op dat arrest volgt - zakelijk weergegeven - onder meer dat de door de rechtbank bewezen geachte feiten in stand blijven met dien verstande dat [veroordeelde] gezien wordt als deelnemer in plaats van bestuurder met betrekking tot feit 1.

De rechtbank verwijst voor de bewezenverklaring en de bewijsmiddelen van de feiten uit de hoofdzaak naar het verkort vonnis van 1 september 2005, gewezen onder parketnummer 01/089057-03 en de aanvulling op het verkort vonnis, alsmede naar het arrest van 17 oktober 2006.

De rechtbank constateert dat het Strafrechtelijk Financieel Onderzoek (SFO) heeft plaatsgevonden tegen de veroordeelden [veroordeelde 1] en [veroordeelde 2].

De raadsman van veroordeelde heeft op 29 december 2006 een conclusie van antwoord bij de rechtbank ingediend.

De officier van justitie heeft op 20 maart 2007 schriftelijk gerepliceerd, waarbij hij zijn vordering (aanvankelijk) heef verlaagd tot een bedrag van € 2.632.759,-, waarna de raadsman van veroordeelde een conclusie van dupliek heeft genomen. De officier van justitie heeft ter terechtzitting van 22 mei 2007 zijn vordering verlaagd tot een bedrag van € 2.632.209,-.

Beoordeling van de vordering.

De vordering is tijdig ingediend.

De rechtbank beziet achtereenvolgens.

1. Het vonnis en het arrest

2. De ontvankelijkheid van de officier van justitie

3. De methode van berekenen van het wederrechtelijk verkregen voordeel

4. De periode van wederrechtelijk verkregen voordeel en de extrapolatie daarrvan

5. De hoeveelheden hennep en de extrapolatie daarvan

6. Het wederrechtelijk verkregen voordeel van de organisatie

7. De toerekening van een deel van het wederrechtelijk verkregen voordeel aan elk van de veroordeelden

8. Matiging van het betalingsbedrag.

De rechtbank zal de hierboven vermelde onderdelen de standpunten uit de schriftelijke procedure van de verdediging en van de officier van justitie betrekken.

1. Het vonnis en het arrest.

De rechtbank gaat in de beschouwing en berekening uit van haar vonnis d.d. 1 september 2005 gewezen tegen veroordeelde en houdt rekening met de aanpassingen gedaan door het gerechtshof 's-Hertogenbosch voor zover van toepassing. Op grond van de bewijsmiddelen is de meervoudige strafkamer van de rechtbank van oordeel dat [veroordeelde] voornoemd voordeel heeft verkregen door middel van of uit de baten van de feiten terzake waarvan betrokkene is veroordeeld.

2. De ontvankelijkheid van de officier van justitie.

Door de verdediging van de veroordeelde [veroordeelde] is gesteld dat de officier van justitie niet ontvankelijk dient te worden verklaard, nu de verdediging niet in staat wordt gesteld om zijn verdedigingsrechten ten volle uit te oefenen ter zake van het wekelijkse exporteren van 200 kilo hennep naar Engeland, een feit dat aan veroordeelde aanvankelijk wel maar in de definitieve tenlastelegging niet meer is ten laste gelegd en derhalve gezien moet worden als een soortgelijk feit als bedoeld in artikel 36e, lid 1 Sr, zodat er sprake is van strijd met artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Door de raadsman is tevens een beroep gedaan op het Geeringsarrest.

De officier van justitie geeft aan dat het aan de veroordeelde is om een afweging te maken ter zake van het inzicht geven in zijn handelen en derhalve zich mogelijk blootstellen aan vervolging voor het genoemde feit. Voorts stelt de officier van justitie dat met de introductie van het begrip soortgelijke (en andere) feiten die bij de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel kunnen worden meegenomen zonder een op die feiten betrekking hebbende veroordeling, de wetgever kennelijk geen doorslaggevende betekenis heeft willen toekennen aan de positie van de verdediging ten aanzien van die feiten.

Voor wat betreft het laatste onderdeel van zijn reactie volgt de rechtbank het standpunt van de officier van justitie, dat steun vindt in de gangbare jurisprudentie daaromtrent.

