Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2007:BA9655

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
17-07-2007
Datum publicatie
17-07-2007
Zaaknummer
01/849338-06
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Rechtbank heropent het onderzoek in de Udense moordzaak om alsnog de schedel van het slachtoffer door een andere deskundige te laten onderzoeken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

tussenvonnis

RECHTBANK 'S-HERTOGENBOSCH

Sector Strafrecht

Parketnummer: 01/849338-06

Datum uitspraak: 17 juli 2007

Tussenvonnis van de rechtbank ’s-Hertogenbosch, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1953,

thans gedetineerd te: P.I. Arnhem - HvB Arnhem Zuid te Arnhem.

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 3 juli 2007, 29 mei 2007, 10 april 2007, 20 februari 2007, 19 december 2006.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaardingen van 7 november 2006 en 26 november 2006.

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

1.

hij in of omstreeks de periode van 01 juli 2006 tot en met 31 augustus 2006 te

Uden, althans in Nederland en/of in de gemeente Baelen (België), althans in

België, opzettelijk en (al dan niet met voorbedachten rade) [slachtoffer]

van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet (en al dan

niet na kalm beraad en rustig overleg) (met een luchtdrukwapen) meermalen,

althans eenmaal, op en/of in het hoofd van [slachtoffer] geschoten en/of

(met een of meer harde voorwerpen) meermalen, althans eenmaal, op het hoofd

van [slachtoffer] geslagen, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is

overleden;

(artikel 289/287 Wetboek van Strafrecht)

2.

hij in of omstreeks de periode van 01 juli 2006 tot en met 01 september 2006

te Uden en/of elders in Nederland en/of in de gemeente Baelen (Belgie) en/of

elders in België en/of in Duitsland, een lijk, te weten het stoffelijk

overschot van [slachtoffer], heeft verborgen en/of heeft weggevoerd en/of

heeft weggemaakt, met het oogmerk om het feit en/of de oorzaak van het

overlijden te verhelen, immers heeft/is verdachte:

* in of omstreeks de periode van 01 juli 2006 tot en met 31 augustus 2006:

- het lichaam van [slachtoffer] in plastic en/of in een of meer dekens

ingepakt en/of

- het lichaam van [slachtoffer] naar België vervoerd en/of

- het lichaam van [slachtoffer] in België in een (dicht begroeid) bos gelegd

en (vervolgens) aldaar achtergelaten;

* in of omstreeks de periode van 31 augustus 2006 tot en met 01 september 2006:

- het lichaam van [slachtoffer] in België uit het bos gehaald en/of

(vervolgens)

- het lichaam van [slachtoffer] in zijn, verdachtes, auto gelegd en/of

(vervolgens)

- met die auto naar Duitsland gereden;

(artikel 151 Wetboek van Strafrecht)

De tenlastelegging is op vordering van de officier van justitie ter terechtzitting van 3 juli 2007 gewijzigd. Van deze vordering is een kopie aan dit vonnis gehecht.

De geldigheid van de dagvaarding.

De dagvaarding voldoet aan alle wettelijke eisen.

Heropening en schorsing van het onderzoek ter terechtzitting.

De raadman van verdachte heeft primair verzocht om heropening van het onderzoek teneinde (nader) onderzoek te laten plaatsvinden met betrekking tot de vraag of de beschadigingen aan de schedel van het slachtoffer al dan niet zijn ontstaan bij leven . De verdediging heeft in dit verband aangevoerd dat de schedel mogelijk is beschadigd door diervraat. Verder heeft de verdediging aangevoerd dat de plaats waar het slachtoffer is achtergelaten een jachtgebied betreft en dat een aantal beschadigingen mogelijk zijn toegebracht door afketsende kogeltjes van een schot hagel uit een jachtgeweer. Voor de noodzaak tot nader onderzoek heeft de verdediging ook gewezen op een rapport van de forensisch patholoog Prof. Dr. Werner Jacobs (verder: de deskundige Jacobs)