De rechtbank overweegt ten aanzien van het verweer van de raadsman dat veroordeelde -kort gezegd- geen inhoudelijke verklaring heeft kunnen afleggen uit vrees voor een nieuwe vervolging, dat [veroordeelde] reeds is veroordeeld door het gerechtshof voor zijn rol in de organisatie, die tot oogmerk heeft gehad het plegen van misdrijven. De bewezenverklaring van -kort gezegd- overtreding van artikel 3 (lid 1) aanhef en onder A van de Opiumwet binnen de bewezenverklaring van artikel 140 Sr. staat aan een latere afzonderlijke vervolging van die (grond)delicten (in die periode) in de weg. Om die reden bestaat er naar het oordeel van de rechtbank geen strafvorderlijke reden tot een "strafvorderlijke vrijwaring". Om die reden kan de weigering van de officier van justitie om geen gevolg te geven aan een dergelijk verzoek geen consequenties hebben voor de ontvankelijkheid van de officier van justitie noch anderszins. Bovendien heeft veroordeelde in de loop van de procedure alle gelegenheid gehad om zijn standpunt aangaande de delicten en het daaruit voortgekomen voordeel toe te lichten. Hij heeft daarvan afgezien. De rechtbank verwerpt dat verweer.

Voorts overweegt de rechtbank dat nu [veroordeelde] voornoemd door het gerechtshof 's-Hertogenbosch bij arrest van 17 oktober 2006, aangevuld op 24 oktober 2006, is veroordeeld terzake deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven, waarbij in de bewezenverklaring staat vermeld dat de organisatie zich (tevens) schuldig heeft gemaakt aan het overtreden van artikel 3 (lid 1) aanhef en onder A van de Opiumwet, het beroep op het arrest Geerings vs de Staat der Nederlander d.d. 1 maart 2007 (nr. 30810/03) feitelijke grondslag mist en op die grond wordt verworpen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn voor het overige geen omstandigheden gebleken, die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan.

3. De methode van berekenen van het wederrechtelijk verkregen voordeel.

De verdediging van de zijde van veroordeelde [veroordeelde] stelt dat nu in diens zaak geen SFO is ingesteld aangenomen wordt dat de vordering gebaseerd is op artikel 36e, lid 1 en 2 van het Wetboek van Strafrecht (Sr).

De rechtbank volgt de verdediging daarin en merkt op, gezien de genoemde leden, dat de basis voor de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel is het strafbare feit waarvoor is veroordeeld en soortgelijke feiten of feiten waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd, waaromtrent voldoende aanwijzingen bestaan dat zij door veroordeelde zijn begaan.

4. De periode van wederrechtelijk verkregen voordeel en de extrapolatie daarvan

De rechtbank constateert dat het SFO tot doel had het vaststellen van het wederrechtelijk verkregen voordeel van de veroordeelden [veroordeelde 1] en [veroordeelde 2] vanaf 25 april 1997 en het schatten van het wederrechtelijk verkregen voordeel van deze beide veroordeelden in de periode van 1 juli 1998 t/m 9 november 2004. Tevens was tot doel gesteld in het onderzoek het wederrechtelijk verkregen voordeel vast te stellen bij onder meer de veroordeelden [veroordeelde], [veroordeelde 3] en [veroordeelde 4] (p 000010).

Uit paragraaf 5.1.12 ev. (p 000023) volgt dat voor de extrapolatie gebruik werd gemaakt van

a. telefoongesprekken

b. opnamen vertrouwelijke communicatie

c. en RCIE-processen-verbaal.

De rechtbank gaat hier per onderdeel nader op in:

Ad a. telefoongesprekken en b. opnamen vertrouwelijke communicatie

De rechtbank constateert dat in de periode van 24 maart 2003 t/m 7 november 2004 telefoongesprekken zijn opgenomen (p 000023) verwoord in bijlage 137 (p 0010232-0010422) en bijlage 138 (p 0010423-0010456), welke laatste bijlage met name ziet op drugsgerelateerde gesprekken.

Uit bijlage 137 volgt onder meer dat er tussen 6 oktober 2003 en 2 juni 2004 geen gesprekken zijn opgenomen en dat de bijlage feitelijk inzicht geeft in de periode van 2 september 2003 t/m 14 oktober 2004.

Met name de gesprekken in bijlage 137, nader vermeld in onderstaande voetnoot , geven inzicht in de deelname van de veroordeelden als ook in de omvang van hun drugsgerelateerd handelen. Zo valt uit het gesprek verwoord op p 10355 te concluderen dat er ook een periode van niet leveren was, uit een gesprek verwoord op p 10367 dat een (gezamenlijke) investering van een miljoen euro plaatsvond en op p 10397 blijkt dat het netwerk ook Engelsen omvatte.

Uit het gestelde in bijlage 138 concludeert de rechtbank dat reeds in 2003 het meermalen om grote partijen drugs ging. De rechtbank neemt daarbij in beschouwing dat het in de gesprekken meerdere malen ging om hoeveelheden van 10 kilo maar ook uit grotere hoeveelheden, zoals 17 kilo (d.d. 15/10/3), 100 kilo (d.d. 16/11/3), 31 kilo (d.d. 22/11/3), en 22 kilo (d.d. 22/11/3).

De rechtbank gaat, gezien de genoemde hoeveelheden en de frequentie, ervan uit dat reeds vóór maart 2003 drugs gerelateerd handelen plaatsvond.

De gesprekken van 5/10/3, waarbij [veroordeelde 2] spreekt over "85.000 pond per maand dat Engeland doet" en het gesprek van 6/10/3: "[betrokkene] neemt 100 kilo per week af" sterken de rechtbank in het eerder gestelde.

De rechtbank gaat er derhalve vanuit dat reeds in 2003 een forse drugshandel plaatsvond en reeds op basis van de genoemde telefoongesprekken extrapolatie in tijd mogelijk is.

Ad c. RCIE processen-verbaal.

In het arrest van 25 maart 1997, nr. 104 384 (JOW 1997/920) beziet de Hoge Raad onder meer de bewijsmiddelen en staat toe dat voor de voordeelberekening naast anonieme getuigen ook extrapolatie mogelijk is uit resultaten van een steekproef, in die zaak neerkomend op een aantal door de politie verrichte observaties.

In zijn arrest van 28 mei 2002 (JOW 2002/23) geeft de Hoge Raad de mogelijkheid de omvang van het wederrechtelijk verkregen voordeel te schatten als de grondslag berust op wettige bewijsmiddelen en het gaat om een beredeneerde vermogensvergelijking gebaseerd op wettige bewijsmiddelen. Als voorbeeld wordt gegeven het SFO-rapport. De Hoge Raad stelt verder dat het Openbaar Ministerie de bewijslast heeft en dat die bewijslast op redelijke en billijke wijze verdeeld kan worden tussen het Openbaar Ministerie en de betrokkene.

Voor ontneming ter zake soortgelijke feiten als bewezen verklaard moet sprake zijn van voldoende aanwijzingen dat voordeel is genoten uit die feiten.

Wat onder voldoende aanwijzingen wordt verstaan volgt niet uit de parlementaire stukken. In het algemeen wordt aannemelijkheid gelijk gesteld met voldoende aanwijzingen, aldus mr. H.G. Punt [1]. De aannemelijkheid dient volgens Punt uit het SFO -dat immers een voorwaarde is om op grond van lid 3 van artikel 36e Sr. te kunnen ontnemen- te worden afgeleid.

Inherent aan de systematiek van dit onderdeel van de wetgeving is dat aan de aannemelijkheid een minder zware bewijsmaatstaf wordt gegeven dan aan het wettig en overtuigend bewijs van artikel 338 Sv. Punt vermeldt verder dat in de literatuur het criterium van aannemelijkheid ook wel wordt aangeduid als de "hoge graad van zekerheid". Hij vervolgt met "de inhoud van het begrip wordt in de kern bepaald door het streven naar materiële waarheid en daarmee het trachten (redelijke) twijfel over hetgeen heeft plaatsgevonden uit te sluiten".

In het arrest van 28 mei 2002[2] wordt niets vermeld over het gebruik van RCIE-informatie bij de bepaling van de omvang van het wederrechtelijk verkregen voordeel.

De rechtbank dient te beslissen hoe moet worden omgegaan met RCIE-informatie, waarvan de juistheid van de inhoud door de verdediging is betwist, zulks bezien tegen de achtergrond van hetgeen hiervoor is overwogen omtrent wettige bewijsmiddelen en "de hoge graad van zekerheid".