De rechtbank is van oordeel dat de noodzaak tot nader onderzoek voldoende is gebleken, waartoe het navolgende wordt overwogen. Uit genoemd rapport van de deskundige Jacobs blijkt dat hij op basis van de aan hem voorgelegde stukken, waaronder kennelijk ook de kleurenfoto’s van de beschadigingen aan/van de schedel, deels tot andere bevindingen/conclusies komt dan een of meer deskundigen van het NFI. Hierbij verwijst de rechtbank met name ook naar het standpunt van de deskundige Jacobs ten aanzien van “gat 2” en zijn conclusie dat de “gaten 1 en 2” in de schedel zijn veroorzaakt door 2 verschillende soorten vuurwapens (hierbij geldt wel de aantekening dat de deskundige Jacobs niet heeft kunnen beschikken over de laatste rapporten van het NFI). Verder stelt de deskundige Jacobs zich op het standpunt dat op basis van de stukken die aan hem zijn voorgelegd niet kan worden vastgesteld in hoeverre de botperforatie aan de linkerzijde van de schedel ter hoogte van de oogkas “dodelijk letsel” betreft.

De rechtbank acht het voor de beoordeling van het bewijs in deze zaak en het verweer dat sprake is van een ongeluk, van belang om zoveel als mogelijk is vast te (doen) stellen welke van de aan de schedel geconstateerde letsels bij leven is/zijn toegebracht, waardoor die letsels (ieder voor zich) zijn veroorzaakt en of een of meer daarvan (eventueel in combinatie met elkaar) dodelijk letsel zijn of kunnen zijn. Gelet op het curriculum vitae van de deskundige Jacobs acht de rechtbank hem gekwalificeerd dat nader onderzoek te verrichten, zodat de rechtbank het verzoek van de verdediging zal volgen om aan hem nader onderzoek op te dragen. De rechtbank neemt aan dat de deskundige Jacobs de schedel aan een onderzoek zal onderwerpen. De rechtbank oordeelt dat dat onderzoek zo mogelijk op het NFI dient plaats te vinden. In het geval dat de deskundige Jacobs naar het oordeel van de rechter-commissaris steekhoudende bezwaren aanvoert tegen een onderzoek op het NFI, zal de rechter-commissaris kunnen besluiten onder door hem na overleg met de officier van justitie te stellen (rand) voorwaarden de schedel aan de deskundige Jacobs in België ter beschikking te stellen.

De rechtbank oordeelt dat het onderzoek van de deskundige Jacobs -zo mogelijk- in ieder geval het navolgende dient in te houden:

-een zo nauwkeurig mogelijke beschrijving van de diverse “gaten” in/aan de schedel;

-een deskundig en gemotiveerd oordeel omtrent de oorzaak van het ontstaan van ieder van die “gaten”, waarbij in dat oordeel dienen te worden betrokken de vragen of een of meer van de “gaten” (kunnen) zijn ontstaan door een of meer vuurwapens en de eventuele aard daarvan, dan wel een of meer van de “gaten” dienen of kunnen worden toegeschreven aan iets anders. In dat verband dient tevens aan de orde te komen of er al dan niet sprake is van (een) ingangswonde(n) en/of uitgangswonde(n);

-een deskundig en gemotiveerd oordeel omtrent de vraag of “gat 4” (d.i. het gat ter linkerzijde van de schedel, ter hoogte van de oogkas) is of kan zijn veroorzaakt door een luchtdrukwapen van het merk/type Gamo, model Hunter 1250 -bestemd voor het enkelschots verschieten van diabolokogeltjes 5,5 mm- hierbij het rapport van R. Hermsen d.d. 12 december 2006 in aanmerking genomen; indien dit het geval zou zijn, zal de deskundige zo mogelijk dienen aan te geven vanaf welke afstand het wapen minimaal en maximaal op een schedel als die van het slachtoffer moet worden afgevuurd om dergelijk letsel te (kunnen) veroorzaken;

-een deskundig en gemotiveerd oordeel (desnoods in graden van waarschijnlijkheid) omtrent de vraag of de respectievelijke “gaten” zijn ontstaan bij leven of na de dood;

-een deskundig en gemotiveerd oordeel omtrent de vraag of een of meer van de “gaten” al dan niet moeten of kunnen worden toegeschreven aan diervraat;

-een deskundig en gemotiveerd oordeel ten aanzien van ieder van de “gaten” of dit letsel betreft dat dodelijk was of kan zijn geweest, eventueel in combinatie met ander letsel aan de schedel;

-een deskundig en gemotiveerd oordeel omtrent de vraag of het kogeltje in de oogkas en “gat 4” (ter linkerzijde van de schedel) in direct verband staan met elkaar en, zo ja, wat de inschotrichting is geweest van “gat 4”;

-een deskundig en gemotiveerd oordeel omtrent de vraag of de verklaringen van verdachte dat sprake was van een ongeluk, als aangegeven in het proces-verbaal van het verhoor van verdachte bij de rechter-commissaris d.d. 27 juni 2007 en het proces-verbaal van de terechtzitting d.d. 3 juli 2007, al dan niet verenigbaar zijn c.q. strijden met de bevindingen van de deskundige.