RCIE-informatie in strafzaken is niet opgesteld om als bewijs te dienen. Het is een in de praktijk gegroeid sturingsinstrument van de opsporing, op basis waarvan (en waardoor) bepaalde dwangmiddelen en/of BOB-bevoegdheden (kunnen) worden ingezet. In deze zaak volstaat de rechtbank met de vaststelling dat een verhoor van de bij RCIE-informatie betrokken informant of informanten zich moeilijk laat rijmen met een werkbaar systeem van (RCIE-)informatieverzameling.

Omdat RCIE-informatie geen bewijsmiddel beoogd te zijn, vindt er -naar vaste rechtspraak- geen verhoor plaats van informanten: de verdediging heeft bij dat verhoor ook geen belang zolang de inhoud van de RCIE-informatie niet als bewijsmiddel wordt gebruikt.

In een ontnemingsprocedure kan dit niet anders worden. Op het moment dat RCIE-informatie als (bijkomend) bewijsmiddel zou gaan dienen bij het bepalen van het wederrechtelijk genoten voordeel, dient de verdediging het recht te krijgen de bron van deze RCIE- informatie op betrouwbaarheid te onderzoeken. Een dergelijk recht vloeit rechtstreeks voort uit artikel 6 van het EVRM.

Bij deze stand van zaken kan de inhoud van de RCIE, zoals verwoord in de SFO-rapportage, niet worden gebruikt bij het bepalen van de omvang van het wederrechtelijk verkregen voordeel. De in de processen-verbaal gestelde mate van betrouwbaarheid van de desbetreffende RCIE-informatie doet daaraan niet af.

De rechtbank acht wel bruikbaar de uitkomsten van deelonderzoeken en andere hierna te noemen informatie.

Zo geeft bijlage 151 een BPS mutatie, waaruit blijkt dat op 17/6/98 10 kg henneptoppen en kwekerijspullen worden aangetroffen in een schuur van [veroordeelde 2]. [veroordeelde 2] verklaart daarover dat twee zakken met weed aldaar zijn neergelegd nadat deze zijn aangetroffen in de omgeving van Tilburg.

In bijlage 152 van het rapport wordt gerelateerd dat een vonnis is vernietigd ter zake van het aanwezig hebben van 17000 gram hennep op of omstreeks 29/8/01 nu de veroordeelde [veroordeelde 2] in die zaak niet de cautie was gegeven.

De rechtbank neemt nogmaals een aantal tapgesprekken in beschouwing.

Ten aanzien van de veroordeelde [veroordeelde 1] concludeert de rechtbank op grond van het gestelde in bijlage 138 dat [veroordeelde 1] aanvankelijk een of enkele kilo's inkoopt en deze hoeveelheden nadien groter worden. De rechtbank beziet voor wat betreft de grotere hoeveelheden onder meer de gesprekken d.d. 21/5/3 (10 kilo), 22/8/3 (10 kilo), 12/2/4 (48 kilo), 5/4/4 (10 kilo), 16/6/4 ( 22 kilo). 8/7/4 (10 kilo), 8/8/4 (31 kilo) en d.d. 21/8/4 (40 kilo).

Ook de gesprekken over verkopen beziet de rechtbank en wel d.d. 18/6/4 (32 kilo), 22/6/4 (100 kilo samen met [veroordeelde 2]) 3/8/4 (5,5 kilo), 7/8/4 (15 kilo samen met Van Uum) en d.d. 30/8/4 (61 kilo samen met [veroordeelde 4]).