De deskundige wordt tenslotte verzocht al hetgeen te rapporteren c.q. naar voren te brengen dat naar zijn deskundig oordeel van belang is.

De zaak wordt naar de rechter-commissaris verwezen teneinde genoemd onderzoek te laten plaatsvinden. De rechter-commissaris zal de deskundige Jacobs dienen te voorzien van alle relevante stukken, waaronder in ieder geval alle technische rapporten van het NFI en de technische recherche, alsmede het proces-verbaal van het verhoor van verdachte bij de rechter-commissaris d.d. 27 juni 2007 en het proces-verbaal van de behandeling ter terechtzitting d.d. 3 juli 2007.

Naar het oordeel van de rechtbank is -gelet op de thans voorhanden gegevens en de omstandigheid dat nader deskundigenonderzoek plaats zal vinden- de noodzaak van het houden van een reconstructie niet gebleken. Hierbij neemt de rechtbank in aanmerking dat verdachte zijn verklaring dat er sprake was van een ongeluk heeft toegelicht en dat een reconstructie daaraan weinig kan toevoegen.

De rechtbank wijst het verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis van verdachte af, omdat de rechtbank van oordeel is dat de ernstige bezwaren en de gronden waarop de voorlopige hechtenis van verdachte is gebaseerd ook thans nog aanwezig zijn.

De rechtbank wijst het verzoek tot schorsing van de voorlopige hechtenis af, omdat zij van oordeel is dat het belang van de strafvordering en het belang dat de maatschappij heeft bij het voortduren van de voorlopige hechtenis moeten prevaleren boven het belang dat verdachte heeft bij schorsing van de voorlopige hechtenis.

De rechtbank:

- heropent het onderzoek en schorst het onderzoek tot de terechtzitting van 12 oktober 2007 te 13.00 uur (voorzitter mr. J.A. Bik).

- verwijst de zaak terug naar de rechter-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in deze rechtbank, teneinde de getuige-deskundige Jacobs in de gelegenheid te stellen onderzoek aan de schedel van het slachtoffer te verrichten en te rapporteren omtrent de hiervoor geformuleerde vragen. De rechter-commissaris dient de deskundige Jacobs te voorzien van alle relevante stukken, waaronder in ieder geval alle technische rapporten van het NFI en de technische recherche alsmede het proces-verbaal van het verhoor van verdachte bij de rechter-commissaris d.d. 27 juni 2007 en het proces-verbaal van de behandeling ter terechtzitting d.d. 3 juli 2007.

- wijst het verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis van de verdachte af.

- wijst het verzoek tot schorsing van de voorlopige hechtenis van de verdachte af.

De rechtbank stelt de termijn van deze schorsing op langer dan één maand na heden, doch een termijn van drie maanden niet te boven gaande, om de klemmende redenen dat alle binnen één maand na heden te houden terechtzittingen reeds zijn geappointeerd en geen ruimte bieden om deze zaak alsdan te behandelen en omdat niet te verwachten valt dat de te verrichten onderzoekshandelingen binnen één maand zullen zijn afgerond.

De rechter-commissaris wordt voorts verzocht al datgene te doen wat hem in het belang van het onderzoek geraden voorkomt.

De rechtbank stelt de stukken met dat doel in handen van de rechter-commissaris.

- beveelt de oproeping van verdachte tegen het tijdstip van de nadere terechtzitting met kennisgeving van dat tijdstip aan de raadsman van verdachte.

- beveelt de kennisgeving aan de nabestaanden [benadeelden] tegen genoemd tijdstip.

Stelt de stukken met dat doel in handen van de officier van justitie.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. J.A. Bik, voorzitter,

mr. I.L.P. Crombeen en mr. G.J. Holtkamp, leden,

in tegenwoordigheid van mr. A.C. Colceriu, griffier,

en is uitgesproken op 17 juli 2007.