Ten aanzien van de veroordeelde [veroordeelde 3] constateert de rechtbank uit de tapgesprekken verschillende activiteiten, zoals

- hem worden al dan niet met goedvinden van met name veroordeelde [veroordeelde 1] kleinere hoeveelheden aangeboden dan wel hij biedt deze zelf aan (bijlage 138 gesprekken d.d. 20/6/3, 28/6/3, 16/7/3, 22/7/3, 23/7/3, 25/7/3, 28/7/3, 22/8/3, 2/9/3, 6/9/3, 17/10/3, 29/10/3, 16/11/3 (aanbod van 100 kilo), 19/2/4, 23/6/4, 19/7/4, 15/9/4 en 4/10/4)

- hij brengt of haalt de drugs op (bijlage 138 gesprekken d.d. 20/6/3, 28/6/3, 4/11/3, 9/11/3, 22/1/4, 9/2/4, 16/2/4 en d.d. 8/7/4)

- hij moet bezien of de drugs goed zijn (bijlage 138 gesprekken d.d. 28/6/3, 28/7/3, 24/10/3, 4/11/3, 10/2/4, 19/5/4, 21/5/4, 23/6/4, 28/6/4 en d.d. 17/7/4)

- hij vraagt regelmatig toestemming aan veroordeelde [veroordeelde 1] (bijlage 138 gesprekken d.d. 28/6/3, 16/9/3, 18/9/3, 17/10/3 en d.d. 18/3/4)

- hij rekent zelf niet af (bijlage 138 gesprek d.d. 28/6/3)

- hij fungeert als een intermediair (bijlage 138 gesprekken d.d. 15/8/3, 25/9/3, 28/11/3, 23/12/3, 1/2/4 en d.d. 19/6/4)

- hij verricht samen met veroordeelde [veroordeelde 4] ook zelfstandig drugsactiviteiten (bijlage 138 gesprekken d.d. 22/11/3, 3/8/4, 9/8/4 en d.d. 17/8/4)

- en hij verricht in een periode geen activiteiten ivm vakantietijd (bijlage 138 gesprek 23/7/3).

Ten aanzien van de veroordeelde [veroordeelde] constateert de rechtbank dat deze veroordeelde wordt vermeld in de tapgesprekken vanaf 2 september 2003. Verder constateert de rechtbank dat veroordeelde

- overlegt ten aanzien van levering aan Engeland (bijlage 138 gesprek d.d. 2/9/3, 1/6/4 en d.d. 25/6/4)

- spreekt over een eventueel leveren naar Duitsland (bijlage 138 gesprek d.d. 2/9/3)

- drugs levert dan wel daarover overlegt onder meer met de veroordeelden [veroordeelde 1] en [veroordeelde 2], waarbij de rechtbank ook constateert dat het overleg op een gelijkwaardig niveau plaatsvindt (bijlage 138 gesprekken d.d. 24/9/3, 29/9/3, 28/11/3, 2/2/4, 26/5/4, 1/6/4, 7/6/4, 25/6/4 twee keer, 5/7/4 twee keer, 12/7/4, 22/7/4, 4/9/4, 6/9/4, 10/9/4, 14/9/4, 15/9/4 drie keer, en 30/9/4 twee keer).

De rechtbank constateert op grond van de tapgesprekken verwoord in bijlage 138 de navolgende drugsgerelateerde activiteiten van de veroordeelde [veroordeelde 4]:

- het halen, brengen van drugs en het overleggen over drugs

- het twee keer overleggen met veroordeelde [veroordeelde 2] (gesprekken d.d. 12/8/3 en d.d. 8/10/3)

- en het veelvuldig overleg dat veroordeelde heeft gehad met de veroordeelde [veroordeelde 1].

Op grond van het bovenstaande en gelet op het gestelde in het SFO-rapport omtrent de toerekening in tijd per veroordeelde wijkt de rechtbank af van het gestelde in het rapport en wel met uitzondering van de toe te rekenen periode aan veroordeelde [veroordeelde 2].

De rechtbank komt tot de volgende toerekening in tijd:

- Veroordeelde [veroordeelde 2]: 1 juli 1998 t/m 9 november 2004

- Veroordeelde [veroordeelde 1]: vanaf januari 2001 t/m 9 november 2004

- Veroordeelde [veroordeelde]: vanaf september 2003 t/m 9 november 2004,

waarbij de rechtbank opmerkt dat in het jaar

2004 het handelen van veroordeelde

intensiever werd

- Veroordeelde [veroordeelde 4]: 1 maart 2003 t/m 9 november 2004

- Veroordeelde [veroordeelde 3]: 1 maart 2003 t/m 9 november 2004.

5. De hoeveelheden hennep en de extrapolatie daarvan.

In de samenvattende bijlage 138 wordt de inkoop en verkoop in negen maanden van 2003 en tien maanden in 2004 bezien op basis van de telefoongesprekken en als volgt weergegeven:

Inkoop:

9 maanden 2003 156,7 = 4,02 kilo per week 10 maanden 2004 274,2 = 6,33 kilo per week

De verbalisant neemt als gemiddelde 5 kilo per week.

Verkoop:

9 maanden 2003 57,7 = 1,48 kilo per week

10 maanden 2004 249 = 5,75 kilo per week

Verbalisant neemt als gemiddelde 4 kilo per week.

De rechtbank constateert dat de gemiddelde verkoop 3,6 kilo is, echter dat de inkoop aanmerkelijk hoger is waardoor het aannemelijk is dat uitgegaan wordt van een verkoop van 4 kilo per week.

Anders dan de verbalisant doet, gaat de rechtbank er niet zonder meer van uit dat genoemde verkoop louter op de binnenlandse afzet ziet, nu uit de tapgesprekken volgt dat ook geleverd wordt aan afnemers in Engeland.

Anders dan de verbalisant gaat de rechtbank zoals hiervoor al vermeld, niet uit van de verkregen informatie uit RCIE processen-verbaal.

Op grond van het door de rechtbank eerder gestelde en wel in het bijzonder:

- de tapgesprekken vermeld in bijlage 138 die zowel zien op export als binnenlandse afzet

- de tapgesprekken d.d. 5/10/3 en 6/10/3, te weten "Engeland doet 85.000 pond per maand" en "[betrokkene] neemt 100 kilo per week af",

stelt de rechtbank vast dat op grond van de wettige bewijsmiddelen en de aannemelijkheid uitgegaan kan worden van:

een wekelijkse export van 100 kilo

en een wekelijkse binnenlandse afzet van 4 kilo

derhalve van in totaal 104 kilo per week.

Deze omzet is behaald in de periode van 2002 tot en met 9 november 2004.

6. Het wederrechtelijk verkregen voordeel van de criminele organisatie.

De officier van justitie geeft onderbouwd aan dat de inkoopprijs € 2.518,- per kg dient te zijn, terwijl de verkoopprijs buitenland gemiddeld € 3.357,- per kg dient te zijn.

De onderbouwing van de officier van justitie, met name het hanteren van meerdere bronnen voor de bepaling van de inkoopprijs en het leidend doen zijn van het direct afgeluisterde gesprek waarin [veroordeelde 2] zelf die prijs in Engelse ponden noemt , is voor de rechtbank aanleiding op dit punt de berekening in het SFO-rapport te volgen.

De rechtbank gaat conform het gestelde onder 5 uit van een wekelijkse omzet van 104 kilo softdrugs.

De rechtbank acht de gemiddelde inkoopprijs gesteld in de rapportage van € 2.518 per kilo als ook de gemiddelde verkoopprijs binnenland € 2.775 per kilo en buitenland € 3.357 per kilo reëel, gezien de eerder genoemde tapgesprekken (bijlage 138) en het tapgesprek vermeld in bijlage 135 en het direct afgeluisterde gesprek vermeld in bijlage 174.

Anders dan de verbalisant ziet de rechtbank de inbreng van de veroordeelde [veroordeelde] ook als een kostenpost, zodat de veroordeelden [veroordeelde], [veroordeelde 4] en [veroordeelde 3] in deze zaak als kostenposten worden gezien. De rechtbank schat de inbreng van de veroordeelden [veroordeelde 4] en [veroordeelde 3] ieder op 3 %. Anders dan de officier van justitie schat de rechtbank de inbreng van de veroordeelde [veroordeelde] op 10 %, waarbij de rechtbank tevens rekening zal houden met de duur van de inbreng van die [veroordeelde 4], [veroordeelde 3] en [veroordeelde].

[veroordeelde 4], [veroordeelde 3] en [veroordeelde] komen voor in (een deel van) de periode van 1 maart 2003 t/m 9 november 2004. In de periode van 1 juli 1998 tot 1 maart 2003 constateert de rechtbank slechts activiteiten van de veroordeelden [veroordeelde 1] en [veroordeelde 2], waarbij de rechtbank tevens heeft geconstateerd dat genoemde periode slechts gedeeltelijk (te weten vanaf januari 2001) opgaat voor de veroordeelde [veroordeelde 1].

De rechtbank komt op grond van het vorenstaande tot de navolgende berekening:

Procentuele verhouding verkoop binnenland met verkoop buitenland

Binnenland 4 kg per week = 1/26 van het totaal van 104 kg

Buitenland 100 kg per week = 25/26 van het totaal van 104 kg

Brutowinst 2004

Brutowinst per week binnenland: 4 kilo x € 257 = € 1.028,-

per jaar binnenland = € 53.456,-

Brutowinst per week export : 100 kilo x € 839 = € 83.900,-

per jaar export = € 4.362.800,-

Totaal brutowinst 2004 = € 4.416.256,-

Inbreng in de organisatie in tijd per veroordeelde

Anders dan de verbalisant, die extrapoleert tot 1 juli 1998 mede op grond van RCIE-informatie, gaat de rechtbank uit van de eerder per veroordeelde genoemde periodes. Ter wille van de duidelijkheid worden deze nogmaals vermeld:

- Veroordeelde [veroordeelde 2] : 1 juli 1998 t/m 9 november 2004

- Veroordeelde [veroordeelde 1] : vanaf januari 2001 t/m 9 november 2004

- Veroordeelde [veroordeelde] : vanaf september 2003 t/m 9 november 2004,

waarbij de rechtbank opmerkt dat in het jaar 2004 het handelen van veroordeelde intensiever werd

- Veroordeelde [veroordeelde 4] : 1 maart 2003 t/m 9 november 2004

- Veroordeelde [veroordeelde 3] : 1 maart 2003 t/m 9 november 2004.

Omzet

Gelet op de vonnissen en voorzover van toepassing op de arresten, de duur van de opgenomen telefoongesprekken, de inhoud van die gesprekken en de andere wettige bewijsmiddelen, zoals het - eerder- vermelde in de bijlagen 151 en 152 komt de rechtbank tot de navolgende omzetten:

Jaar 2004 100% = 104 kilo per week

Jaar 2003 100% = 104 kilo per week

Jaar 2002 100% = 104 kilo per week

Jaar 2001 75% = 78 kilo per week

Jaar 2000 50% = 52 kilo per week

Jaar 1999 25% = 26 kilo per week

Jaar 1998 5% = 5 kilo per week

Inbreng per veroordeelde in de organisatie in percentages

Gelet op de vonnissen en arresten, de geconstateerde verschillen in rollen van de veroordeelden, de geconstateerde verschillen in termijnen van activiteiten per veroordeelde

komt de rechtbank tot de navolgende berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel per veroordeelde.

Het hierboven gestelde wat betreft de inbreng van de veroordeelden in de organisatie weergegeven in percentages geeft het navolgende inzicht:

1. Periode 1 juli 1998 tot 1 maart 2003 (56 maanden)

Criminele organisatie 100 %

Inbreng [veroordeelde 1] vanaf 2001 =

26/56 maanden x 50 % 23 %

Inbreng [veroordeelde 2] in de criminele organisatie

in genoemde periode derhalve 77 %

2. Periode 1 maart 2003 t/m 9 november 2004 (20 maanden)

Criminele organisatie 100 %

Kosten veroordeelden [veroordeelde 4], Van de

Vorstenbosch en [veroordeelde]:

- [veroordeelde 3] per 1/3/3 3 %

- [veroordeelde 4] per 1/3/3 3 %

- [veroordeelde] per 1/9/3 is 14/20 maand x 10 % 7 %

______

13 %

_______

Resteert 87 %

Te verdelen over [veroordeelde 1] en [veroordeelde 2]

Impliceert dat ieder een aandeel heeft van 43,5 %

Brutowinst criminele organisatie op jaarbasis ten opzichte van de omzet

Jaar 2004 (hele jaar) € 4.416.256,-

Jaar 2003 (hele jaar) € 4.416.256,-

Jaar 2002 (hele jaar) € 4.416.256,-

Jaar 2001 (hele jaar) € 3.312.192,-

Jaar 2000 (hele jaar) € 2.208.128,-

Jaar 1999 (hele jaar) € 1.104.064,-

Jaar 1998 (hele jaar) € 220.812,-

Brutowinst criminele organisatie verdeeld over de verschillende onderhavige perioden

Periode 1 juli 1998 tot 1 maart 2003:

Juli t/m december 1998 6/12 x € 220.812,- = € 110.406,-

1999 € 1.104.064,-

2000 € 2.208.128,-

2001 € 3.312.192,-

2002 € 4.416.256,-

Januari tot maart 2003 2/12 x € 4.416.256,- = € 736.042,-

___________

€11.887.088,-

Periode 1 maart 2003 t/m 9 november 2004:

Maart t/m december 2003 10/12 x € 4.416.256,- = € 3.680.213,-

Januari tot november 2004 10/12 x € 4.416.256,- = € 3.680.213,-

___________

€ 7.360.426,-

Brutowinst wordt nettowinst

De rechtbank is van oordeel dat kosten in beginsel toewijsbaar zijn mits die kosten aannemelijk worden gemaakt. De verdediging en de veroordeelden hebben ervoor gekozen om op geen enkele wijze aannemelijk te maken welke de gemaakte kosten zijn.

Om die reden slaat de rechtbank geen acht op dit onderdeel.

Voor de berekening van de nettowinst zal derhalve worden uitgegaan van de bedragen genoemd onder de brutowinst.

7. De toerekening van een deel van het wederrechtelijk verkregen voordeel aan elk van de veroordeelden.

Toedeling van de nettowinst van de criminele organisatie aan de veroordeelden rekening houdend met het procentuele aandeel van de veroordeelden in de verschillende perioden:

Periode 1 juli 1998 tot 1 maart 2003:

Nettowinst 100% = € 7.360.426,-

[veroordeelde 1] 23% = € 1.692.897,-

[veroordeelde 2] 77% = € 5.667.528,-

Periode 1 maart 2003 tot 1 november 2004:

Nettowinst 100% = €11.887.088

[veroordeelde 3] 3% = € 356.612,-

[veroordeelde 4] 3% = € 356.612,-

[veroordeelde] 7% = € 832.096,-

[veroordeelde 1] 43,5%= € 5.170.883,-

[veroordeelde 2] 43,5%= € 5.170.883,-

Totaal wederrechtelijk verkregen voordeel per veroordeeld

[veroordeelde 3] € 356.612,-

[veroordeelde 4] € 356.612,-

[veroordeelde] € 832.096,-

[veroordeelde 1] € 6.863.780,-

[veroordeelde 2] € 10.838.411,-

8. Matiging van het betalingsbedrag,

Door de verdediging van [veroordeelde] is in haar conclusie van dupliek gesteld dat [veroordeelde] geen draagkracht heeft om een eventueel op te leggen ontnemingsbedrag in de toekomst te kunnen betalen.

De rechtbank is gelet op het onderzoek ter terechtzitting van oordeel dat voorshands niet aannemelijk is geworden dat de veroordeelde, mede gezien zijn leeftijd, thans op enig moment alsnog, niet in staat zou zijn om aan zijn betalingsverplichting te voldoen, mede gelet op de verjaringstermijn voor de tenuitvoerlegging van deze betalingsverplichting ingevolge artikel 76 juncto artikel 70 van het Wetboek van Strafrecht, terwijl het openbaar ministerie gedurende die termijn onbeperkt uitstel van betaling kan verlenen en betaling in termijnen kan toestaan. Daarnaast kan de veroordeelde op de voet van artikel 577b, tweede lid van het Wetboek van Strafvordering later bij gebleken betalingsonmacht alsnog aan de rechtbank verzoeken de betalingsverplichting te verminderen dan wel kwijt te schelden.

Toepasselijke wetsartikelen.

De op te leggen maatregel is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.

Beslissing.

De rechtbank:

- legt aan M.F.M. [veroordeelde] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een geldbedrag ter grootte van € 832.096,- (zegge: achthonderdtweeëndertigduizend zesennegentig euro), ter ontneming van het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel dat hij door middel van of uit de baten van de feiten terzake waarvan hij is veroordeeld heeft verkregen.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. K. Visser, voorzitter,

mr. N.M. Spelt en mr. drs. W.A.F. Damen, leden,

in tegenwoordigheid van L.F.M. Schulte, griffier,

en is uitgesproken op 18 juli 2007.

Mr. Spelt is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.